Zo zegt de Here

Het onderzoek van de Schrift

Scheiding kerk en staat

Het onderzoek van de Schrift

Voorwoord

“Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw Woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten.” Jer 15:16

De persoonlijke omgang met Gods Woord is omgaan met de Allerhoogste. Daarin vinden we onze grootste vreugde. In Zijn Woord heeft God onderwezen hoe we dat Woord moeten benaderen willen we gezegend worden.
Deze onderwijzing wordt in het volgende artikel (een uittreksel uit het boek “Searching the Scriptures” ) van Dr. Pipim uitvoerig besproken. De theologische discussies rond de kwestie inzegening van vrouwen zijn een aanleiding geweest tot het schrijven van dit artikel vandaar dat er af en toe een verwijzing voorkomt naar deze kwestie. Wat gezegd wordt over de benadering van Gods Woord en het onderzoek ervan is echter toepasselijk op elke situatie waarin de wil van God wordt gezocht.
Moge de Here u zegenen in de studie van Zijn onderwijzing en u brengen tot een diepere omgang met Zijn Woord tot zegen van uzelf en Zijn gemeente.

1. Autoriteit van de Bijbel en interpretatie

Als wij de kwestie over de inzegeningen van vrouwen als ouderling of predikant door de studie van de Bijbel willen oplossen, moeten we duidelijk overeenkomen hoe we de Bijbel gaan interpreteren.
Hoe leidt de Geest de gelovigen - als individuen, als kerkgemeenschap en als een wereldwijd organisme dat samenkomt om te vergaderen - als zij Gods wil zoeken betreffende een onopgeloste theologische kwestie?
De fundamentele principes die in dit hoofdstuk worden besproken zijn cruciaal voor een juist begrijpen van de Bijbel.1

De Schriften als enige autoriteit

De 66 boeken van het Oude en Nieuwe Testament zijn de duidelijke, betrouwbare openbaring van Gods wil en Zijn verlossingsplan. Zij vormen de maatstaf waarop alle onderwijzingen en gedragingen moeten gebaseerd zijn en waaraan ze moeten getoetst worden (2 Tim 3:15-17; Ps 119:105; Spr 30:5, 6; Jes 8:20; Joh 17:17; 2 Thess 3:14; Heb 4:12). Het eerste artikel van onze Zevende-dags Adventistische fundamentele geloofspunten verklaart: “De Heilige Schrift is de onfeilbare openbaring van Zijn wil. Deze is de norm voor gedrag en geloofsbeleving, de gezaghebbende openbaringsbron van de geloofsleer en het betrouwbare verslag van Gods daden in de geschiedenis.” Minstens drie gevolgtrekkingen vloeien voort uit dit fundamenteel geloofspunt:

1. De Schrift is de gezaghebbende norm. Het handhaven van de sola scriptura (de Schrift als enig gezag) betekent alles geloven en gehoorzamen wat de Schrift onderwijst en de Schrift oordeel en leiding geven over elke gedachte en handeling. Het voorbeeld van Christus die herhaaldelijk beroep deed op de Schriften (bvb. “Hebt gij niet gelezen…?”;  “Er staat geschreven”), wijst erop dat de Schriften overal het laatste woord hebben. (cf. Matt 12:3, 5; 19:4; 21:16, 42; Matt 4:4, 7, 10; 5:17-19). Tegen de Schriften bestaat er geen hoger beroep, want “de Schrift blijft altijd van kracht.” “De Schrift kan niet gebroken worden.” Joh 10:35 (NBV, NBG)
Ellen White legt ons uit waarom theologische kwesties - zaken van geloof en praktijk, waaronder ook de aanstelling van vrouwen tot het evangeliewerk, behoort - alleen opgehelderd kunnen worden op basis van de Bijbel: “Het Woord Gods is de grote detector van de dwaling; we geloven dat alles aan haar moet getoetst worden. De Bijbel moet de maatstaf zijn voor elke leer en elk gedrag. We moeten ze met eerbied bestuderen. We mogen niet iemands opinie aannemen zonder deze met de Schriften te vergelijken. Hier is goddelijk gezag dat boven alles staat in geloofszaken. Het is het Woord van de levende God die bij alle twistpunten moet beslissen.” (The Ellen G. White 1888 Materials, pp. 44, 45).

