Vertrouw op God in de beproeving

“Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken; Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag. Wees stil voor de HERE en verbeid (wacht geduldig) Hem.” Psalm 37:5, 6

“Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn.” Rom. 8:28

Al ons lijden en verdriet, al onze verzoekingen en beproevingen, al onze droefheid en ongeluk, al onze vervolgingen en ontberingen, kortom, alle dingen werken samen ten goede voor ons. Alle ervaringen en omstandigheden zijn Gods middelen om ons het goede te brengen.

“Hebt geloof in God.” Marcus 11:22

“Vertrouwt op Hem te allen tijde.” Psalm 62:8

“Maar wel getrouw is de Here, die u sterken zal en u bewaren voor de boze.” 2 Thess. 3:3

Jezus was omringd door de tegenwoordigheid van de Vader. Er overkwam Hem alleen maar dat wat de oneindige liefde toeliet als zegen voor deze wereld. Daarin lag de oorsprong van al Zijn troost, en zo is het ook voor ons. Hij die vervuld is van de Geest van Christus verblijft in Hem. De slagen die hem toebedeeld worden vallen op de Verlosser, die hem met Zijn tegenwoordigheid omringt. Wat tot hem komt, komt tot Christus. Hij hoeft het kwade niet te weerstaan  want Christus is Zijn burcht. Niets kan hem raken tenzij de Heer het toestaat, en alle dingen die Hij toestaat werken samen ten goede voor hen die God liefhebben.

“Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.” Col. 1:11, 12

Wreek jezelf niet

“Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.” Rom. 12:19-21

“Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen, die u haten; zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelen. Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe, neemt iemand u uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen. Vraagt iemand iets van u, geef het hem; neemt iemand het uwe, vraag het niet terug. En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo.” Lucas 6:27-31

“Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden.” Lucas 6:37

“Want wij weten, wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen.” Hebr. 10:30

“Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven.” 1 Petrus 3:9

“Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dat roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dat is genade bij God. Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden; die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen.” 1 Petrus 2:19 – 24

“Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.” Hebr. 13:13

“Worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen;
worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.” 1 Cor. 4:13

“Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” 2 Cor. 12:10

“en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden. Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende.” 1 Petrus 3:16, 17

Laat u liever tekort doen

“Durft iemand uwer, wanneer hij iets heeft met een ander, recht zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen? Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En indien bij u het oordeel over de wereld berust, zijt gij dan onbevoegd voor de meest onbetekenende rechtspraak? Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer dan over alledaagse dingen? Indien gij alledaagse geschillen te berechten hebt, laat gij dan hen zitting nemen, die in de gemeente niet in tel zijn? Ik zeg het om u te beschamen. Is er dan bij u geen enkel wijs man, die uitspraak zal kunnen doen tussen broeders? Zoekt nu de ene broeder recht tegen de andere, en dat bij de ongelovigen? Maar dan is de zaak voor u reeds geheel verloren, dat gij tegen elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever onrecht? Waarom laat gij u niet liever te kort doen?" 1 Cor 6:1-7

“Wentel uw weg op de HERE en vertrouw op Hem, en Hij zal het maken; Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht als de middag." Psalm 37:5

“Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God.” Micha 6:8

Neem geen aanstoot

“Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.” (SV) Psalm 119:165

“Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen en niet ter wille van hem zonde op u laden. Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HERE.” Lev. 19:17, 18

“Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft.” Ef. 4:31

“Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien.  Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden.” Heb. 12:14, 15

“Weet dit wel, mijn geliefde broeders: ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken, langzaam tot toorn; want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort.” Jakobus 1:19, 20

Beheers je geest

“Een lankmoedig mens overtreft een held, wie zijn geest beheerst, hem die een stad inneemt.” Spr. 16:32

Tenzij we onze woorden en onze gevoelens beheersen zijn we slaven van de Satan. We zijn aan Hem onderworpen. Hij houdt ons gevangen. Alle onaangename, ongeduldige, met ergernis gesproken woorden zijn een offer gewijd aan de majesteit Satan. Het is een offer dat ons veel, heel veel kost, meer dan wat we aan God kunnen offeren; want het vernietigt de vrede en blijdschap van hele gezinnen, het vernietigt de gezondheid, en is uiteindelijk de oorzaak van het verlies van eeuwig leven en geluk.

“Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten, hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven.” Col. 4:6

“Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed woord hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.” Ef. 4:29

“Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beerven.” 1 Petrus 3:8, 9

Terug pagina 2 pagina 4