![]() |
|---|
Het hemels heiligdom in de profetie Wat zou er gebeuren op het einde van 70 weken profetie in Daniel 9:24? Voor een uitleg van de betekenis van de 70 weken zie bijbelstudie les 14 Zoals het aardse heiligdom bij haar in werkingstelling ingewijd werd met heilige olie moest ook het hemelse heiligdom ingewijd worden voor de in werkingstelling van Christus' priesterschap. Na Zijn hemelvaart begon Hij dit dienstwerk als Hogepriester en middelaar. De reiniging van het hemels heiligdom. Wat moet er gebeuren vooraleer het verslag van de zonden kan uitgewist worden? Wat zal Jezus met zich meebrengen wanneer Hij komt? Christus, hogepriesterlijk werk bestaat erin ons de overwinning te geven over de zonde. Hij zal ons herstellen naar Zijn beeld en dit beeld verzegelen met de late regen, dan komt Hij ons halen. Wat zal ieder schepsel uiteindelijk doen? Het is terwijl de afvallige macht gesymboliseerd door de kleine horen haar godslasterlijk werk doet en Gods volk vervolgt dat de tronen worden gezet en God het oordeel voorzit. (Dan 7:8, 20, 21, 25) Dit oordeel vindt plaats in het heilige der heilige van het hemels heiligdom en ontelbare hemelse wezens zijn als getuige aanwezig. (Dan 7:9, 10). Het pas na het oordeel dat de afvallige macht wordt vernietigd (Dan 7:11) De tijd van het onderzoekend oordeel Zowel Christus als de Vader zijn betrokken bij het onderzoekend oordeel. Voor Jezus naar de aarde terugkeert op "de wolken des hemels," is Hij als "de Zoon des mensen" gekomen "op de wolken des hemels" tot"de Oude van Dagen," God de Vader, en staat Hij voor Hem (Dan 7:13). Sinds Hij de hemel is binnengegaan heeft Christus als Hogepriester gewerkt, Hij is onze middelaar voor God (Heb. 7:25). Maar nu komt Hij om Zijn koninkrijk in ontvangst te nemen (Dan. 7:14). De bedoeling is dus een eind te maken aan het priesterlijk middelaarswerk, de priesterlijke kleren af te leggen en Zijn koninklijke kleren aan te trekken. 1. De verduistering van Christus' priesterlijk werk. Daniel 8 verhaalt over de strijd tussen goed en kwaad en Gods uiteindelijke overwinning. Dit hoofdstuk toont ons dat tussen de in werkingstelling van Christus' priesterlijk werk en de reiniging van het heiligdom er een aardse kracht zou zijn die het werk van Christus zou verduisteren. Wie is de ram die we in het visioen van Daniel 8 zien? "De ram die gij gezien hebt, met de twee horens, doelt op de koningen der Meden en Perzen" Daniel 8:20 Welke andere macht kwam er op en verpletterde de ram? "De harige geitebok"duidt "op de koning van Griekenland, en de grote horen die tussen zijn ogen stond, dat is de eerste koning." Dan 8:21 Welke macht kwam op "in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben volgemaakt."? "En uit een (van de vier koninkrijken) daarvan kwam weer een horen voort, die klein begon, maar die zeer groot werd tegen het zuiden, tegen het oosten en tegen het Sieraad, ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en vertrapte ze." Daniel 8:9 Waarom voldoet alleen de laatste interpretatie - Rome als kleine horen - precies aan de specificaties gegeven in Daniel? a. De macht van de kleine horen begint bij de val van het Griekse rijk en blijft tot "de tijd van het einde" Daniel 8:17 b. De profetieen van Daniel 2, 7 en 8 lopen parrallel met elkaar (zie schema parallelle profetieen) De vier metalen van het beeld uit Daniel 2 en de vier dieren uit Daniel 7 stellen dezelfde wereldrijken voor: Babylon, Medo-Perzie, Griekenland en Rome. De voeten van ijzer vermengd met klei en de tien horens van het vierde beest stellen de opdeling voor van het Romeinse rijk; deze verdeelde staten zouden blijven bestaan tot aan de wederkomst. Merk op dat beide profetieen Rome aanwijzen als de opvolger van het Griekse rijk en als het laatste rijk voor de wederkomst en het laatste oordeel. De kleine horen in Daniel 8 past in hetzelfde scenario; ze volgt het Griekse rijk op en wordt op bovennatuurlijke wijze vernietigd of "zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden." (Dan. 8:25; cf. Dan. 2:34) c. Medo perzie wordt "groot" genoemd, het Griekse rijk wordt beschreven als "zeer groot," en de kleine horen als "geweldig groot"(NBV) (Daniel 8:4, 8, 9). Rome, één van de grootste wereldrijken