2. De Schrift staat boven alle menselijke redeneringen en ervaringen.

De Bijbel als hoogste gezag stellen, betekent dat de menselijke redeneringen en ervaringen betreffende geloof en gedrag, onderworpen moeten zijn aan de Bijbelse onderwijzing. Het verstand moet ten volle benut worden, maar het moet zich niet boven het gezag van de Bijbel stellen en onafhankelijk daarvan werken (1 Co. 2:1). Adam en Eva maakten een verkeerd gebruik van hun rede toen zij ingingen op de uitnodiging om wijsheid te zoeken bij zichzelf (Gen. 3:5, 6). Alleen beroep doen op het eigen verstand getuigt van ongeloof. Daarom is de echte vraag bij het benaderen van de Schrift niet of een Christen zou mogen nadenken, maar hoe hij moet nadenken – m.a.w. moet zijn denken door de Bijbel beheerst worden (Spreuken 3:5-6)? Het zich onderwerpen aan het Woord van God betekent niet alleen een getrouw gebruik van de rede, maar is ook een daad van geloof.
Zo is het ook met de ervaring die een belangrijk element is in de belevenis van de Christelijke religie (1 Joh. 1:1-3) maar geen voorrang mag hebben op wat het Woord zegt. Om te vermijden dat subjectieve religieuze ervaring gelijk gesteld wordt met de “leiding van de Geest,” moeten de gelovigen zich door de corrigerende norm van de Bijbel laten leiden. De Schriften zijn veel betrouwbaarder dan de ervaring. De manier waarop de apostel Petrus deze kwestie benadert is veelbetekenend. In 2 Petrus 1:16-18 wordt de aanklacht verworpen dat de Christelijke boodschap een mythe zou zijn die geen enkel historisch feit als basis heeft. Als bewijs daarvan doet hij beroep op de ervaring van de apostelen: “wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit…En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.” In vers 19 echter verwijst hij naar iets dat “vastere” grond heeft dan de ervaring – namelijk het profetische woord, de goddelijk geïnspireerde Schriften (verzen 20-21; cf. Lucas 24:25-27, 32).2 Daar waar mensen de neiging hebben de Bijbel aan te nemen omdat deze hun ervaringen bevestigt (persoonlijk, cultureel, wetenschappelijk, godsdienstig enz.), wijst Petrus erop dat de ervaring (waaronder ook zijn eigen geheiligde ervaring) betrouwbaar is omdat ze door de Schrift wordt bevestigd.
Volgens Ellen White, “zal God een volk op aarde hebben dat de Bijbel en de Bijbel alleen zal hooghouden als de maatstaf voor alle leerstellingen en de grondslag voor alle hervormingen. De meningen van geleerden, de gevolgtrekkingen van de wetenschap, de geloofbelijdenissen of beslissingen van kerkvergaderingen, die even talrijk en tegenstrijdig zijn als de kerken die ze verdedigen, de stem van de meerderheid – niets van dit alles mag worden beschouwd als het bewijs voor of tegen een of ander geloofspunt. Voordat men leerstellingen of geboden aanneemt, moet men het bewijs hebben dat ze door een duidelijk “Zo spreekt de Here” worden gestaafd. (The Great Controversy, p. 595).

 

