Onderhoud Zijn geboden

“Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad.” Prediker 12:13, 14

“Hij zeide tot hem: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.” Matt. 22:37-40

“Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” Ex. 20:2, 3

Al wat gekoesterd wordt dat onze liefde voor God doet afnemen en ons verhinderd Hem geheel toegewijd te zijn, is een afgod.

“Kinderkens, wacht u voor de afgoden.” 1 Joh. 5:21

“Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.” Ex. 20:4-6

Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.” Ex. 20:7

Dit gebod verbiedt ons niet alleen om te vloeken en valselijk te zweren, maar het verbiedt ons ook om Gods naam te pas en te onpas te gebruiken.
Doch een Christen hoeft niet te zweren want hij heeft de waarheid lief en komt zijn beloften na.

“Maar vooral, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat ja bij u ja zijn en neen neen, opdat gij niet onder het oordeel valt.” Jak 5:12

Door de gedachteloze vermelding van Gods naam in de alledaagse gesprekken, door op Hem beroep te doen in onbelangrijke zaken, en door het herhaaldelijk en gedachteloos herhalen van Zijn naam, doen we Hem oneer aan.

Wanneer we bidden in de naam van Christus betekent dat, dat we Zijn karakter aannemen, Zijn geest openbaren, en Zijn werken verrichten.

“Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehagelijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur.” Heb. 12:28

“Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o HERE, mijn rots en mijn verlosser.” Ps 19:14 

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen: maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.” Ex. 20:8-11

God heeft de mens zes dagen gegeven om te werken, en hij eist dat ze al hun werk  in die zes dagen doen. Noodzakelijke handelingen en werken van barmhartigheid worden op de sabbath toegestaan, de zieken en lijdenden moeten altijd geholpen worden; maar onnodig werk moet te allen tijde vermeden worden.

“Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet.” Jesaja 56:2

Er is onder ons, die belijden Gods heilige dag te onderhouden, nood aan een sabbatshervorming. Sommigen bespreken onder elkaar hun zakelijke kwesties en maken plannen op de Sabbat. God beschouwt dit als het doen van eigen zaken.

“Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des HEREN van gewicht, en die eert door noch uw gewone bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, dan zult gij u verlustigen in de HERE en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde en u doen genieten het erfdeel van uw vader Jakob, want de mond des HEREN heeft het gesproken.” Jesaja 58:13, 14

We moeten zorg dragen voor het eerbiedigen van de eerste en laatste momenten van de Sabbat want elk moment is geheiligde tijd.

Maar om de Sabbat heilig te houden moeten we zelf heilig leven. Door het geloof moeten we deelgenoten worden van de gerechtigheid van Christus.

De Sabbat is het teken dat God het is die ons heilig maakt. Het is door geloof in Zijn genade dat we dag aan dag in gehoorzaamheid leven aan zijn wil. In het houden van de Sabbat gedenken we dat niets uit onszelf is maar alles te danken is aan de Schepper en Verlosser die in ons Zijn wil uitwerkt. We zijn tot rust gekomen van onze eigen boze werken om het werk Gods in ons te laten uitwerken.

“Maar mijn sabbatten moet gij onderhouden, want dat is een teken tussen Mij en u, van geslacht tot geslacht, zodat gij weet, dat Ik de HERE ben, die u heilig.” Ex. 31:13

"Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HERE, uw God, u geven zal.” Ex. 20:12

Het vijfde gebod eist dat de kinderen respect betonen aan hun ouders. Ze worden bevolen om zich aan de ouders te onderwerpen en gehoorzaam te zijn.

“Hoor, mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet; want zij zijn een liefelijke krans voor uw hoofd, een keten voor uw hals.” Spr. 1:8, 9
“Luister naar uw vader, die u heeft verwekt; veracht uw moeder niet, wanneer zij oud geworden is.” Spr 23:22 

 Maar ze moeten hen ook liefde en zorg toedragen, hun lasten verlichten en hun goede naam bewaren. Wanneer de ouders oud zijn is het aan de kinderen om hen een aangename oude dag te bezorgen.

“Ga niet tekeer tegen een oude man. Als je hem vermaant, beschouw hem dan als een vader.” 1Ti 5

"De kroon der ouden zijn kindskinderen en de eer der kinderen zijn hun ouders." Spr 17:6 

Dit gebod eist ook respect voor allen die God met autoriteit heeft toebedeeld; ouderlingen, predikanten, bedienaars van het evangelie maar ook de heersers en overheden.

