De gewetensvrijheid bedreigd p.2

Door keizerlijke edicten, algemene concilies en kerkelijke verordeningen die door de wereldlijke macht werden bekrachtigd, heeft het heidense feest zijn ereplaats in het christendom kunnen innemen. De eerste openbare maatregel om de zondagsviering verplicht te stellen, was de wet die door keizer Constantijn werd uitgevaardigd in 321 na Chr. (zie Aanhangsel onder „De zondagswetten van Constantijn"- zie in het boek "Het grote conflict").
Dit edict bepaalde dat de inwoners van de steden moesten rusten op „de eerbiedwaardige dag van de zon", maar de bewoners van het platteland mochten hun werk op het land voortzetten. Hoewel het een heidense wet was, werd ze door de keizer verplicht gesteld na zijn zogenaamde bekering tot het christendom.
Daar het keizerlijk edict Gods gezag niet helemaal opzij kon schuiven, verdedigde Eusebius, een bisschop die in de gunst wilde staan bij de vorsten en ook de vriend en pluimstrijker van Constantijn was, de stelling dat Christus de rust van de sabbat had verschoven naar de zondag. Er werd geen enkel bewijs uit de Bijbel aangevoerd ter ondersteuning van deze nieuwe leer. Eusebius erkent zonder dat hij het zelf beseft, dat het een dwaalleer is en zegt ook wie de verandering heeft ingevoerd: „Alle dingen die op sabbat gedaan moeten worden, hebben wij naar de dag des Heren overgebracht" (Robert Cox, Sabbath Laws and Sabbath Duties, p. 538). Maar hoewel het argument ten gunste van de zondag volkomen ongegrond was, moedigde het de mensen toch aan Gods sabbat met voeten te treden. Iedereen die door de wereld geëerd wilde worden, nam deze populaire feestdag aan.

Naarmate het pausdom machtiger werd, werd ook de zondagsheiliging verder doorgevoerd. Een tijd lang bleven de mensen op het land werken wanneer ze niet in de kerk zaten en werd de zevende dag nog altijd als de sabbat beschouwd. Maar geleidelijk kwam daar verandering in. Wie een kerkelijk ambt bekleedde, mocht op zondag geen vonnis meer vellen in een burgerlijk geding. Kort daarna mocht niemand, welke functie men ook bekleedde, nog werken, op straffe van een boete voor vrije mensen en geseling voor slaven. Later werd het bevel uitgevaardigd dat de rijken de helft van hun bezittingen zouden verliezen in geval van overtreding, en tenslotte besliste men dat als zij bleven volharden in de boosheid zij slaven moesten worden. De laagste klassen zouden levenslang verbannen worden.

Er werden ook wonderverhaaltjes verzonnen. Zo werd verteld dat een landbouwer zijn land op een zondag wilde ploegen. Hij begon zijn ploeg met een stuk ijzer schoon te maken, maar het ijzer bleef aan zijn hand hangen en hij moest er twee jaar mee rondlopen „met veel pijn en tot zijn grote schande" (Francis West, Historical and Practical Discourse on the Lord's Day, p. 174).

Later gaf de paus opdracht aan de pastoors om de zondagsschenders te vermanen en hun de verplichting op te leggen naar de kerk te gaan en te bidden, opdat zij niet een of ander groot onheil over zichzelf of over hun medemensen zouden brengen. Een concilie voerde het argument aan dat zo vaak, óók door protestanten, wordt gebruikt: aangezien er mensen door de bliksem zijn getroffen toen ze op een zondag werkten, moet de zondag wel de rustdag zijn. De prelaten zeiden: „Het ligt voor de hand dat God zeer verbolgen is over de ontheiliging van deze dag". Er werd dan een oproep gericht tot de priesters en predikers, koningen en prinsen en alle getrouwen „om hun uiterste best te doen en ervoor te zorgen dat deze dag weer de eer zou worden toegekend die hem toekomt en met meer ijver zou worden geheiligd in de toekomst, ter wille van de goede naam van het christendom" (Thomas Morer, Discourse in Six Dialogues on the Name, Notion and Observation of the Lord's Day, p. 271).