3. De Schrift verklaart zichzelf.

In het hooghouden van de Schriften als het enigste gezag, erkennen wij dat ze zowel toereikend  is (d.w.z. dat zij alles bevat wat de kerk moet weten om haar te leiden op de weg van de verlossing en voor het evangeliewerk) als duidelijk ( d.w.z. dat ze zichzelf uitlegt door het ene schriftgedeelte te vergelijken met het andere) (2 Tim 3:16-17). Dit betekent dat de Schrift geen aanvulling behoeft van uitwendige bronnen (zoals menselijke redeneringen, ervaringen of tradities). Ze moet ook niet geïnterpreteerd worden in het licht van sommige uitwendige bronnen (zoals kerkelijke tradities, filosofie, wetenschap, niet-bijbelse godsdiensten, psychologie enz.) alsof het gezag van deze bronnen gelijkgesteld zou zijn aan, of hoger zou zijn dan dat van de Schrift. De toereikendheid en de duidelijkheid van de Schrift bevestigen eerder het principe van de protestantse hervorming dat de Schrift haar eigen uitlegger moet blijven.
Ellen White benadrukte herhaaldelijk, “Laat de Bijbel zichzelf verklaren, door alles wat op verschillende tijdstippen en onder verschillende omstandigheden gezegd wordt betreffende een zelfde onderwerp bijeen te brengen.” (Child Guidance, p. 511). “Ik zag dat het Woord van God een volmaakt geheel vormt waar een deel verbonden is met een ander en het ene deel het andere verklaart”(Early Writings, p. 221). We moeten ons onderwerpen aan “de Bijbel als het Woord van God, de enige toereikende, en onfeilbare regel,” die “zelfverklarend is”(Great Controversy, p.173). “De Schrift verklaart de Schrift, het ene schriftgedeelte is de sleutel tot het andere”(Evangelism, p.581). “De Bijbel verklaart zichzelf. De Schrift moet met de Schrift vergeleken worden”(Education, p. 190). Informatie nodig om een gegeven schriftgedeelte te begrijpen, kan gevonden worden in de Schrift zelf.
Dit historisch principe dat stelt dat de Schrift zichzelf verklaart, doet af aan het populaire geloof dat elke persoon of theoloog zijn eigen interpretatie heeft. Indien, in de plaats van de Schrift iedere persoon zijn eigen interpretatie kan hebben, zal een gebrek aan consensus onder theologen betreffende een kwestie zoals de inzegeningen van vrouwen gemakkelijk verkeerdelijk geïnterpreteerd worden als een gebrek aan overeenkomst onder de geïnspireerde schrijvers zelf, als zou het gezag van de theologen op hetzelfde niveau liggen als dat van de geïnspireerde schrijvers. Anderzijds is het zo dat wanneer het principe van de zelfverklaring van de Schrift wordt aangenomen, het ontbreken van een consensus onder bijbelstudenten hen ertoe moet brengen onder gebed verder te zoeken in de Schrift totdat God meer licht geeft betreffende het onderwerp ter zake.
De toereikendheid en duidelijkheid van de Schrift brengt met zich mee dat de Geest, als onfeilbare interpreteerder, iedere oprechte zoeker naar waarheid kan in staat stellen Gods wil te kennen(Joh 7:17). Dat betekent niet dat er in de Bijbel geen moeilijkheden zullen gevonden worden maar dat omwille van de bijstand van de Heilige Geest het wezen van de Bijbelse boodschap door elke Christen kan begrepen worden – geleerde en niet-geleerde – wanneer de Schrift met de Schrift wordt vergeleken.

Harmonische methode van interpretatie

De Schrift moet niet beschouwd worden als een verzameling boeken geschreven door verschillende auteurs die het hebben over allerlei onderwerpen die niet met elkaar verband houden. Integendeel, de geïnspireerde Schrift is een boek met één Auteur – God(2 Tim 3:16;2 Pet 1:21) – en één enkel thema ( Gods verlossingsplan door Christus [Joh 5:39; Luc 24:25-27]). Omwille van het feit dat de Heilige Geest de hele Bijbel heeft geïnspireerd, zal de juiste betekenis van elk schriftgedeelte overeenstemmen met al wat de Bijbel over dit onderwerp onderwijst. Bij onze benadering van de Schrift moeten we er dus voor opletten niet een schriftgedeelte zo te interpreteren dat het een ander schriftgedeelte tegenspreekt; in plaats daarvan moeten we de harmonie tussen de verschillende gedeelten zoeken.
Ellen White schreef, “Aangezien verschillende schrijvers een onderwerp behandelen vanuit een andere hoek, kan er op het eerste zicht bij de onzorgvuldige of bevooroordeelde lezer de indruk ontstaan dat er een tegenstelling of discrepantie bestaat daar waar de attente eerbiedige student, met helderder inzicht de onderliggende harmonie onderscheidt”(The Great Controversy, p. 6). Vandaar dat, “Hij die de Schrift ernstig onderzoekt zal ontdekken dat er een harmonie bestaat tussen de verschillende bijbelgedeelten; hij ziet het verband tussen de verschillende passages en de beloning voor zijn inspanningen zal uitzonderlijk kostbaar zijn’(Signs of the Times, Feb. 6, 1893, p. 214). Nogmaals, “De Bijbel verklaart zichzelf, de ene passage geeft uitleg aan de andere. Door schriftgedeelten te vergelijken die eenzelfde onderwerp behandelen, zal je schoonheid en harmonie zien waarvan je nooit eerder gedroomd hebt”(Testimonies, 4:499).