voldoet aan deze eigenschap. d. Alleen Rome breidde haar rijk uit naar het zuiden (Egypte), het oosten (Macedonie en Klein-Azie), en naar het "Sieraadland" (Palestina), net zoals voorspeld in de profetie (Dan. 8:9). e. Rome maakte zich groot "tegen de vorst van het heer," de "Vorst der vorsten" (Dan. 8:11, 25), die niemand anders is dan Jezus Christus. Tegen Hem, tegen zijn volk en tegen Zijn heiligdom was de hardnekkige strijd van Rome gericht. Deze beschrijvingen betreffen zowel de heidense als de kerkelijke fase van Rome. Terwijl het heidense Rome weerstand bood aan Christus en de tempel te Jeruzalem vernietigde, slaagde het pausdom erin om het priesterlijk werk van Christus en Zijn middelaarschap ten behoeve van de zondaars in het hemels heiligdom, te verduisteren (zie Heb. 8:1, 2). Zij deed dat door een priesterschap in te richten dat voorwend vergiffenis te schenken door de bemiddeling van mensen. Deze afvallige macht zou erg succesvol zijn want "hij wierp de waarheid ter aarde en wat hij ook deed, gelukte hem. (Dan. 8:12). 2. De tijd van herstel, reiniging en oordeel God stond niet toe dat de verduistering van de waarheid over Christus' hogepriesterlijk werk zou blijven doorgaan. Door getrouwe, godvrezende mannen en vrouwen bewerkte Hij een heropwekking van Zijn zaak. De gedeeltelijke herontdekking van Christus' rol als middelaar bracht een grote opwekking binnen de Christelijke wereld. Maar er moest nog meer waarheid aan het licht gebracht worden betreffende Christus' werk. Wanneer zou er nog meer waarheid geopenbaard worden betreffend Christus' werk? "En hij kwam tot waar ik stond, en toen hij kwam, schrikte ik en wierp mij op mijn aangezicht, maar hij zeide tot mij: Versta, mensenkind, dat het gezicht doelt op de tijd van het einde." Daniel 8:17 Wat zijn de 2300 dagen of de "2300 avonden en morgens," zoals we kunnen lezen in de grondtekst? Volgens Genesis 1 is een avond en een morgen gelijk aan een dag. Een tijdsperiode in de profetie is ook symbolisch: een profetische dag stelt altijd een jaar voor. De 2300 avonden en morgens of dagen uit Daniel 8:14 stellen dus in werkelijkheid 2300 jaar voor wat vele Christenen doorheen de eeuwen altijd geloofd hebben. Nieuwe waarheden worden ontdekt Welke waarheden werden er ontdekt? a. Daniel 9 is de sleutel tot Daniel 8. De 70 weken of 490 jaar waren "bepaald" over de Joden en Jeruzalem (Dan 9:24). "Bepaald" is de vertaling die hier gekozen werd voor het Hebreeuwse woord 'chatak'. Alhoewel dit werkwoord maar eenmaal in de Schriften wordt gebruikt, kan de betekenis ervan teruggevonden worden in andere Hebreeuwse bronnen. Het welbekende Hebreeuws - Engelse Gesenius woordenboek vertaalt het woord met "to cut" of "to divide." Met deze achtergrond wordt Gabriel's commentaar veel onthullend. Hij vertelt Daniel dat er 490 jaar afgesneden moeten worden van de 2300 jaar. Het begin van deze 490 jaar is naar Gabriel's uitleg, "vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen."(Dan 9:25), wat plaatsvond in 457 voor Christus, in het zevende jaar van Artaxerxes. De 490 jaar eindigden in 34 A.D. Wanneer we de 490 jaar van de 2300 jaar aftrekken, blijven er nog 1810 jaar over. Daar de 2300 jaar 1810 jaar verder eindigde dan 34 A.D. reiken zij tot het jaar 1844. Voor een gedetailleerde uitleg van deze berekening zie bijbelstudie 14: De grootste tijdsprofetie en Tweeduizend driehonderd avonden en morgens. b. Een groter inzicht in het dienstwerk van Christus. Gedurende het eerste gedeelte van de negentiende eeuw werd door vele Christenen - waaronder Baptisten, Presbyterianen, Methodisten, Lutheranen, Anglicanen enz. - een grondige studie gemaakt van Daniel 8. Al deze studenten van de bijbel verwachtten een belangrijke gebeurtenis op het einde van de 2300 jaar. Afhankelijk van hun begrip van de kleine horen en het heiligdom, verwachtten zij dat de profetie zou eindigen in de reiniging van de kerk, de bevrijding van Palestina en Jeruzalem, de terugkeer van de Joden, de val van de Turkse macht, de vernietiging van het pausdom, het herstel van de zuivere aanbidding, het begin van een duizendjarig rijk, de dag van het oordeel, de zuivering van de aarde door vuur, of de wederkomst. Geen enkele van deze voorspellingen is uitgekomen