De decreten van de concilies bleken niet voldoende te zijn en daarom verzocht men de wereldlijke macht een edict uit te vaardigen dat de mensen bang zou maken en hen zou dwingen om de zondag te heiligen. Op een synode te Rome werden alle vroegere beslissingen nog eens met meer nadruk en plechtigheid herhaald. Ze werden ook opgenomen in kerkelijke wetgeving en opgelegd door burgerlijke instanties in de hele christelijke wereld. (Heylyn, History of the Sabbath, pt. 2, ch. 5, sec. 7).

Er was echter geen enkel bewijs uit de Bijbel aangehaald om de zondagsviering te rechtvaardigen en dit verwekte nogal wat verlegenheid. De mensen vroegen zich af met welk recht hun leraren de duidelijke uitspraak „De zevende dag is de sabbat van de Here, uw God" opzij konden schuiven om de dag van de zon te vieren. Er moest naar andere redmiddelen worden gezocht om de afwezigheid van bijbelse bewijzen goed te maken. Een vurig verdediger van de zondag die tegen het einde van de twaalfde eeuw de kerken van Engeland bezocht, stuitte op het verzet van de getrouwe getuigen der waarheid. Hij had zó weinig succes dat hij voor enige tijd uit het land verdween en diep nadacht over de middelen waarmee hij de mensen zijn leer zou kunnen aansmeren. Bij zijn terugkeer had hij de oplossing gevonden en de activiteiten die hij daarna ontplooide, werden met meer succes bekroond. Hij had een document bij zich dat, naar hij beweerde, van God zelf afkomstig was. Het legde de verplichte zondagsheiliging op en sprak ook enkele vreselijke bedreigingen uit om de ongehoorzamen schrik aan te jagen. Dit kostbare document, dat een even ergerlijke vervalsing was als de inzetting die het wilde verdedigen, zou uit de hemel gevallen zijn en in Jeruzalem zijn gevonden op het altaar van de heilige Simeon op Golgotha. Het kwam echter uit het paleis van de paus te Rome. De paus en zijn omgeving hebben bedrog en vervalsingen door de eeuwen heen als wettige middelen beschouwd om de macht en de rijkdom van het pauselijk systeem te vergroten.

Het document verbood alle werk van „de negende ure" (drie uur 's middags) op zaterdag tot zonsopgang op maandagmorgen. Men beweerde ook dat zijn gezag werd bevestigd door vele wonderen. Zo vertelde men dat mensen die tot na het vastgestelde uur waren blijven werken door verlamming waren getroffen. Een molenaar die zijn graan wilde malen, zag in plaats van het meel dat hij verwachtte een stroom bloed vloeien; het molenrad draaide trouwens niet verder, ondanks het feit dat het water snel stroomde.

Een vouw die haar deeg in de oven had gedaan, merkte dat het niet gebakken was toen ze het er weer uit haalde, hoewel de oven heet was. Een andere vouw die deeg had klaargemaakt om het op „de negende ure" te bakken, maar het dan toch tot maandag liet staan, zag de volgende dag dat het deeg in broodjes was veranderd en door Gods kracht was gebakken. Een man die brood had gebakken na „de negende ure" op zaterdag merkte dat er bloed uit het brood stroomde toen hij het de volgende morgen brak. Met zulke absurde, bijgelovige verzinsels probeerden de voorstanders van de zondag de heiliging van die dag ingang te doen vinden. (Roger de Hoveden, Annals, vol. 2, pp. 528-530).