Houding van vertrouwen op en afhankelijkheid van God

In vele kwesties alsook hete hangijzers zoals de inzegening van vrouwen, is de waarschuwing van Petrus betreffende de geschriften van Paulus bijzonder betekenisvol: “zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften” (2 Petrus 3:15-16). Indien wij een verdraaiing of een verkeerde interpretatie van de Schrift willen vermijden, moeten wij een houding aannemen van afhankelijkheid en vertrouwen op God. Met deze houding moeten wij Zijn geïnspireerde woord benaderen en we moeten zowel individueel als gezamenlijk de leiding zoeken van de Heilige Geest.

1. Nederigheid en ontvankelijkheid voor onderricht. Om alle twijfel en scepticisme tegenover de onderwijzingen van Gods Woord te overwinnen, moeten we de eenvoud van het geloof van een klein kind hebben, en we moeten bereid zijn om te leren, te aanvaarden en te geloven wat de Schrift ons leert, hoe onplezierig het ook moge zijn. We moeten onze trots vernederen en onze zondeminnende harten die steeds het gezag eisen boven de Schrift, overgeven. “Hoezeer men dat ook probeert te verbloemen: de diepste oorzaak van twijfel en scepticisme is, in de meeste gevallen, de liefde voor de zonde. De leer en de beperkende bepalingen van Gods Woord zijn niet welkom voor het trotse, zondeminnende hart. En wie niet bereid is om aan de eisen van Gods Woord te gehoorzamen, staat klaar om het gezag ervan in twijfel te trekken. Om de waarheid te bezitten, moeten we een oprechte wens hebben de waarheid te leren kennen, en bereid zijn aan de eisen ervan gehoor te geven. Een ieder, die in deze geest met de studie van Gods Woord begint, vindt overtuigende bewijzen voor het feit dat de Bijbel inderdaad Gods Woord is en kan begrip krijgen van de Bijbelse waarheden, die “hem wijs kunnen maken tot zaligheid” (Schreden naar Christus p. 111, uitgave 2003).
Het is in het gebed dat men zijn afhankelijkheid van God erkent om tot een begrijpen te komen van Zijn Woord. Het gebed is daarom een uitstekende en doeltreffende hulp bij de interpretatie van de Schrift, daarin wordt de student verbonden met de Geest die de schrijvers van het Woord heeft geïnspireerd. Het oprechte gebed getuigt van een zuiver verlangen om Gods wil te kennen in de plaats van het verlangen om ondersteuning te vinden voor vooropgestelde meningen. Vandaar dat we bij elke benadering van de Schrift moeten bidden, “Geprezen zijt Gij, HERE; leer mij uw inzettingen…. Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouwe de wonderen uit uw wet…. Geef mij verstand” (Ps 119:12, 18, 34; cf. vv. 27, 33). God heeft beloofd om dit gebed te beantwoorden door kennis te geven—(1) door de Heilige Geest en (2) door de Christelijke gemeenschap (Ef 3:16-19; Ef 1:17-19; Col 1:9).

