Het heiligdom p.2

De verkondiging van de boodschap „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” is de uitnodiging om met Christus door het geloof binnen te gaan in het heilige der heiligen om daar voorbereid te worden op de bruiloft.

De volgelingen van Christus moeten zijn „gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.” (Lucas 12:36). Maar zij moeten Zijn werk begrijpen en moeten Hem in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt. In die zin moeten wij „het binnengaan in de bruiloftszaal” interpreteren.

Allen die op grond van de Schrift dezelfde waarheid aannemen en Christus in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt om zijn verzoeningswerk af te sluiten om daarna het Koninkrijk te ontvangen, worden voorgesteld door de maagden die de bruiloftszaal binnengaan.

In de gelijkenis van Mattheüs 22 wordt hetzelfde beeld van de bruiloft gebruikt en wordt duidelijk gezegd dat het onderzoekend oordeel vóór de bruiloft plaatsvindt. Voor de bruiloft komt de koning binnen om na te gaan of alle genodigden het bruiloftskleed - het smetteloze kleed van het karakter, gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams (Matteüs 22:11; Openbaring 7:14) - aan hebben.

Iedereen die gewogen en te licht bevonden is, wordt buitengeworpen, maar allen die bij het onderzoek hun bruiloftskleed aan hebben, worden door God aangenomen en waardig geacht tot zijn Koninkrijk te behoren en op zijn troon te zitten. Dit karakteronderzoek, dat moet uitmaken wie gereed is om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, is het onderzoekend oordeel, dat de dienst in het hemelse heiligdom afsluit.

Wanneer het onderzoekend oordeel ten einde is en het leven van allen die zich in de loop der eeuwen volgelingen van Christus hebben genoemd, is onderzocht en wanneer er een beslissing is gevallen, dan en niet eerder, zal er een einde komen aan de genadetijd en zal de deur der genade worden gesloten. Een korte zin, „En die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten”, beschrijft de tijd van het laatste optreden van Christus als onze middelaar en het ogenblik dat het verlossingswerk ten behoeve van de mens zal zijn voltooid.

Bij de dienst in het heiligdom op aarde, dat dus een afbeelding was van het hemelse, kwam er een eind aan de diensten in het eerste deel wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag in het heilige der heiligen binnenging. God had uitdrukkelijk gezegd: „Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt” (Leviticus 16:17).

Toen Christus dus het heilige der heiligen binnenging om het verzoeningswerk af te sluiten, kwam er ook een eind aan zijn dienst in de eerste afdeling, maar op het ogenblik dat er een eind was gekomen aan de dienst in het heilige, begon zijn dienst in het heilige der heiligen. Wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag het heilige verliet, kwam hij met het bloed van het zondoffer voor God ten behoeve van alle Israëlieten die oprecht berouw hadden over hun zonden. Christus had dus pas een deel van zijn hogepriesterlijk werk gedaan en begon aan het tweede deel. Ook toen bleef Hij met zijn bloed pleiten voor de Vader ten behoeve van zondaren.

„Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent. Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten.” (Openbaring 3:7,8).

Wie door het geloof Jezus volgt in Zijn verzoeningswerk zal de weldaden van Christus’ bemiddeling ontvangen, maar wie het licht dat inzicht verschaft in dit werk van de hand wijst, zal niets ontvangen. De Joden, die het licht verwierpen dat God hun schonk bij Christus’ eerste komst en ook weigerden Hem als Verlosser der wereld aan te nemen, konden geen vergiffenis krijgen door Christus.

Toen Jezus na zijn hemelvaart met zijn eigen bloed in het hemelse heiligdom ging om de zegeningen van zijn bemiddeling op de discipelen uit te storten, werden de Joden in volslagen duisternis gelaten en bleven ze hun nutteloze offers brengen. Er was een eind gekomen aan de schaduwdienst. De deur waardoor de mensen vroeger tot God konden komen, was niet meer open.

De Joden wilden niet tot Hem komen op de enige manier die toen mogelijk was; door zijn hogepriesterlijk werk in het hemelse heiligdom. Daarom hadden zij geen contact met God. De deur was voor hen gesloten. Ze wisten niet dat Christus het ware zondoffer en de enige middelaar was. Daarom konden ze de zegeningen van zijn voorspraak onmogelijk ontvangen. De toestand van de ongelovige Joden lijkt erg veel op die van de onverschillige en ongelovige christenen; ze willen opzettelijk niets weten van het werk van onze barmhartige Hogepriester. Bij de oudtestamentische heiligdomsdienst moesten alle Israëlieten samenkomen rond het heiligdom en „zich op de meest plechtige wijze voor God verootmoedigen” wanneer de hogepriester het heilige der heiligen binnenging, opdat ze vergiffenis zouden krijgen en opdat ze niet zouden worden uitgesloten. Het is in deze tijd, de tijd van het tegenbeeld van de Grote Verzoendag op aarde, dan ook des te belangrijker dat wij het werk van onze Hogepriester begrijpen en weten welke verplichtingen er op ons rusten.

De mens kan de waarschuwingen die God hem in zijn genade zendt niet ongestraft verwerpen. In de tijd van Noach werd er een boodschap uit de hemel naar de aarde gezonden. De redding van de mensen hing af van de manier waarop zij op die boodschap reageerden. Toen ze die waarschuwingsboodschap hadden verworpen, werd Gods Geest van hen weggenomen en verdronken ze in het water van de zondvloed. In de tijd van Abraham wilde God niet langer pleiten met de schuldige inwoners van Sodom, en allen - met uitzondering van Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters - werden verteerd door het vuur dat uit de hemel kwam. Zo was het ook in de tijd van Christus.

Gods Zoon sprak tot de ongelovige Joden van zijn tijd: „Zie uw huis wordt aan u overgelaten.” (Mattheüs 23:38). Dezelfde oneindige Macht zei met betrekking tot degenen die in de eindtijd zouden leven en „de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben”: „Daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.” (2 Tessalonicenzen 2:10-12). Wanneer ze de leer van zijn Woord verwerpen, trekt Hij zijn Geest terug en geeft hen over aan de dwalingen die zij liefhebben.

Maar Christus bemiddelt nog altijd tussen God en de mensen en zij die zoeken zullen licht ontvangen.

Het begrijpen en geloven van deze waarheden helpen ons om ook de drie engelen boodschap beter te begrijpen en haar waarde voor deze tijd.

De berekening van de 2300 avonden en morgens
Het onderzoekend oordeel

Terug pagina 1