In Schotland en Engeland was men zeer stipt bij de zondagsheiliging omdat men er een deel van de oude sabbat aan had verbonden. Maar de tijd die geheiligd moest worden, verschilde. Een edict van de koning van Schotland bepaalde dat „de zaterdag vanaf twaalf uur 's middags moest worden geheiligd", en dat niemand zich met wereldse zaken mocht bezighouden vanaf dat uur tot maandagmorgen. (Morer, pp. 290,291).

Maar ondanks alle pogingen om de zondagsheiliging in te voeren, gaven de aanhangers van de paus zelf openlijk toe dat de sabbat van goddelijke oorsprong was en de instelling die ervoor in de plaats gekomen was van menselijke oorsprong was. In de zestiende eeuw heeft een pauselijk concilie duidelijk verklaard: "Alle christenen dienen te weten dat de zevende dag door God is geheiligd en niet alleen door de Joden wordt erkend en gevierd, maar ook door alle anderen die beweren dat ze God dienen, ondanks het feit dat wij christenen hun sabbat hebben vervangen door de dag des Heren" (Ibid., pp. 281,282). Zij die Gods wet hebben veranderd, wisten precies wat ze deden. Ze hebben zichzelf willens en wetens boven God verheven.

Een treffend voorbeeld van het beleid van Rome tegenover hen die het niet met haar eens zijn, vinden we in de lange, bloedige vervolging van de Waldenzen, van wie sommigen de sabbat vierden. Ook anderen hebben door hun trouw aan het vierde gebod verdrukking geleden. De geschiedenis van de kerken van Ethiopië en Abessinië is bijzonder betekenisvol. Tijdens de duistere periode van de Middeleeuwen had de wereld de christenen van Midden-Afrika uit het oog verloren en vergeten. Eeuwenlang konden deze christenen hun geloof in alle vrijheid belijden. Later hoorde Rome echter van hun bestaan en het duurde niet lang of de keizer van Abessinië werd door misleiding ertoe over gehaald de paus als de stedehouder van Christus te erkennen, waarna er trouwens nog andere toegevingen volgden. Er werd een edict uitgevaardigd dat de viering van de sabbat verbood en de strengste straffen oplegde. (Zie Michael Geddes, Church and History of Ethiopia, pp. 311,312).
Maar de tirannie van de paus werd op den duur zo'n knellend juk, dat de Abessiniërs besloten zich ervan te bevrijden. Na een verschrikkelijke strijd werden de rooms-katholieken uit het land verdreven en werd het oude geloof in ere hersteld. De kerken verheugden zich over hun vrijheid en hebben altijd de les onthouden die zij hadden geleerd aangaande het bedrog, het fanatisme en de tirannieke macht van Rome. Ze waren blij dat ze op hun eigen grondgebied mochten blijven en onbekend bleven voor de rest van het christendom.
De kerken van Afrika vierden de sabbat die de kerk van Rome voeger ook had gevierd voordat ze helemaal afvallig was geworden. Ze vierden de zevende dag uit gehoorzaamheid aan het gebod van God, maar onthielden zich ook op zondag van alle arbeid, overeenkomstig het gebruik van de kerk. Toen Rome de opperheerschappij kreeg, veranderde ze Gods sabbat en stelde haar eigen dag in. De kerken van Afrika, die bijna duizend jaar lang in het verborgene hadden bestaan, hadden deze afval niet meegemaakt. Toen ze onder de heerschappij van Rome kwamen, werden ze gedwongen de ware sabbat te verloochenen en de valse te vieren. Maar kort nadat ze weer los waren van Rome gehoorzaamden ze opnieuw het vierde gebod (zie Aanhangsel van "Het grote conflict" onder ,,De Ethiopische kerk en de sabbat").

Deze historische gebeurtenissen tonen duidelijk aan hoe vijandig Rome staat tegenover de ware sabbat en zijn verdedigers, en laten ons ook zien welke middelen ze gebruikt om de inzetting die zij zelf heeft ingesteld te doen vieren. Het Woord van God leert ons dat deze gebeurtenissen zich zullen herhalen wanneer rooms-katholieken en protestanten zullen gaan samenwerken om de zondagsviering voor iedereen verplicht te stellen.

