Het hemels heiligdom in de profetie

In het voorgaande gedeelte hadden we het over het heiligdom vanuit het perspectief type-antitype. Nu zullen we het heiligdom vanuit de profetie benaderen.

Wat zou er gebeuren op het einde van 70 weken profetie in Daniel 9:24?

"Zeventig weken zijn vastgesteld voor je volk en je heilige stad, voordat aan de overtredingen een einde komt en de zonden zijn afgesloten, voordat het wangedrag is vergolden en eeuwige gerechtigheid is gebracht, voordat het profetisch visioen bezegeld is en het allerheiligste gewijd."Daniel 9:24

Voor een uitleg van de betekenis van de 70 weken zie bijbelstudie les 14

De inwijding van het hemels heiligdom

De 70-weken profetie van Daniel 9 verwees naar de inwerkingstelling van Christus' priesterlijk werk in het hemels heiligdom. Een van de laatste gebeurtenissen van de 490 jaar was "om de heiligheid der heiligheden te zalven." (Statenvertaling) De termen "allerheiligste"(NB) of de "heiligheid der heiligheden" (SV) zijn een vertaling van het Hebreeuws "qodesh qodeshim" wat doelt op de meest heilige plaats of het heiligdom; Gods woning.

Zoals het aardse heiligdom bij haar in werkingstelling ingewijd werd met heilige olie moest ook het hemelse heiligdom ingewijd worden voor de in werkingstelling van Christus' priesterschap. Na Zijn hemelvaart begon Hij dit dienstwerk als Hogepriester en middelaar.

De reiniging van het hemels heiligdom.

Wat is er nodig om iets van zonden te reinigen?

"En nagenoeg alles wordt volgens de wet met bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze" - het kostbare bloed van Christus zelf.
(Heb. 9:22, 23).

Waarom moeten de hemelse dingen gereinigd worden met het bloed van Christus?

De enige reden is dat het hemels heiligdom verontreinigd is met zonde. Wanneer zonde vergeven is, is haar probleem niet opgelost. Zonde kan altijd terug toeslaan. Zolang we in geloof op Jezus zien en ons onder de kracht van Zijn genade stellen zijn we vrij van de macht van de macht van de zonde. Maar we blijven zondaars met onvolkomenheden en gebreken. Onze volmaaktheid is in Christus en niet in onszelf. Dit probleem van de zonde staat opgetekend in de hemelse boeken en pleit tegen ons. Jezus werk bestaat erin het heilidom te reinigen in die mate dat naast onze naam in het boek des levens geen zonden meer staan. Hij wil ons niet alleen bevrijden van de macht van de zonde maar van de zonde zelf.
Voor een beter inzicht in de boeken van het hemels heiligdom zie bijbelstudie les 16
Jezus zelf is de zondedrager. Dit is nodig zolang wij zondigen. Wij kunnen nu niet zonder middelaar leven. Dit is de huidige realiteit van het hemels heiligdom waarvan het moet gereinigd worden.

Tijdens de Grote Verzoendag werd het aardse heiligdom gereinigd van de zonden die daar waren overgebracht. Het hemels heiligdom wordt tijdens de laatste fase van het werk van Christus als hogepriester, naar waar de Grote Verzoendag verwees, gereinigd van het verslag van de zonden dat in de boeken staat opgeschreven.

Wat moet er gebeuren vooraleer het verslag van de zonden kan uitgewist worden?

"Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur;
10 en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend." Daniel 7:9-10

Daniel ziet in zijn visioen het begin van een onderzoek van de boeken. Dit onderzoek moet uitwijzen wie deel kan hebben aan het hemels koninkrijk. Het beeld van dit onderzoek vinden we terug bij het aardse heiligdom.

Wat moest het volk doen tijdens de Grote Verzoendag?

Maar op de tiende van die zevende maand is de Verzoendag; een heilige samenkomst zult gij hebben en gij zult u verootmoedigen en de HERE een vuuroffer brengen. Op die dag zult gij generlei arbeid verrichten, want het is de Verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van de HERE, uw God. Leviticus 23:27-28

Zich verootmoedigen betekent zichzelf onderwerpen aan een onderzoek, zichzelf vergelijken met Gods woord.

"Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf." 2 Cor. 13:5

Wat zou er gebeuren met hen die niet meewerkten en zichzelf niet verootmoedigden?
"Want ieder die zich op die dag niet zal verootmoedigen, zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten." Leviticus 23: 29

De reiniging van het hemelse heiligdom is een werk waar we ten volle bij betrokken zijn. Het gaat om de reiniging van onze tempel zodat zij door de volheid van de Geest zou kunnen bewoond worden.

"Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende." Handelingen 3:19-20

Er is dus een onderzoekend oordeel van de boeken en ons hart tot uitdelging van de zonde. Dit onderzoekend oordeel vindt plaats voor de wederkomst.

Wat zal Jezus met zich meebrengen wanneer Hij komt?

"Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden." Op. 22:12

Waartoe nodigt Hij ons nu uit?

"Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen."

Wie geeft ons die overwinning?

"Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus." 1 Cor 15:57

Christus, hogepriesterlijk werk bestaat erin ons de overwinning te geven over de zonde. Hij zal ons herstellen naar Zijn beeld en dit beeld verzegelen met de late regen, dan komt Hij ons halen.

Maar waarom moet God alles onderzoeken, weet Hij dan niet alles?

Dit onderzoek gebeurt omwille van ons en voor het hele universum. Satan heeft God beschuldigd van onrechtvaardigheid. Het onderzoekend oordeel zal een bewijs leveren voor het hele universum dat God rechtvaardig is.

Wat zal ieder schepsel uiteindelijk doen?

"Want er staat geschreven: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven." Rom 14:11
"opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn"Fil. 2:10

Het onderzoekend oordeel zoals beschreven in het boek Daniel heeft niet alleen te maken met de reiniging van Gods volk maar ook met de vernietiging van de machten die Gods volk bestrijden.

Het is terwijl de afvallige macht gesymboliseerd door de kleine horen haar godslasterlijk werk doet en Gods volk vervolgt dat de tronen worden gezet en God het oordeel voorzit. (Dan 7:8, 20, 21, 25) Dit oordeel vindt plaats in het heilige der heilige van het hemels heiligdom en ontelbare hemelse wezens zijn als getuige aanwezig. (Dan 7:9, 10). Het pas na het oordeel dat de afvallige macht wordt vernietigd (Dan 7:11)

De tijd van het onderzoekend oordeel

Zowel Christus als de Vader zijn betrokken bij het onderzoekend oordeel. Voor Jezus naar de aarde terugkeert op "de wolken des hemels," is Hij als "de Zoon des mensen" gekomen "op de wolken des hemels" tot"de Oude van Dagen," God de Vader, en staat Hij voor Hem (Dan 7:13). Sinds Hij de hemel is binnengegaan heeft Christus als Hogepriester gewerkt, Hij is onze middelaar voor God (Heb. 7:25). Maar nu komt Hij om Zijn koninkrijk in ontvangst te nemen (Dan. 7:14). De bedoeling is dus een eind te maken aan het priesterlijk middelaarswerk, de priesterlijke kleren af te leggen en Zijn koninklijke kleren aan te trekken.

1. De verduistering van Christus' priesterlijk werk.

Daniel 8 verhaalt over de strijd tussen goed en kwaad en Gods uiteindelijke overwinning. Dit hoofdstuk toont ons dat tussen de in werkingstelling van Christus' priesterlijk werk en de reiniging van het heiligdom er een aardse kracht zou zijn die het werk van Christus zou verduisteren.

Wie is de ram die we in het visioen van Daniel 8 zien?

"De ram die gij gezien hebt, met de twee horens, doelt op de koningen der Meden en Perzen" Daniel 8:20

De twee horens waarvan de grootste het laatst opkomt wijst op de twee regeringsfasen van deze macht. De dominante Perzische kwam als laatste op. Zoals Daniel voorspelde groeide dit koninkrijk "naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden." (Dan 8:4)

Welke andere macht kwam er op en verpletterde de ram?