2. De leiding van de Geest bij de individuele gelovige. De Schrift kan niet juist begrepen worden zonder de leiding van de Heilige Geest.“Wij kunnen alleen Gods woord leren begrijpen, als we verlicht worden door dezelfde Geest, door wie het Woord werd gegeven.” “Maar zonder de leiding van de heilige Geest bestaat er voor ons steeds het gevaar, dat we de Schrift verdraaien of verkeerd interpreteren.” (Schreden naar Christus, pp. 102, 103, uitgave 2003).
Zonder te willen afdoen van de waardevolle bijdragen van bijbelgeleerden, moeten we er toch op blijven wijzen dat het voor iedereen mogelijk is om de Schrift te bestuderen zonder een massa vaktechnische theologische deskundigheid. Het is ook het werk van de Heilige Geest om de leek evenals de theoloog de weg te wijzen tot de “volle waarheid” (Joh 14:26; 16:13-14; 1 Cor 2:10-14; 1 Joh 2:27). “De getuigenis des HEREN is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige” is een verzekering die we hebben en die nog altijd van kracht is (Ps 19:7). De Schrift is in staat om zelfs kleine kinderen “wijs te (kunnen) maken tot zaligheid” (2 Tim 3:15). De Heilige Geest zal iedereen leiden die het Woord van God benadert met de nederige, bevattelijke, en godvrezende houding van het kind Samuel: “spreek HERE, want uw knecht hoort” (1 Sam 3:9-10).
De waarheid dat de Heilige Geest elk kind van God in staat stelt om de Schrift te begrijpen, ondergraaft de tendens om het kennen van de Bijbel toe te schrijven aan alleen maar enkele “onfeilbare” experten, zij het “pausen,” “geleerden” of “leiders.” Ellen White waarschuwde voor dit gevaar: “Satan probeert ten allen tijde de aandacht op de mens te vestigen in de plaats van op God. Hij brengt de mensen ertoe op te zien naar bisschoppen, predikanten, professors in de theologie en die te aanschouwen als hun leiders in de plaats dat ze zelf de Schrift zouden onderzoeken om te weten wat Gods wil is. Door vervolgens het denken van deze leiders te sturen, kan hij het volk beïnvloeden zoals hij wilt” (Great Controversy, p 595). De Schrift verwijst niet naar de feilbare mens, maar naar de Heilige Geest, de door Christus aangewezen Leraar van de gemeente (Joh 16:13), als de enige onfeilbare Persoon tot wie de bijbelgelovigen moeten gaan om leiding bij de studie van het Woord van God.

3. De leiding van de Geest binnen de kerkgemeenschap. Hoewel de Geest de individuele gelovigen leidt bij de studie van de Schrift, zegt Paulus dat de gelovigen tot een kennis van God zullen komen “samen met alle heiligen” (Ef. 3:18), daarmee aangevend dat God ook geestelijke kennis geeft door de Christelijke gemeenschap. Dit feit verwerpt de houding van de “lonely cowboy” bij de interpretatie van de Schrift—de geest die zegt “Ik ga mijn eigen weg wat de gemeente van de gelovigen ook denkt”—en het doet dienst als een beteugeling van hen die neigen te denken dat zij alleen door Gods Geest worden geleid.
“ God heeft Zijn volk niet voorbijgezien en hier en daar een enkeling uitverkoren als de enigen die het waard zijn om Zijn waarheid aan toe te vertrouwen. Hij geeft geen nieuw licht aan iemand in tegenstelling aan het gefundeerde geloof van de gemeente. Bij elke hervorming zijn er mensen opgestaan die deze bewering maakten…. Laat niemand van zichzelf denken dat God niet aan de broeders maar aan hem alleen bijzonder licht heeft gegeven. Christus wordt voorgesteld als wonende onder Zijn volk. De gelovigen worden voorgesteld als gebouwd zijnde op het fundament van de apostelen en de profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is. “In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.[Ef 2:20-22]” (Testimonies for the Church, 5:291-292).
De studie van Gods woord “samen met al de heiligen” doet niet af aan de waarde van, of de verplichting tot, persoonlijke bijbelstudie, en is ook geen suggestie dat individuen hun oordeel moeten onderwerpen aan dat van anderen. Het betekent ook niet dat men een opinieonderzoek doet betreffende een theologisch standpunt en dan de resultaten optelt. Het betekent ook niet te wachten totdat iedereen klaar is om een theologische positie in te nemen over een gevoelig punt zoals bijvoorbeeld de inzegening van vrouwen. De studie van Gods woord “samen met alle heiligen” heeft met dit alles niets te maken. Het is eerder een oprechte voor ieder gemeentelid toegankelijke deelname om tot een gemeenschappelijk inzicht te komen in Gods woord. Dat een gemeenschappelijk inzicht mogelijk is, wordt bewezen door het feit dat de Zevende-dags Adventisten gekomen zijn tot een geheel van geloofspunten—onze fundamentele geloofspunten—als een weergave van een waar begrip van de Schriften.
Door de Bijbel te bestuderen in deelgenootschap met andere leden van de gemeente, erkent de gelovige dat God verschillende gaven aan verschillende mensen heeft toevertrouwd voor de opbouw van het hele lichaam (1 Cor 12). In deze context krijgen de geestelijk gaven—in het bijzonder, de gaven van onderwijs, kennis, wijsheid, en onderscheiding van de geesten—en de rol van theologen, ouderlingen en predikanten(zij die “in staat zijn om te onderwijzen”) bijzondere betekenis. In een wereldwijde kerk zoals de onze, zijn deze gaven essentieel om tot een gezamenlijk begrip te komen van de Schriften.
Verder kan gesteld worden dat de opzet van de Geest om de gelovigen het woord te laten studeren “samen met alle heiligen,” ons bevrijdt van de tirannie gebonden te zijn aan onze eigen gedachten of aan naïeve culturele verwaandheid. Het stelt ons in staat om in te zien dat de Heilige Geest zijn werk niet beperkt tot enkele gebieden op de wereld, of tot enkele geleerden en gemeenteleden, maar dat Hij ook andere gelovigen(deskundigen en niet-geleerden, zonder onderscheidt te maken tussen geslacht, ras of sociale positie) leidt tot een duidelijk inzicht in Gods wil en Zijn geschreven Woord. Het is wanneer Christenen samen de Bijbel bestuderen en het Woord met elkander delen, niet als enkelingen onder elkaar of als groepen individuen afkomstig  uit bepaalde gebieden van de wereld, dat hen het meest volledige inzicht wordt gegeven.

