Stappen naar Christus - 5

Toewijding

1. God heeft beloofd: „Dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart" (Jeremia 29:13). Als niet het hele hart aan God gegeven wordt, kan in ons nooit die verandering plaatsvinden, waardoor we naar Zijn beeld worden hersteld. Van nature zijn we van God vervreemd. De Heilige Geest beschrijft onze toestand als volgt: „Dood in overtredingen en zonden" (Efeziërs 2:1); „Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid;" „ er is niets gaaf" (Jesaja 1:6). We worden vastgehouden in de strik van de satan, „ die hen gevangen hield"(2 Timoteüs 2:26).
God wil ons genezen, ons bevrijden. Maar omdat dit een totale verandering vergt, een vernieuwing van ons gehele wezen, moeten we onszelf helemaal aan Hem overgeven. De strijd tegen ons eigen-ik is de zwaarste strijd, die te strijden valt. Het ondergeschikt maken van het eigen-ik, het volledig onderwerpen van onze wil aan God, vraagt strijd. Maar men moet zich innerlijk aan God overgeven, voordat men de heilige vernieuwing kan ondergaan.

2. Het bestuur van God is niet, zoals de satan het laat voorkomen, op blinde onderwerping en onredelijke afhankelijkheid gebaseerd. Gods bestuur doet een beroep op het verstand en op het geweten. „Kom en laat ons tezamen richten", (Jesaja 1:18) is de uitnodiging van de Schepper aan de door Hem geschapen wezens. God buigt de wil van Zijn schepselen niet met geweld. Hij kan geen verering aanvaarden, die niet uit eigen wil en met verstand wordt gegeven. Een gedwongen onderwerping zou elke ontwikkeling van de geest of van het karakter in de weg staan. De mens zou daardoor slechts een robot zijn. En dat is niet de bedoeling van de Schepper. Het is Zijn wens dat de mens, het kroonstuk van Zijn scheppingsmacht, zich optimaal zal ontwikkelen. Hij laat ons zien hoe groot de zegeningen zijn, die Hij ons door Zijn genade wil geven. Hij nodigt ons uit om onszelf aan Hem te geven, opdat Hij Zijn wil in ons gestalte kan geven. Aan ons is de keuze gelaten of we bevrijd willen worden van de slavernij van de zonde, of dat we willen delen in de glorieuze vrijheid van de zonen van God.

3. Onszelf aan God geven, betekent dat we alles opgeven, dat ons van Hem kan scheiden. Daarom zegt de Zaligmaker: „Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn" (Lucas 14:33). Alles wat het hart van God zou kunnen afhouden moet opgegeven worden. De Mammon is voor velen een afgod. De liefde voor geld, het verlangen naar luxe, is de gouden keten, die hen aan de satan vastbindt. Anderen verafgoden status en wereldse eer. Een leven van gemakzucht, vrij van verantwoordelijkheid is de afgod van anderen. Maar deze banden van slavernij moeten worden doorbroken. We kunnen niet voor de helft aan de Heer en voor de helft aan de wereld toebehoren. We zijn alleen Gods kinderen, als we het helemaal zijn.

4.Er zijn mensen, die zeggen dat ze God dienen, terwijl zij op hun eigen inspanningen vertrouwen bij het gehoorzamen aan Zijn wet, om zodoende een goed karakter te ontwikkelen en de zaligheid te verkrijgen. Deze mensen worden niet gedreven door een diep besef van de liefde van Christus. Zij pogen aan de plichten van het christelijk leven te voldoen, omdat ze denken dat God dat van hen verlangt, als ze de hemel willen verdienen. Zo’n godsdienstigheid heeft geen waarde. Als Christus in het hart woont, raakt men zo vervuld van Zijn liefde, van vreugde dat men met Hem in verbinding staat, dat men zich aan Hem vastklampt en terwijl men aan Hem denkt, wordt het eigen-ik vergeten. De liefde voor Christus wordt de motiverende kracht. Wie de uitnodigende liefde van God voelt, vraagt niet met hoe weinig men kan volstaan om aan de eisen van God te voldoen. Zo iemand vraagt niet naar de laagste maatstaf, maar probeert zijn wil volledig te richten naar die van zijn Verlosser.
Zijn vurige wens is om alles op te geven en hij laat zien, dat zijn belangstelling in verhouding staat tot de waarde van hetgeen hij nastreeft. Wie zegt dat hij in Christus gelooft, maar deze diepe liefde niet bezit, uit lege woorden, en verliest zich in droge en geestdodende vormen.

5. Vindt u het een te groot offer om alles aan Christus te geven? Stel uzelf de vraag: Wat heeft Christus voor mij opgegeven? De Zoon van God gaf alles - Zijn leven en liefde en lijden -voor onze verlossing. Kan het zijn, dat wij, de onwaardige objecten van Zijn liefde, onze harten aan Hem onthouden? Elk moment van ons leven hebben we deel gehad aan de zegeningen van Zijn genade en om deze reden alleen al kunnen we niet ten volle beseffen, hoe diep de onwetendheid en de ellende was, waaruit we zijn gered. Kunnen we op Hem zien, Die door onze zonden, werd doorstoken en desondanks Zijn liefde en Zijn offer afwijzen? Als we letten op de oneindige vernedering, die de Heer der heerlijkheid heeft ondergaan, zullen wij dan mopperen, omdat we het leven alleen door middel van strijd en zelfverloochening kunnen binnengaan?