"De harige geitebok"duidt "op de koning van Griekenland, en de grote horen die tussen zijn ogen stond, dat is de eerste koning." Dan 8:21

Deze eerste koning was Alexander de Grote.

Wat gebeurde met het koninkrijk na de dood van Alexander?

"En de harige geitebok op de koning van Griekenland, en de grote horen die tussen zijn ogen stond, dat is de eerste koning.
En dat die afbrak en er vier in zijn plaats kwamen te staan: vier koninkrijken zullen uit het volk ontstaan, doch zonder zijn kracht. (Dan. 8:22) —de koninkrijken van Cassander, Lysimachus, Seleucus en Ptolemy.

Welke macht kwam op "in het laatst van hun koningschap, als de boosdoeners de maat hebben volgemaakt."?

"En uit een (van de vier koninkrijken) daarvan kwam weer een horen voort, die klein begon, maar die zeer groot werd tegen het zuiden, tegen het oosten en tegen het Sieraad, ja, zijn grootheid reikte tot aan het heer des hemels, en hij deed er van het heer, namelijk van de sterren, ter aarde vallen, en vertrapte ze." Daniel 8:9

Sommigen beweren dat deze kleine horen Antiochus Epiphanes is. Hij was een Syrische koning die gedurende de tweede eeuw voor Christus, tijdens een korte periode over Palestina regeerde. Anderen echter waaronder vele van de hervormers hebben deze kleine horen geidentificeert als Rome in zowel haar heidense als kerkelijke fase.

Waarom voldoet alleen de laatste interpretatie - Rome als kleine horen - precies aan de specificaties gegeven in Daniel?

a. De macht van de kleine horen begint bij de val van het Griekse rijk en blijft tot "de tijd van het einde" Daniel 8:17

b. De profetieen van Daniel 2, 7 en 8 lopen parrallel met elkaar (zie schema parallelle profetieen) De vier metalen van het beeld uit Daniel 2 en de vier dieren uit Daniel 7 stellen dezelfde wereldrijken voor: Babylon, Medo-Perzie, Griekenland en Rome. De voeten van ijzer vermengd met klei en de tien horens van het vierde beest stellen de opdeling voor van het Romeinse rijk; deze verdeelde staten zouden blijven bestaan tot aan de wederkomst. Merk op dat beide profetieen Rome aanwijzen als de opvolger van het Griekse rijk en als het laatste rijk voor de wederkomst en het laatste oordeel. De kleine horen in Daniel 8 past in hetzelfde scenario; ze volgt het Griekse rijk op en wordt op bovennatuurlijke wijze vernietigd of "zonder mensenhanden zal hij vernietigd worden." (Dan. 8:25; cf. Dan. 2:34)

c. Medo perzie wordt "groot" genoemd, het Griekse rijk wordt beschreven als "zeer groot," en de kleine horen als "geweldig groot"(NBV) (Daniel 8:4, 8, 9). Rome, één van de grootste wereldrijken voldoet aan deze eigenschap.

d. Alleen Rome breidde haar rijk uit naar het zuiden (Egypte), het oosten (Macedonie en Klein-Azie), en naar het "Sieraadland" (Palestina), net zoals voorspeld in de profetie (Dan. 8:9).

e. Rome maakte zich groot "tegen de vorst van het heer," de "Vorst der vorsten" (Dan. 8:11, 25), die niemand anders is dan Jezus Christus. Tegen Hem, tegen zijn volk en tegen Zijn heiligdom was de hardnekkige strijd van Rome gericht. Deze beschrijvingen betreffen zowel de heidense als de kerkelijke fase van Rome. Terwijl het heidense Rome weerstand bood aan Christus en de tempel te Jeruzalem vernietigde, slaagde het pausdom erin om het priesterlijk werk van Christus en Zijn middelaarschap ten behoeve van de zondaars in het hemels heiligdom, te verduisteren (zie Heb. 8:1, 2). Zij deed dat door een priesterschap in te richten dat voorwend vergiffenis te schenken door de bemiddeling van mensen. Deze afvallige macht zou erg succesvol zijn want "hij wierp de waarheid ter aarde en wat hij ook deed, gelukte hem. (Dan. 8:12).