“De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht.” Spr 1:8  1Ti 5:17

Gij zult niet doodslaan.” Ex. 20:13

Jezus zegt ons wat de oorzaak is van dit “doodslaan”; “Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft.” 1 Johannes 3:15

Alle onrechtvaardige handelingen die het leven inkorten; de geest van haat en wraak, het toegeven aan een hartstocht die leidt tot het schadelijk behandelen van een ander, of zelfs het verlangen om kwaad toe te brengen; een zelfzuchtige nalatigheid om om te zien naar de nooddruftige of lijdende; alle vormen van zelfbevrediging of onnodige ontberingen of buitensporig werk dat de gezondheid benadeelt – deze allen zijn in meer of mindere mate overtredingen van het zesde gebod.

Sommigen beweren dat we naar het gebod niets mogen doden, zelfs geen insect. Zij vergeten dat deze aarde onder de vloek van de zonde ligt en dat er plagen zijn die levensvernietigend zijn. Het zou getuigen van weinig gezond verstand om deze plagen te laten woekeren zonder ze te vernietigen.

De oordelen van God over de onboetvaardige zondaar die de zondaar het leven ontneemt, zijn geen overtreding van het zesde gebod. Deze straf komt niet voor uit haat maar uit liefde voor het leven. Deze daad van God toont ons de uitkomst van de weg die de zondaar hardnekkig blijft volgen in onverschilligheid voor de grote genade die God hem aanbiedt.

“Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos. Joh 3:19 

"En hoewel ze het vonnis van God kennen en weten dat mensen die dergelijke dingen doen de dood verdienen, doen ze dit alles toch. Sterker nog, ze juichen het zelfs toe dat anderen het ook doen. .” Ro 1:32

“God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken.” Hand. 17:30

Gij zult niet echtbreken.” Ex. 20:14

Dit gebod verbiedt niet alleen onreine daden, maar ook sensuele gedachten en verlangens, of handelingen van welke aard ook die deze gedachten opwekken. Niet alleen zuiverheid van het uiterlijke leven maar ook van het innerlijk leven, de geheime bedoelingen en gevoelens van het hart, wordt gevraagd. Christus die de verreikende verplichtingen van Gods wet onderwees, maakte duidelijk dat de kwade gedachte of blik even zondig is als de daad zelf.

Indien we niet willen zondigen moeten we de minste aanzet ertoe vermijden. Elk gevoel en verlangen moet onderworpen worden aan het verstand. Elke onheilige gedachte moet ogenblikkelijk verworpen worden.

Er zijn gedachten en gevoelens door Satan gesuggereerd of opgewekt die zelfs de beste mens lastig vallen. Worden ze niet gekoesterd, maar veracht als hatelijk, dan blijft de ziel vrij van schuld en niemand wordt door hun invloed bevuild.

Probeer nooit Satans verzoeking goed te praten en in harmonie te brengen met je eigen geest. Keer je ervan af als ware het de vijand zelf.

De verzoeking is geen zonde. Er is pas zonde wanneer op de verzoeking wordt ingegaan.
Wanneer onreine gedachten bestaan moeten ze niet door woord of daad tot uitdrukking worden gebracht. Door dit toch te doen wordt de zonde volbracht en de ziel met schuld beladen.

“Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.” Joh.8:31, 32

Vrijheid van ongehoorzaamheid aan Gods geboden wordt bekomen door geloof te oefenen in Zijn woord. Dit woord maakt ons vrij om de wil van God te doen.

“Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen.” Galaten 5:1

Gij zult niet stelen.” Ex. 20:15

Het achtste gebod veroordeelt diefstal en beroving. Dit gebod eist strikte integriteit in de kleinste details van de dagelijkse zaken. Alle bedriegerij in de verhandeling van goederen en diensten, de onthouding van rechtvaardige lonen en het nalatig zijn in vereffening van schulden worden door dit gebod verboden. Elke poging om zich zelf te verrijken door misbruik van de onwetendheid, zwakheid of ongeluk van een ander, wordt als fraude opgetekend in de hemelse boeken.