en allen die erin geloofden werden teleurgesteld. De ernst van deze teleurstelling was rechtevenredig met de aard van de voorspelde gebeurtenis. Het spreekt vanzelf dat de teleurstelling van hen die uitzagen naar de wederkomst van Christus in 1844 veel groter was dan die van hen die uitzagen naar de wederkeer van de Joden naar Palestina. Als gevolg van deze teleurstelling gaven velen hun studie van de profetieen op of keerden zich af van de historische interpretatiemethode die tot deze conclusies had geleid. Sommigen echter bleven volharden in de studie van de profetieen en het onderwerp van het heiligdom. Ze deden dat met veel ernst en gebed ziende om het werk dat Christus voor hen deed in het hemels heiligdom. Rijke nieuwe inzichten in dit dienstwerk beloonde hun inspanningen. Zij ontdekten dat het historisch profetisch geloof van de eerste gemeente en de Hervorming nog steeds gefundeerd was. De profetische tijdsberekeningen waren correct. De 2300 jaar eindigde inderdaad in 1844. Hun fout - en dat van alle bijbelverklaarders uit die tijd - was in het begrip van de gebeurtenis die moest plaatsgrijpen op het einde van de profetische periode. Nieuw licht betreffende het dienstwerk van Christus in het heiligdom keerde de teleurstelling in hoop en blijdschap. Hun studie van de Bijbelse leer over het heiligdom toonde dat Christus in 1844 tot de Oude van Dagen kwam en de laatse fase van Zijn hogepriesterlijk werk in het hemels heiligdom begon. Dit werk was het tegenbeeld van de de reiniging op de Grote Verzoendag. Daniel 7 plaatst deze laatste fase van Christus werk voor de wederkomst en beschrijft het als een onderzoekend oordeel (Daniel 7:10). Daar het eeuwige evangelie als doel heeft om het beeld van God in de mens te herstellen (Rom. 8:29) door de bevrijding en verwijdering van de zonde is deze laatste fase een laatste logische stap in de vervulling van Gods mysterie. Deze stap die het hoogtepunt vormt in de verlossingservaring van Gods volk wordt vanzelfsprekend door de eindtijdprofetieen benadrukt. Jezus laatste werk is een volk klaarmaken om Hem van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten (1 Joh 3:2), een volk die overwonnen heeft zoals Hij overwonnen heeft(Op. 3:21), een volk van wie de zonden zijn uitgedelgd uit de hemelse boeken (Hand 3:19).
De betekenis binnen de Grote Strijd
De rechtvaardiging van Gods karakter De rechtvaardiging van Gods volk Terwijl het oordeel de afvallige macht van de kleine horen veroordeelt, zegt Gods Woord dat, "recht verschaft werd aan de heiligen." (Dan. 7:22) Dit oordeel rechtvaardigt niet alleen God voor het universum, maar ook Zijn volk. Alhoewel de heiligen, door de eeuwen heen, veracht en vervolgd zijn geweest voor hun geloof in Christus, zal dit oordeel alles terug recht zetten. Gods volk zal de belofte van Christus meemaken: "Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is." (Matt. 10:32; cf. Lucas 12:8, 9; Op. 3:5). Het oordeel en de verlossing Brengt het onderzoekend oordeel de verlossing van hen die in Christus geloven in gevaar? Helemaal niet. Waarachtige gelovigen leven in eenheid met Christus en vertrouwen op hun Middelaar (Rom 8:34). Hun zekerheid ligt in de belofte: "wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige." (1 Joh. 2:1). Waarom is er dan een onderzoekend oordeel nodig? Dit oordeel is niet ten bate van de Godheid. Het is allereerst ten bate van het universum omdat het een duidelijk antwoord geeft op Satans aanklacht en de zekerheid geeft aan de ongevallen schepping dat God alleen hen in Zijn koninkrijk zal toelaten die zich waarlijk bekeerd hebben. Daarom opent God de boeken voor het oog van het hele universum (Dan 7:9, 10). Menselijke wezens bestaan uit drie klassen: (1) de goddelozen, zij die Gods gezag verwerpen; (2) waarachtige gelovigen, die vertrouwen in de verdiensten van Christus door het geloof en leven in gehoorzaamheid aan Gods wet en (3) zij die gelovig lijken maar het niet zijn. De ongevallen wezens hebben geen moeite met het onderscheiden van de eerste klasse. Maar wie is een waarachtige gelovige en wie niet? Beide groepen staan opgeschreven in het boek van het leven, dat de namen bevat van allen die ooit God hebben gediend (Lucas 10:20; Filip. 