4. De leiding van de Geest tijdens een algemene vergadering van de wereldkerk. Net zoals er veiligheid en zekerheid bestaat “in de veelheid der raadgevers” (Spr 11:14; 15:22), is er ook veiligheid in de gemeenschappelijke beslissing van de wereldwijde kerk wanneer deze vergaderd is. De leiding van de Geest tijdens de vergadering te Jeruzalem (Handelingen 15) kan leerzaam zijn voor de Zevende-dags Adventkerk in het zoeken naar een oplossing betreffende de inzegening van vrouwen (en andere hete hangijzers [eigen invulling]).3
Ten eerste, het probleem waarmee de apostolische kerk werd geconfronteerd was niet louter een sociologische kwestie, gevormd door cultuur of geografische ligging, die op een pragmatische wijze, met compromissen en toegevingen, kon geregeld worden. Het was eerder een theologische kwestie—betreffende leerstellingen en toepassing ervan (“Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered…dat ook de niet–Joodse gelovigen dienden te worden besneden en opdracht moesten krijgen zich aan de wet van Mozes te houden.” NBV Hand 15:1-5). Omdat het hier ging om een theologische kwestie werd het een kwestie van de wereldkerk. Vandaar dat het probleem niet kon opgelost worden door de verschillende plaatselijke kerken volgens de culturele “bereidheid” en ook niet volgens de sociale structuren (zij het “democratisch” of “ondemocratisch”) in de respectievelijke plaatsen waar de kerk zich bevond.
Ten tweede, om een oplossing te vinden voor het “geen gering verzet en tegenspraak” veroorzaakt door de theologische kwestie (v. 2) werd een algemene vergadering samengeroepen waar afgevaardigden van de plaatselijke kerken aanwezig waren (v. 2-6). Wordt hier voorgesteld dat theologische kwesties waarmee de kerk wordt geconfronteerd een onpartijdig aanhoren moeten krijgen in de verschillende publicaties van de kerk van vandaag?
Ten derde, de uiteindelijke beslissing was niet gebaseerd op pragmatische overwegingen; nadat Petrus, Paulus, en Barnabas de aandacht hadden gevestigd op Gods werk onder de Joden en heidenen, beriep Jacobus zich op de Schrift als de basis voor de theologische oplossing (v 15-21).4 We zouden er moeten acht op geven dat hij bij de interpretatie van de Schrift zich hield aan de harmonie ervan (“En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten” [v. 15]). Met andere woorden, de oplossing was gebaseerd op een juiste interpretatie van de beschikbare schriftgedeelten die verband hielden met de kwestie. Het komt naar voor dat de apostolische kerk de onderliggende harmonie herkende in de geïnspireerde geschriften van het Oude Testament.
Ten vierde, de schriftuurlijke oplossing voor het theologisch probleem had niet alleen de eenheid en harmonie tussen Joodse Christenen en Christenen uit de heidenen als gevolg (v. 22-35, “hebben wij eenstemmig besloten” [v. 25], maar het kreeg ook de goedkeuring van de Heilige Geest (“Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht…” [v. 28]). Hun beslissing werd goedgekeurd door de Heilige Geest omdat ze overeenkomstig Zijn uitgedrukte wil was, zoals deze geopenbaard is in de geïnspireerde Schrift.
Ten laatste, de theologische beslissing die op deze vergadering werd gemaakt was bindend voor alle gemeenten. De gemeenten hadden niet de keuze om de beslissing naast zich neer te leggen omwille van de plaatselijke omstandigheden of noden. Vers 28 stelt dat het ging om noodzakelijkheden wat inhield dat men niet vrij stond om er mee te doen wat men in eigen ogen goed achtte. Hoewel de brief gericht was aan de Christenen in Antiochie, Syria en Cilicia (v. 23-29), was ze bindend voor alle andere Christen gemeenten (Handelingen 16:4; 21:25; Op 2:4, 20).5 Omdat alle gemeenten zich voegden naar de beslissing van de vergadering, werd de opdracht van de kerk vergemakkelijkt wat resulteerde in een groeiend ledenaantal: “En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden. De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof en namen dagelijks in zielental toe.” (Handelingen 16:4-5). De opdracht van de kerk wordt vooruitgeholpen wanneer er theologische eenheid bestaat, en niet zomaar een “eenheid in verscheidenheid,”—een uitdrukking die een codewoord geworden is voor theologisch pluralisme.6