2. De tijd van herstel, reiniging en oordeel

God stond niet toe dat de verduistering van de waarheid over Christus' hogepriesterlijk werk zou blijven doorgaan. Door getrouwe, godvrezende mannen en vrouwen bewerkte Hij een heropwekking van Zijn zaak. De gedeeltelijke herontdekking van Christus' rol als middelaar bracht een grote opwekking binnen de Christelijke wereld. Maar er moest nog meer waarheid aan het licht gebracht worden betreffende Christus' werk.

Wanneer zou er nog meer waarheid geopenbaard worden betreffend Christus' werk?

"En hij kwam tot waar ik stond, en toen hij kwam, schrikte ik en wierp mij op mijn aangezicht, maar hij zeide tot mij: Versta, mensenkind, dat het gezicht doelt op de tijd van het einde." Daniel 8:17

Het is in deze "tijd van het einde" dat Christus naast zijn dagelijks werk van Middelaar (Heb. 7:25) Zijn bijzonder werk van reiniging en oordeel zou beginnen. Het visioen duidt het precieze tijdstip aan waarop dit werk van het onderzoekend oordeel (Daniel 7:9, 10) en reiniging van het heiligdom als tegenbeeld van de Grote Verzoendag (Leviticus 23:24-33) zou aanvangen; "Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden." (Daniel 8:14) Omdat het visioen verwijst naar de tijd van het einde kan het geen betrekking hebben op het aardse heiligdom want dit werd in 70 A.D. vernietigd. De profetie doelt dus naar het heiligdom van het nieuwe verbond dat zich in de hemelen bevindt - de plaats waar Christus onze verlossing bewerkt.

Wat zijn de 2300 dagen of de "2300 avonden en morgens," zoals we kunnen lezen in de grondtekst? Volgens Genesis 1 is een avond en een morgen gelijk aan een dag. Een tijdsperiode in de profetie is ook symbolisch: een profetische dag stelt altijd een jaar voor. De 2300 avonden en morgens of dagen uit Daniel 8:14 stellen dus in werkelijkheid 2300 jaar voor wat vele Christenen doorheen de eeuwen altijd geloofd hebben.

Nieuwe waarheden worden ontdekt

Welke waarheden werden er ontdekt?

a. Daniel 9 is de sleutel tot Daniel 8.

God gaf opdracht aan de engel Gabriel: "doe deze(Daniel) het gezicht verstaan." (Dan 8:16). Wat Daniel te horen kreeg, greep hem zo aan dat hij er ziek van werd waardoor Gabriel zijn uitleg moest onderbreken. Op het einde van het hoofdstuk merkt Daniel op: "En ik, Daniel, was uitgeput en was enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte de dienst bij de koning. En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het." (Daniel 8:27)

Omwille van deze onderbreking werd de verklaring van de tijdsperiode uitgesteld - het enige aspect van het visioen waarover hij nog uitleg wilde geven. Daniel 9 vermeldt de terugkeer van de engel om zijn opdracht af te maken. Zo worden Daniel 8 en 9 met elkaar verbonden en Daniel 9 is de sleutel die het mysterie van de 2300 dagen ontsluit. Wanneer Gabriel verscheen zei hij tot Daniel: "Daniel, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven...Let dus op het woord en sla acht op het gezicht" Daniel 9:22, 23
Hij verwijst hiermee naar het visioen van de 2300 dagen waarvan hij de uitleg heeft moeten onderbreken. Zijn verlangen om een uitleg te geven over de tijdselementen uit Daniel 8 maakt duidelijk waarom hij zijn verklaring begint met de 70-weken profetie.

De 70 weken of 490 jaar waren "bepaald" over de Joden en Jeruzalem (Dan 9:24). "Bepaald" is de vertaling die hier gekozen werd voor het Hebreeuwse woord 'chatak'. Alhoewel dit werkwoord maar eenmaal in de Schriften wordt gebruikt, kan de betekenis ervan teruggevonden worden in andere Hebreeuwse bronnen. Het welbekende Hebreeuws - Engelse Gesenius woordenboek vertaalt het woord met "to cut" of "to divide."