De profetie van Openbaring 13 leert dat de macht die wordt voorgesteld door het beest met de horens als die van het Lam zal maken "dat de aarde en zij, die daarop wonen" het pausdom - dat symbolisch wordt voorgesteld door het beest "een luipaard gelijk" - zullen aanbidden. Het beest met de twee horens zal ook zeggen "tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest"; bovendien zal het maken dat "allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven" het merkteken van het beest zullen ontvangen. (Openbaring 13:11-16).
Wij hebben al aangetoond dat „het beest met de horens als die van het Lam", de Verenigde Staten voorstelt en dat deze profetie in vervulling zal gaan wanneer de Verenigde Staten de viering van de zondag - een dag die Rome beschouwt als het bewijs van haar gezag - verplicht zal stellen. De Verenigde Staten zullen echter niet alleen staan in deze erkenning van het pausdom. Rome heeft nog altijd invloed in de landen die haar gezag vroeger al hebben erkend. De profetie voorzegt dat haar macht zal worden hersteld. „En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna" (vers 3). Het toebrengen van de dodelijke wond verwijst naar de val van het pausdom in 1798. Na deze gebeurtenis zag de profeet dat „zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging met verbazing het beest achterna". Paulus zegt duidelijk dat „de mens der wetteloosheid" zal bestaan tot de wederkomst van Christus. (2 Tessalonicenzen 2:3-8). Hij zal zijn misleidend werk tot aan de wederkomst voortzetten. En de ziener van Patmos zegt in verband met het pausdom ook: "En allen, die op aarde wonen, zullen het (beest) aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens" (Openbaring 13:8). Zowel in de Oude als in de Nieuwe wereld zal men het pausdom erkennen door de viering van de zondag - een dag die uitsluitend op het gezag van Rome steunt.

De onderzoekers van de profetie hebben dit vanaf het midden van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten aan de wereld verkondigd. De gebeurtenissen die zich nu voordoen, tonen aan dat deze voorzegging snel in vervulling gaat.
Protestantse theologen beweren wel dat de zondagsviering van goddelijke oorsprong is, maar kunnen dat niet aan de hand van de Bijbel bewijzen. Ze hebben geen betere bewijzen dan de rooms-katholieke leiders die wonderverhalen moesten verzinnen om een gebod van God te vervangen. Ze zullen weer beweren dat Gods oordelen over de mensheid worden uitgestort omdat de mensen de zondag niet heiligen. De eerste tekenen hiervan zijn al merkbaar en de beweging die de verplichte viering van de zondag aan allen wil opleggen, wint snel terrein.

Het is verbazingwekkend hoe sluw de rooms-katholieke kerk te werk gaat. Zij kan lezen wat er staat te gebeuren. Ze wacht haar tijd af, nu ze toch ziet dat de protestantse kerken haar erkennen door hun aanvaarding van de valse sabbat en reeds alle nodige voorbereidingen treffen om de zondagsheiliging aan allen op te leggen met dezelfde middelen die zij in het verleden heeft gebruikt.

Zij die het licht der waarheid verwerpen, zullen de hulp inroepen van deze zogenaamd onfeilbare macht om een rooms-katholieke instelling wettelijk verplicht te stellen. Het ligt voor de hand dat Rome de protestanten heel graag te hulp zal snellen. De rooms-katholieke leiders weten immers beter dan wie ook hoe men degenen die de kerk niet willen gehoorzamen moet aanpakken.