6. In heel wat trotse harten rijst de vraag: „Waarom moet ik berouw tonen en nederig worden, voordat ik er zeker van kan zijn dat God mij heeft aanvaard?" Ik wijs u op Christus. Hij was zonder zonde en, meer nog dan dat: Hij was de hemelse Vorst, maar terwille van de mens is Hij tot zonde geworden. „En Hij werd onder de overtreders geteld, terwijl Hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft" (Jesaja 53:12). Wat geven we eigenlijk op, als we alles geven? Een door zonde aangetast hart, dat we door Jezus laten zuiveren, laten reinigen door Zijn bloed en laten redden door zijn onvergelijkbare liefde. En toch vindt men het moeilijk om alles op te geven! Ik schaam me er voor zoiets te horen of erover te schrijven.

7. God vraagt ons niet om iets op te geven, dat goed is voor ons om te behouden. In alles wat Hij doet, heeft Hij het welzijn van Zijn kinderen op het oog. Was het maar zo dat allen, die niet voor Christus hebben gekozen, zouden beseffen dat Hij iets aan te bieden heeft, dat oneindig veel beter is dan datgene wat zij voor zichzelf zoeken. Een mens berokkent zichzelf het grootste nadeel en doet zichzelf een groot onrecht aan, als hij in zijn denken en handelen ingaat tegen de wil van God. Er kan geen echte vreugde worden gevonden, wanneer men de weg gaat, die verboden is door Hem, Die weet wat het beste is en Die het beste voorheeft met Zijn schepselen. Het pad van de overtreding is een pad van ellende en vernietiging.

8.Het is onjuist om te denken, dat God het fijn vindt om Zijn kinderen te zien lijden. De gehele hemel stelt belang in het geluk van de mens. Onze hemelse Vader sluit de weg naar vreugde voor geen van Zijn schepselen af. De goddelijke eis is dat we al die verkeerde gewoonten mijden, die ons leed en teleurstelling brengen en die voor ons de deur van de blijdschap en van de hemel zouden sluiten. De Verlosser van de wereld aanvaardt de mensen zoals ze zijn, met al hun wensen, onvolmaaktheden en zwakheden. Hij reinigt hen niet alleen van zonde en schenkt hen niet alleen verlossing door Zijn bloed, maar komt ook tegemoet aan het diepste verlangen van allen, die bereid zijn om Zijn juk, om Zijn last te dragen. Hij wil graag vrede en rust geven aan allen, die tot Hem komen om het brood des levens in ontvangst te nemen. Hij vraagt van ons om alleen die dingen te doen, die ons brengen tot het hoogste geluk, dat onbereikbaar is voor de ongehoorzamen. Het echte leven, vol geluk, is innerlijk gelijkvormig te worden aan Christus, de hoop der heerlijkheid.

9.Veel mensen stellen de vraag: „Hoe kan ik mijzelf aan God overgeven?" U wilt uzelf aan Hem geven, maar u hebt niet genoeg innerlijke kracht; u bent slaaf van uw twijfel en u kunt niet loskomen van de gewoonten van uw zondige levenswijze. Uw beloften en besluiten zijn uiterst zwak. U kunt uw gedachten, uw neigingen, uw gevoelens niet in toom houden. U kent uw verbroken beloften en niet nagekomen toezeggingen en daardoor is uw vertrouwen en uw toewijding verzwakt en hebt u het gevoel dat God u niet kan aanvaarden. U behoeft echter niet te wanhopen. U moet oog krijgen voor de wilskracht waarover u beschikt. Dit is de stuwende kracht in de mens, de kracht om besluiten te nemen, om te kiezen. Alles hangt af van het juiste gebruik van de wil. God heeft de mens de mogelijkheid gegeven om te kiezen. Die mogelijkheid moet de mens gebruiken. U kunt uw hart niet veranderen. U kunt niet uit uzelf uw gevoelens op God concentreren. Maar u kunt kiezen om Hem te dienen. U kunt uw wil aan Hem geven. Hij zal dan in u bewerkstelligen, dat u datgene wenst te doen, dat naar Zijn wil is. Zo komt u geheel binnen de invloedsfeer van de Geest van Christus. Uw gevoelens zullen op Hem gericht zijn en uw gedachten zullen met Hem in overeenstemming zijn.

10. Goed en heilig te willen zijn is uiteraard juist. Maar als u daar ophoudt, is dat van geen echte waarde. Velen zullen verloren gaan, terwijl zij de hoop en het verlangen hebben om christen te worden. Maar zij komen er niet toe om zich aan de wil van God te onderwerpen. Zij komen er niet toe om zonder uitstel te kiezen om christen te worden. Door het juiste gebruik van de wil, ondergaat uw leven misschien een totale verandering. Als u uw wil aan Christus ondergeschikt maakt, sluit u een bondgenootschap met die macht, die boven alle overheden en machten uitgaat; u ontvangt kracht van boven om standvastig te blijven. Door u voortdurend te onderwerpen aan God, bent u in staat om het nieuwe leven, d.w.z. het leven uit het geloof, te leiden.

Terug