“Wie zondigt en een overtreding tegenover de HEER begaat door te ontkennen dat een volksgenoot hem iets in bewaring heeft gegeven of hem iets heeft geleend, terwijl dat wel zo is, of door ten onrechte te ontkennen dat hij iets gestolen heeft, of wie iemand afperst of ten onrechte ontkent dat hij iets heeft gevonden dat een ander verloren heeft, en in zo’n geval meineed pleegt, laadt schuld op zich. Hij moet het gestolen goed, het afgeperste geld of wat hem in bewaring is gegeven of wat de ander verloren heeft, of wat hij zich ook maar door meineed probeerde toe te eigenen, volledig vergoeden en de eigenaar boven de hoofdsom een vijfde extra betalen, op de dag dat hij zijn hersteloffer brengt.” Lev. 6:2-5

“Beroof niemand en pers een ander niet af. Betaal een dagloner zijn loon nog op dezelfde dag uit. Knoei niet met lengtematen, gewichten en inhoudsmaten.” Lev. 19:13, 35

“Laat wie steelt niet meer stelen, maar eerlijk de kost verdienen door zelf hard te werken om iets weg te kunnen geven aan wie het nodig heeft.”  Efe 4:28
 
“Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” Handelingen 20:35

“Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.” Ex. 20:16

Allerhande leugentaal, elke poging of plan om de naaste te misleiden ligt in dit gebod besloten. De intentie om te misleiden is op zich al een leugen. Een vluchtige blik van de ogen, een handgebaar, een gezichtsuitdrukking zijn soms even doeltreffend als een gesproken leugen. Elke bewuste overdrijving elke weergave van feiten op een manier om te misleiden is een leugen. Dit gebod verbiedt elke poging die de reputatie van onze naaste kan schaden door verkeerde voorstelling van zaken of kwaadsprekerij, laster en verklikking. Zelfs de bewuste onderdrukking van de waarheid waardoor schade wordt toegebracht aan derden, is een overtreding van het negende gebod.

“Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, weerhoude zijn tong van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken; hij wijke af van het kwade en doe het goede, hij zoeke de vrede en jage die na, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en zijn oren tot hun smeking, maar het aangezicht des Heren is tegen hen, die het kwade doen.” 1 Petrus  3:10-12

Bedrog omvat alle vormen van onreinheid. Het toegeven aan een onreine gedachte, het koesteren van onheilige verlangens, besmet de ziel en compromitteert haar integriteit.

“Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij.” 1 Petrus 2:1

“Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden.”

“Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.” Matt. 5:37

Deze woorden veroordelen al de zinloze gezegden en stopwoorden die grenzen aan goddeloosheid. Zij veroordelen de bedrieglijke complimenten, het ontwijken van de waarheid, de vleiende woorden, de overdrijvingen, de verkeerde voorstelling van handelswaar waar de reclame van vervuld is. Zij leren dat niemand die probeert zich anders voor te doen dan wat hij in werkelijkheid is, of van wie de woorden niet uitdrukken wat werkelijk in het hart leeft, getrouw kan genoemd worden.

Alles wat Christenen doen zou zo transparant moeten zijn als het zonlicht. Waarheid is van God; misleiding in al haar vormen is van Satan; wie op de een of andere manier van de rechte weg van de waarheid afwijkt vertrouwt zichzelf toe aan de macht van het kwaad.

“Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des HEREN.” Zach. 8:16

“Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.” Ex. 20:17

Het tiende gebod raakt aan de wortel van alle zonden. Ze verbiedt het zelfzuchtige verlangen van waaruit de zondige daad voorkomt.

Hij die voor zichzelf leeft gaat teniet. Hebzucht, het verlangen steeds voordeel te halen voor zichzelf, snijdt de ziel van het leven af. Het is de geest van Satan die begeert en alles naar zich toe trekt. Het is de geest van Christus te geven, zichzelf op te offeren om het welzijn van de andere.
Elke dag zal de verleider je pad kruisen met een bedrieglijk, aannemelijk excuus om je zelf te dienen, je zelf een plezier te doen.

“Hij, die in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt; die gewin, door afpersing verkregen, versmaadt; die zijn handen weerhoudt om een geschenk aan te nemen, zijn oor toestopt om niet naar een moordplan te horen en zijn ogen toesluit om het slechte niet aan te zien. Die zal op hoogten wonen; rotsvestingen zullen zijn burcht wezen; zijn brood is gewis, zijn water verzekerd.” Jesaja 33:15, 16

“Want wij hebben niets op de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen.  Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.” 1 Ti 6:8-10

“Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.” Heb. 13:5

“Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.” Rom 13:9, 10

Onderhoudt ze naarstig, zoals de HERE, uw God, u geboden heeft; wijkt niet af, naar rechts noch naar links. Heel de weg, die de HERE, uw God, u geboden heeft, zult gij gaan, opdat gij leeft…” Deut. 5:32, 33

“Want ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan. Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt,  laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen…
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.”
En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd…
Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief meegeven.”
En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel–tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt overspel.
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.”
En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren… Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af. En als iemand je dwingt één mijl met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie geld van je wil lenen.
Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is." Matteus 5:20-48