De rooms-katholieke kerk vormt met al haar vertakkingen over de wereld één grote organisatie onder leiding van „de Heilige Stoel" en moet de belangen van de „Stoel van Petrus" dienen. Aan haar miljoenen gelovigen, die verspreid zijn over alle landen ter wereld, leert men dat ze de paus trouw verschuldigd zijn. Tot welke nationaliteit ze ook behoren of onder welke regeringsvorm ze ook leven, ze moeten altijd het gezag van de rooms-katholieke kerk boven elk ander stellen. Hoewel ze de eed van trouw aan de staat mogen afleggen, heeft hun gelofte van gehoorzaamheid aan Rome voorrang. Rome ontslaat hen van elke andere eed die in strijd zou zijn met haar belangen.

De geschiedenis getuigt van haar listige, hardnekkige inspanningen om zich in te laten met de aangelegenheden van de verschillende staten. Wanneer ze eenmaal vaste voet heeft gekregen, zal ze haar eigen belangen dienen, zelfs al zou dat de ondergang van vorsten en volken bewerkstelligen.
In het jaar 1204 perste paus Innocentius III van Peter II, koning van Arragon, de volgende heel bijzondere eed af: „Ik, Peter, koning van Arragon, belijd en beloof altijd trouw en gehoorzaam te zullen zijn aan mijn heer, paus Innocentius, aan zijn rooms-katholieke opvolgers, en aan de rooms-katholieke kerk. Ik zal ervoor zorgen dat mijn koninkrijk hem in alle getrouwheid gehoorzaamt.

Ik zal het rooms-katholieke geloof verdedigen en alle ketterijen vervolgen". (John Dowling, The History of Romanism, b.5, ch.6, sec.55). Dit is in overeenstemming met de uitspraken over de macht van de paus van Rome, ,,dat hij het recht heeft keizers af te zetten" en „dat hij onderdanen van hun trouw aan onrechtvaardige heersers kan ontslaan" (Mosheim, b. 3, cent. 11, pt. 2, ch. 2, sec. 9, note 17; zie ook Aanhangsel onder „Suprematie van de Bisschoppen van Rome").

Men moet bovendien bedenken dat Rome er zich op beroemt dat ze nooit verandert.
De beginselen van Gregorius VII en Innocentius III zijn nog altijd de principes van de rooms-katholieke kerk. Als ze machtig genoeg was, zou ze die beginselen met even grote kracht als in vroegere eeuwen weer toepassen. De protestanten weten gewoon niet wat ze doen wanneer ze willen ingaan op de hulp van Rome om de zondagsviering verplicht te stellen. Terwijl ze volop bezig zijn aan de verwezenlijking van hun doel, probeert Rome haar macht te herstellen en haar verloren heerschappij te heroveren.

Wanneer in de Verenigde Staten het beginsel eenmaal is ingevoerd dat de Kerk de macht van de Staat mag gebruiken, en godsdienstige inzettingen door burgerlijke wetten verplicht worden gesteld, kortom, wanneer het gezag van Kerk en Staat het geweten zal domineren, is de overwinning van Rome in Amerika verzekerd!

Gods Woord heeft ons gewaarschuwd voor het dreigende gevaar. Als de protestanten niet willen luisteren zullen ze Rome's doelstellingen pas ontdekken wanneer het al te laat is om aan de valstrik te ontkomen. Ongemerkt groeit de macht van Rome. Haar leerstellingen oefenen hun invloed uit in parlementen, in kerken en in de harten van de mensen. Overal trekt ze haar hoge, kolossale gebouwen op, waarin in alle stilte de vervolgingen van het verleden zullen worden herhaald. Ze gaat voorzichtig en in het geheim te werk om haar positie te verstevigen zodat ze haar eigen doelstellingen kan verwezenlijken wanneer de tijd gekomen is om toe te slaan. Ze wenst een zo gunstig mogelijke positie te verwerven en die wordt haar al gegeven. Het zal niet lang meer duren of wij zullen merken wat de opzet van Rome is. Allen die het Woord van God zullen geloven en gehoorzamen, zullen zich daardoor verdrukking en vervolging op de hals halen.

 

Terug pagina 1 pagina 3