Besluit. Telkens de wereldwijde kerk zich gesteld ziet voor een theologisch probleem. moet ze er op staan dat er bijbelse en niet pragmatische of socio-culturele oplossingen gevonden worden. Deze bijbelse oplossingen moeten de Bijbel erkennen als het product van één goddelijke geest, met een onderliggende harmonie in haar verschillende delen. Hij die interpreteert dan, moet de Bijbel niet relativeren of aangeven dat er vergissingen en contradicties bestaan in haar boodschap. Wanneer de gelovigen uit de verschillende gebieden van de wereld een houding van vertrouwen aannemen om te aanvaarden, te geloven, en te gehoorzamen wat Gods Woord leert, zal de Heilige Geest hun inspanningen bijstaan door licht te geven bij het oplossen van theologische problemen. Dit zal de eenheid onder hen herstellen en hen kracht geven bij het uitvoeren van de zendingsopdracht.

Dr. Samuel Korangteng-Pipim in Searching the Scriptures, Women’s Ordination and the Call to Biblical Fidelity, pp. 36 - 44


1 Deze fundamentele principes zijn samengevat in de “Methods of Bible Study Committee Report,” Adventist Review, January 22, 1987, pp. 18-20. Deze principes zijn tegengesteld aan de historisch-kritische methode van interpretatie – een methode die gebaseerd is op de veronderstelling dat de Bijbel niet volledig geïnspireerd is, en dat niet alle bijbelse verhalen (wonderen, bovennatuurlijke gebeurtenissen, chronologie, geschiedenis, geografie, enz.) betrouwbaar zijn. Voor een verdere bespreking over de manier waarop de historisch-kritische methode wordt gebruikt bij de vraag van inzegening van vrouwen, wordt verwezen naar C. Raymond Holmes, The Tip of an Iceberg, pp. 31-48. Een gedetailleerde behandeling over methodes van Bijbelse interpretatie kan men vinden in David S. Dockery, Kenneth A. Mathews, and Robert B. Sloan, Foundations for Biblical Interpretation (Nashville, Tenn.: Broadman Holman Pub., 1994); en Gerhard Maier, Biblical Hermeneutics (Wheaton, Ill.: Crossway, 1994).

2 Voor meer informatie, zie Samuel Koranteng-Pipim, “Inspired Book or Inspiring Booklet? Biblical Authority in an Age of Theological Pluralism,” in de uitgave van ADVENTIST AFFIRM, lente 1995.