Met deze achtergrond wordt Gabriel's commentaar veel onthullend. Hij vertelt Daniel dat er 490 jaar afgesneden moeten worden van de 2300 jaar. Het begin van deze 490 jaar is naar Gabriel's uitleg, "vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen."(Dan 9:25), wat plaatsvond in 457 voor Christus, in het zevende jaar van Artaxerxes.

De 490 jaar eindigden in 34 A.D. Wanneer we de 490 jaar van de 2300 jaar aftrekken, blijven er nog 1810 jaar over. Daar de 2300 jaar 1810 jaar verder eindigde dan 34 A.D. reiken zij tot het jaar 1844.

Voor een gedetailleerde uitleg van deze berekening zie bijbelstudie 14: De grootste tijdsprofetie en Tweeduizend driehonderd avonden en morgens.

b. Een groter inzicht in het dienstwerk van Christus.

Gedurende het eerste gedeelte van de negentiende eeuw werd door vele Christenen - waaronder Baptisten, Presbyterianen, Methodisten, Lutheranen, Anglicanen enz. - een grondige studie gemaakt van Daniel 8. Al deze studenten van de bijbel verwachtten een belangrijke gebeurtenis op het einde van de 2300 jaar. Afhankelijk van hun begrip van de kleine horen en het heiligdom, verwachtten zij dat de profetie zou eindigen in de reiniging van de kerk, de bevrijding van Palestina en Jeruzalem, de terugkeer van de Joden, de val van de Turkse macht, de vernietiging van het pausdom, het herstel van de zuivere aanbidding, het begin van een duizendjarig rijk, de dag van het oordeel, de zuivering van de aarde door vuur, of de wederkomst.

Geen enkele van deze voorspellingen is uitgekomen en allen die erin geloofden werden teleurgesteld. De ernst van deze teleurstelling was rechtevenredig met de aard van de voorspelde gebeurtenis. Het spreekt vanzelf dat de teleurstelling van hen die uitzagen naar de wederkomst van Christus in 1844 veel groter was dan die van hen die uitzagen naar de wederkeer van de Joden naar Palestina.

Als gevolg van deze teleurstelling gaven velen hun studie van de profetieen op of keerden zich af van de historische interpretatiemethode die tot deze conclusies had geleid. Sommigen echter bleven volharden in de studie van de profetieen en het onderwerp van het heiligdom. Ze deden dat met veel ernst en gebed ziende om het werk dat Christus voor hen deed in het hemels heiligdom. Rijke nieuwe inzichten in dit dienstwerk beloonde hun inspanningen. Zij ontdekten dat het historisch profetisch geloof van de eerste gemeente en de Hervorming nog steeds gefundeerd was. De profetische tijdsberekeningen waren correct. De 2300 jaar eindigde inderdaad in 1844. Hun fout - en dat van alle bijbelverklaarders uit die tijd - was in het begrip van de gebeurtenis die moest plaatsgrijpen op het einde van de profetische periode. Nieuw licht betreffende het dienstwerk van Christus in het heiligdom keerde de teleurstelling in hoop en blijdschap.

Hun studie van de Bijbelse leer over het heiligdom toonde dat Christus in 1844 tot de Oude van Dagen kwam en de laatse fase van Zijn hogepriesterlijk werk in het hemels heiligdom begon. Dit werk was het tegenbeeld van de de reiniging op de Grote Verzoendag. Daniel 7 plaatst deze laatste fase van Christus werk voor de wederkomst en beschrijft het als een onderzoekend oordeel (Daniel 7:10).

Daar het eeuwige evangelie als doel heeft om het beeld van God in de mens te herstellen (Rom. 8:29) door de bevrijding en verwijdering van de zonde is deze laatste fase een laatste logische stap in de vervulling van Gods mysterie. Deze stap die het hoogtepunt vormt in de verlossingservaring van Gods volk wordt vanzelfsprekend door de eindtijdprofetieen benadrukt. Jezus laatste werk is een volk klaarmaken om Hem van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten (1 Joh 3:2), een volk die overwonnen heeft zoals Hij overwonnen heeft(Op. 3:21), een volk van wie de zonden zijn uitgedelgd uit de hemelse boeken (Hand 3:19).