4:3; Dan. 12:1; Op. 21:27). De kerk zelf bevat beide groepen, de tarwe en het onkruid (Matt. 13:28-30). Gods ongevallen schepselen zijn niet alwetend, zij kunnen het hart niet lezen. "Daarom is er nood aan een oordeel-voor de wederkomst-om het echte van het valse te scheiden en aan het universum Gods rechtvaardigheid te tonen in het redden van de oprechte gelovige. Het is een probleem die God voor het universum moet oplossen. Daarom is het nodig om de hemelse boeken te openen die een correct beeld geven van de motieven en het karakter van elke gelovige." Christus illustreerde dit oordeel in de gelijkenis van de bruiloftsgasten die waren ingegaan op de uitnodiging van het evangelie. Omdat niet allen die Christus belijden oprechte discipelen zijn, komt de Koning om de gasten te inspecteren en te zien of ze wel het bruiloftskleed dragen. Dit kledingstuk stelt het zuiver karakter voor dat Christus' volgelingen bij Zijn komst zullen hebben. (Op. 19:8) Want Hij heeft Zich gegeven om, "de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet" (Ef. 5:27). De Schrift zegt dat het fijne linnen, "de rechtvaardige daden van de heiligen" is (Op. 19:8). Het is de gerechtigheid van Christus, Zijn eigen zuiver karakter, dat door het geloof is medegedeeld aan allen die Hem als hun persoonlijke verlosser hebben aangenomen. Wanneer de Koning de gasten inspecteert, zijn het alleen de gasten, die het kleed van Christus gerechtigheid dat zo vrijelijk werd aangeboden in het evangelie, hebben aangetrokken, die aangenomen worden. Zij die belijden volgelingen van Jezus te zijn maar in ongehoorzaamheid leven, worden niet door Christus' gerechtigheid bedekt. De naam van deze schijndiscipelen zullen uit het boek des levens worden uitgewist. (zie Ex. 32:33). Het begrip van een onderzoekend oordeel van allen die hun geloof in Christus hebben beleden is niet in tegenspraak met wat de Bijbel onderwijst over de redding door geloof. Paulus wist dat hij eens in het oordeel zou komen. Daarom uitte hij het verlangen om "in Hem te moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof." (Filip. 3:9). Allen die met Christus verenigd zijn, zijn van hun redding verzekerd. In de pre-Advent fase van het laatste oordeel worden oprechte gelovigen die in een verlossende relatie met Christus leven, bevestigd voor het hele universum. Christus kan echter geen redding verzekeren voor hen die belijden Christenen te zijn op basis van de goede werken die ze hebben gedaan (zie Matt. 7:21-23). Het hemelse verslag is daarom meer dan een instrument om het ware van het valse te onderscheiden. Het is op grond van dit verslag dat de hemelse wezens overtuigd worden van de echtheid van het geloof van de ware discipelen. We zien dat de leer van het heiligdom niets afdoet van de zekerheid die we hebben in Christus. De lessen uit het heiligdom versterken onze zekerheid; wij weten wat Christus voor ons doet, wij weten hoe Hij zich tot het uiterste voor ons inzet, wij weten wat Hij in ons wilt bewerken. Een inzicht in het heiligdom helpt ons om elk aspect van het verlossingsplan goed te begrijpen. Wij leren door het heiligdom begrijpen hoe Christus het zondeprobleem in ons leven en in het universum zal oplossen. Wij worden gesterkt in ons geloof en weten hoe we doelgericht kunnen samenwerken met Christus. Een tijd om klaar te zijn We leven nu in de tijd van het tegenbeeld van de Grote Verzoendag. Zoals de Israelieten worden ook wij geroepen ons te verootmoedigen en ons hart te onderzoeken (Lev. 23:27), daarom roept God Zijn volk op om zich van harte te bekeren. Allen die hun naam willen behouden in het boek des levens moeten hun leven richten naar Gods licht en alles in orde brengen met hun naaste. Dit is ons werk in de tijd van het oordeel (Op. 14:7). Christus' hogepriesterlijk werk loopt op zijn eind. De genadetijd voor de mensheid tikt haar laatste momenten. Niemand weet wanneer Gods stem de afsluiting zal verkondigen. Christus zei, "Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is" (Marcus 13:33) Niettegenstaande we in de tijd leven van het oordeel, hoeven we niet te vrezen. Jezus Christus is ons offer en onze priester in het hemels heiligdom. "Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd"(Heb. 4:14-16).
|