3 Opmerkzame lezers zullen vaststellen uit wat volgt dat we de interpretatie van handelingen 15 door Andrew Bates (pseudonym), “Het Concilie van Jeruzalem: Een Model voor Utrecht?” Ministry, April 1995, pp. 18-23 niet onderschrijven.

4 De vier categorieën van eisen die de apostel benoemt, komen overeen met de instructies die Mozes gaf in Leviticus 17 en 18.  Deze verwijzen niet alleen naar de Israëlieten maar ook naar “de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven” (17:8, 10, 12, 13, 15; 18:26). In de brief die toen naar de gemeenten werd verstuurd, worden deze onderwerpen geciteerd in dezelfde volgorde zoals ze voorkomen in Leviticus (zie Handelingen 15:29). Dat de algemene vergadering geen eisen stelde betreffende de besnijdenis, verwijst naar het feit dat men erkende dat dit teken aan de Israëlieten was gegeven maar niet aan “de vreemdelingen, die in hun midden vertoeven,” tenzij ze de keuze maakten om Jood te worden. De algemene vergadering van Jeruzalem stelde in feite, dat de heidenen geen Joden behoefden te worden om Christen te worden en de verlossing in Jezus te ervaren. Zaken betreffende de ceremoniële wet, zoals de besnijdenis, mochten niet aan de Christen uit de heidenen opgelegd worden. Paulus zelf omschreef het Christelijk perspectief duidelijk: “Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden” (1 Cor 7:19)

5 Zij die betogen tegen een  “lockstep eenheid” betreffende theologische kwesties, beweren dikwijls dat de “flexibiliteit” en “vrijheid” van Paulus ten opzichte van (te verstaan als zogenaamde overtreding van) het verbod van aan de goden geofferd voedsel, gegeven door de algemene vergadering van Jeruzalem, zoals aangegeven in zijn brief aan de Corinthiêrs (1 Cor 8-10), als model staat voor “eenheid in verscheidenheid” in de wereldwijde kerk. Daarmee bedoelen zij dat de verschillende gebieden van de wereldwijde kerk zoals de onze de toelating zouden moeten krijgen om afwijkende posities aan te nemen in de toepassing van hun theologie. Een zorgvuldige studie echter van de hoofdstukken 8-10 van 1 Corinthiêrs toont aan dat Paulus de beslissing van de algemene vergadering niet naast zich neerlegde. Paulus behandelde drie punten betreffende voedsel aan de goden geofferd: (a) Kunnen Christenen uitnodigingen om voedsel te eten in heidense tempels aannemen van vrienden en familie? (b) Kunnen zij dit voedsel kopen wanneer het op de markt werd verkocht? en (c) Indien het voedsel mee naar huis werd gebracht was het dan goed om het te eten? Paulus antwoordde dat: (i) Christenen niet naar heidense tempels konden gaan om dit voedsel te eten ( 1 Cor 8:10; cf. 10:19-21); (ii) zij het voedsel op de markt konden kopen tenzij er iemand aanstoot aan nam (1 Cor 10:27-33); (iii) zij dit voedsel thuis konden nuttigen omdat afgoden in wezen niets waren (1 Cor 10:25-26; cf. 8:1ff.). Het voedsel eten in de tempel was onverenigbaar met het Christen zijn, omdat het inhield dat men de goden vereerde. Dit was de mening van de algemene vergadering van Jeruzalem (cf. Op 2:14, 20; zie ook Lev 17:7; 18:24-30). Zo ook, wanneer anderen mogelijks zouden afleiden dat eer werd gebracht aan de goden, was het afgeraden om voedsel te kopen op de markt. Thuis waar er geen afgoden werden aanbeden, zou het eten van het voedsel geen aanstoot of verkeerde getuigenis geven. Paulus dus gaf wel gevolg aan de beslissing te Jeruzalem gemaakt en hij voorzag in een theologische uitleg over de geest die achter de beslissing zat (1 Cor 8-10) en hoe Christenen deze in de praktijk konden toepassen, evenwicht houdende tussen vrijheid en verantwoordelijkheid (1 Cor 8:9, en verder in hfst. 9). 

6 zie voetnoot 2

 
Terug