 

De betekenis binnen de Grote Strijd


De profetieen van Daniel 7 en 8 onthullen het verloop en de uiteindelijke uitkomst van de grote strijd tussen God en Satan.

De rechtvaardiging van Gods karakter

Door het werk van de kleine horen heeft Satan geprobeerd om Gods gezag te betwisten. De daden van deze macht hebben het heiligdom als centrum van Gods bestuur, besmeurd en onder de voet getredenen. Daniel's visioenen wijzen naar een oordeel dat plaatsvindt voor de wederkomst waarin God een rechtvaardig oordeel over de kleine horen zal uitspreken en zo ook over de Satan. In het licht van Kalvarie zullen al Satan's betwistingen weerlegd worden. Allen zullen tot het inzicht komen dat God rechtvaardig is en dat Hij geenzins verantwoordelijk is voor het zondeprobleem. Hij zal blijken een onaantastbaar karakter te hebben en zijn bestuur van liefde zal terug bevestigd worden.

De rechtvaardiging van Gods volk

Terwijl het oordeel de afvallige macht van de kleine horen veroordeelt, zegt Gods Woord dat, "recht verschaft werd aan de heiligen." (Dan. 7:22) Dit oordeel rechtvaardigt niet alleen God voor het universum, maar ook Zijn volk. Alhoewel de heiligen, door de eeuwen heen, veracht en vervolgd zijn geweest voor hun geloof in Christus, zal dit oordeel alles terug recht zetten. Gods volk zal de belofte van Christus meemaken: "Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is." (Matt. 10:32; cf. Lucas 12:8, 9; Op. 3:5).

Het oordeel en de verlossing

Brengt het onderzoekend oordeel de verlossing van hen die in Christus geloven in gevaar? Helemaal niet. Waarachtige gelovigen leven in eenheid met Christus en vertrouwen op hun Middelaar (Rom 8:34). Hun zekerheid ligt in de belofte: "wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige." (1 Joh. 2:1).

Waarom is er dan een onderzoekend oordeel nodig? Dit oordeel is niet ten bate van de Godheid. Het is allereerst ten bate van het universum omdat het een duidelijk antwoord geeft op Satans aanklacht en de zekerheid geeft aan de ongevallen schepping dat God alleen hen in Zijn koninkrijk zal toelaten die zich waarlijk bekeerd hebben. Daarom opent God de boeken voor het oog van het hele universum (Dan 7:9, 10).

Menselijke wezens bestaan uit drie klassen: (1) de goddelozen, zij die Gods gezag verwerpen; (2) waarachtige gelovigen, die vertrouwen in de verdiensten van Christus door het geloof en leven in gehoorzaamheid aan Gods wet en (3) zij die gelovig lijken maar het niet zijn.

De ongevallen wezens hebben geen moeite met het onderscheiden van de eerste klasse. Maar wie is een waarachtige gelovige en wie niet? Beide groepen staan opgeschreven in het boek van het leven, dat de namen bevat van allen die ooit God hebben gediend (Lucas 10:20; Filip. 4:3; Dan. 12:1; Op. 21:27). De kerk zelf bevat beide groepen, de tarwe en het onkruid (Matt. 13:28-30).

Gods ongevallen schepselen zijn niet alwetend, zij kunnen het hart niet lezen. "Daarom is er nood aan een oordeel-voor de wederkomst-om het echte van het valse te scheiden en aan het universum Gods rechtvaardigheid te tonen in het redden van de oprechte gelovige. Het is een probleem die God voor het universum moet oplossen. Daarom is het nodig om de hemelse boeken te openen die een correct beeld geven van de motieven en het karakter van elke gelovige."