Gods wet zoals die in de Schrift wordt voorgesteld heeft voor elk aspect van het leven haar eisen.  Elk principe is heilig, rechtvaardig en goed. Door de wet verplicht God de mens aan Zich; haar verplichtingen reiken tot de diepste gedachten en gevoelens; en zij wekt overtuiging aan zonde op bij iedereen die gewaar is van de overtreding van haar eisen. Indien de wet zich enkel zou beperken tot het uiterlijke handelen, zou niemand schuldig bevonden worden in de kwade gedachten, verlangens, en plannen. De wet echter eist dat de ziel zuiver is en de geest heilig, dat de gedachten en gevoelens in overeenstemming zijn met de maatstaf van liefde en gerechtigheid.

In Zijn onderwijzingen, toonde Christus hoe diepgaand de principes zijn van de wet die vanaf de Sinai werd gesproken. Hijzelf was een levende uitwerking van deze wet waarvan de principes voor eeuwig de grote maatstaf van gerechtigheid blijven; de maatstaf waarnaar ieder zal geoordeeld worden in die grote dag waarop de vierschaar zich zal nederzetten en de boeken zullen geopend worden. Hij kwam om alle gerechtigheid te vervullen, en, als het hoofd van de mensheid, de mens te tonen dat hij hetzelfde werk kan doen, tegemoetkomen aan elk bepaling van Gods eisen. Door de mate van Zijn genade aan elk toebedeeld, hoeft niemand de hemel te missen. Volmaaktheid van het karakter is voor iedereen die ernaar streeft, bereikbaar. Dat is het ware fundament van het nieuwe verbond van het evangelie.

Terwijl de wet heilig is, konden de Joden geen gerechtigheid bekomen door hun inspanningen om de wet te onderhouden. De discipelen van Christus moeten een gerechtigheid van een andere aard dan deze van de Farizeeën bekomen, indien zij deel willen hebben aan Gods koninkrijk. God gaf hen in Zijn Zoon de volmaakte gerechtigheid van de wet. Indien ze hun harten geheel zouden openen om Christus te ontvangen, dan zou het leven van God zelf, Zijn liefde, in hen wonen, hen vormende naar Zijn gelijkenis; en zo door Gods vrije gave, kunnen zij de gerechtigheid bezitten die de wet eist…een reproductie in henzelf van het karakter van Christus.

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods. Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.” Rom. 8:1-4

“Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar.” 1 Joh. 5:3

“Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God.” Micha 6:8

De Joden hadden de wet zo verdraaid dat het een slavenjuk werd voor de mensen. Hun zinloze eisen waren een spreekwoord geworden bij de omringende naties.

“Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren.” Matt. 23:4

Het is Satans verlangen en plan om mensen in ons midden te brengen die tot grote extremen willen gaan. Zij zijn veeleisend en zoeken zware plichten op te leggen en tot het uiterste te gaan in minder belangrijke zaken. Maar zij verwaarlozen de belangrijke zaken van de wet: oordeel, barmhartigheid en de liefde van God.

Op het gebied van het geweten moet de ziel onbelemmerd gelaten worden. Niemand moet proberen de geest van een ander te beheersen, voor hem te oordelen, en hem voor te schrijven wat hij moet doen. God geeft aan ieder mens de vrijheid om te denken, en zijn eigen overtuigingen te volgen. ‘Ieder van ons zal zelf rekenschap moeten afleggen bij God.’ Niemand geeft het recht zijn eigen individualiteit in dat van ander te doen opgaan. In alle gelegenheden waar het om principes gaat, ‘zij ieder voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.’ Rom. 14:12, 5

Onderzoek nauwkeurig je eigen hart, en volg het volmaakte Voorbeeld na en het zal je goed gaan.
“Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht.” Romeinen 14:22

“Daarom tracht ook ik steeds mijn geweten zuiver te houden tegenover God en de mensen.” (NBV) Hand. 24:16

Het is eenieders voorrecht zo te leven dat God het goed vindt en kan zegenen. Je kunt altijd gemeenschap hebben met de hemel; het is niet Gods wil dat je jezelf steeds  veroordeelt voelt en in duisternis bent. Je moet zelfrespect leren door zo te leven dat je eigen geweten je niet aanklaagt en dat je de goedkeuring hebt van de mensen en de engelen.

“Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des HEREN gaan. Welzalig zij, die zijn getuigenissen bewaren, die Hem van ganser harte zoeken; die ook geen onrecht plegen, maar wandelen in zijn wegen.” Psalm 119:1-3

Terug pagina 3 pagina 5