Christus illustreerde dit oordeel in de gelijkenis van de bruiloftsgasten die waren ingegaan op de uitnodiging van het evangelie. Omdat niet allen die Christus belijden oprechte discipelen zijn, komt de Koning om de gasten te inspecteren en te zien of ze wel het bruiloftskleed dragen. Dit kledingstuk stelt het zuiver karakter voor dat Christus' volgelingen bij Zijn komst zullen hebben. (Op. 19:8) Want Hij heeft Zich gegeven om, "de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet" (Ef. 5:27). De Schrift zegt dat het fijne linnen, "de rechtvaardige daden van de heiligen" is (Op. 19:8). Het is de gerechtigheid van Christus, Zijn eigen zuiver karakter, dat door het geloof is medegedeeld aan allen die Hem als hun persoonlijke verlosser hebben aangenomen. Wanneer de Koning de gasten inspecteert, zijn het alleen de gasten, die het kleed van Christus gerechtigheid dat zo vrijelijk werd aangeboden in het evangelie, hebben aangetrokken, die aangenomen worden. Zij die belijden volgelingen van Jezus te zijn maar in ongehoorzaamheid leven, worden niet door Christus' gerechtigheid bedekt. De naam van deze schijndiscipelen zullen uit het boek des levens worden uitgewist. (zie Ex. 32:33).

Het begrip van een onderzoekend oordeel van allen die hun geloof in Christus hebben beleden is niet in tegenspraak met wat de Bijbel onderwijst over de redding door geloof. Paulus wist dat hij eens in het oordeel zou komen. Daarom uitte hij het verlangen om "in Hem te moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof." (Filip. 3:9). Allen die met Christus verenigd zijn, zijn van hun redding verzekerd. In de pre-Advent fase van het laatste oordeel worden oprechte gelovigen die in een verlossende relatie met Christus leven, bevestigd voor het hele universum.

Christus kan echter geen redding verzekeren voor hen die belijden Christenen te zijn op basis van de goede werken die ze hebben gedaan (zie Matt. 7:21-23). Het hemelse verslag is daarom meer dan een instrument om het ware van het valse te onderscheiden. Het is op grond van dit verslag dat de hemelse wezens overtuigd worden van de echtheid van het geloof van de ware discipelen.

We zien dat de leer van het heiligdom niets afdoet van de zekerheid die we hebben in Christus. De lessen uit het heiligdom versterken onze zekerheid; wij weten wat Christus voor ons doet, wij weten hoe Hij zich tot het uiterste voor ons inzet, wij weten wat Hij in ons wilt bewerken. Een inzicht in het heiligdom helpt ons om elk aspect van het verlossingsplan goed te begrijpen. Wij leren door het heiligdom begrijpen hoe Christus het zondeprobleem in ons leven en in het universum zal oplossen. Wij worden gesterkt in ons geloof en weten hoe we doelgericht kunnen samenwerken met Christus.

Een tijd om klaar te zijn

Het is Gods bedoeling dat het goede nieuws van de laatste fase van Christus' werk aan de gehele wereld wordt gepredikt. Centraal in deze boodschap staat het eeuwig evangelie dat met spoed moet verkondigd worden want "het uur van Zijn oordeel is gekomen" (Op. 14:7). Deze luide roep waarschuwt de wereld dat Gods oordeel nu plaatsvindt.

We leven nu in de tijd van het tegenbeeld van de Grote Verzoendag. Zoals de Israelieten worden ook wij geroepen ons te verootmoedigen en ons hart te onderzoeken (Lev. 23:27), daarom roept God Zijn volk op om zich van harte te bekeren. Allen die hun naam willen behouden in het boek des levens moeten hun leven richten naar Gods licht en alles in orde brengen met hun naaste. Dit is ons werk in de tijd van het oordeel (Op. 14:7).

Christus' hogepriesterlijk werk loopt op zijn eind. De genadetijd voor de mensheid tikt haar laatste momenten. Niemand weet wanneer Gods stem de afsluiting zal verkondigen. Christus zei, "Ziet toe, blijft waakzaam. Want gij weet niet, wanneer het de tijd is" (Marcus 13:33)

Niettegenstaande we in de tijd leven van het oordeel, hoeven we niet te vrezen. Jezus Christus is ons offer en onze priester in het hemels heiligdom. "Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd"(Heb. 4:14-16).