Bijbelstudies - De laatste dagen - Les 9

Wat gebeurt er met de mens als hij sterft?

met supplement:

Het verlaten van het lichaam (2 Corinthiërs 5:8)
Paulus' verlangen om heen te gaan en met Christus te zijn. (Filippenzen 1:20-25)
De dief aan het kruis (Lucas 23:42, 43)
Jezus die tot de doden predikt (1 Petrus 3:18-20)
De geest van Stefanus (Handelingen 7:59, 60)
De doop voor de doden (1 Corinthiërs 15:29)

1. Waarheen gaat de mens wanneer hij sterft?
Job 21:32: "Hij wordt ten grave gedragen, en voor zijn grafheuvel draagt men zorg."

2. Tot wanneer blijven de goddelozen in hun graf en waartoe worden zij opgewekt?
Job 21:30: "De Heer blijkt dus vromen uit de beproeving te kunnen redden en onrechtvaardigen gevangen te kunnen houden tot de dag van het oordeel, om hen dan te straffen."

"Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap." Job 14:12

3. Tot welke gebeurtenis zou Job blijven wachten in zijn graf?
Job 14:13, 14: "O, geef mij een schuilplaats in het dodenrijk en verberg me daar totdat uw woede is geluwd,
stel een tijd vast en kijk dan weer naar mij om."

Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. 1 Corinthiërs 15:51, 52 .

4. Bij welke gebeurtenis zullen de gestorven gelovigen uit de dood worden opgewekt?
1 Corinthiërs 15:22, 23: "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst."

5. Is koning David al in de hemel?
Handelingen 2:34: "Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten."

6. Waar is koning David nu?
Handelingen 2:29: " Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag."

7. Wat is er van hem geworden?
Handelingen 13:36: "Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet, en hij heeft wel ontbinding gezien"

8. Hoe zal God de doden opwekken?
1 Thessalonicenzen 4:16: "want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan."

"En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere."
Matteus 24:31 .

9. Waar blijven de doden wachten op dat moment?
Job 17:13: Wanneer ik het dodenrijk verwacht als mijn tehuis, in de duisternis mijn leger spreid, tot de groeve zeg: Gij zijt mijn vader, tot de wormen: Mijn moeder en mijn zuster, waar ergens is dan mijn hoop? Ja, mijn verwachting, wie kan haar ontdekken?

10. Waar zei Jezus dat de doden waren?
Johannes 5:28: "Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen."

11. Welke woorden gebruikte Jezus om te zeggen dat Zijn vriend dood was?
Johannes 11:11: "Zo sprak Hij en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken."

12. Op welke wijze verwees David naar zijn dood?
Psalm 13:3: "Aanschouw toch, antwoord mij, HERE, mijn God! Verlicht mijn ogen, opdat ik niet inslape ten dode."

13. Welke woorden gebruikte Paulus om te zeggen dat sommigen die Jezus gezien hadden nu dood waren?
1 Corinthiërs 15:6: "ervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen."

14. Indien er geen opstanding zou zijn, wat zou er dan gebeuren met alleen die ontslapen zijn?
1 Corinthiërs 15:18: "Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren."

15. Hoe zei Jezus dat Hij nog niet de hemel was geweest toen Hij verrees?
Johannes 20:17: " Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader?

16. Hoeveel weet een dode?
Prediker 9:5: "De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten."

17. Wat gebeurt er met zijn gevoelens en verlangens?
Prediker 9:6: "Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt."

18. Wat gebeurt er met al zijn plannen?
Psalm 146:4: "gaat zijn adem uit, dan keert hij weder tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn plannen."

19. Wat kunnen we doen terwijl we leven?
Psalm 146:2 : "Ik zal de HERE loven, mijn leven lang, mijn God psalmzingen, zolang ik nog ben."

20. Kunnen zij die gestorven zijn de Here loven?
Psalm 115:17: "Niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald."

"De levende, de levende, hij looft U, zoals ik heden doe." Jesaja38:19 .

21. Kunnen de doden God danken of aan Hem denken?
Psalm 6:5: "Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zou U loven in het dodenrijk?"

22. Waarom zullen veel mensen verloren gaan?
2 Thessalonicenzen 2:10: "en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden."

23. Kunnen we in de dood nog iets van God verwachten?
Jesaja 38:18: "Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw."

24. Hoe moeten we dan de korte tijd waarin we leven gebruiken?
Prediker 9:10: "Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat." want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat."

25. Waarom is het zo belangrijk om het nu te doen?
Prediker 9:10: "want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat."

Verdere verdieping in het supplement bij deze les.


In het licht van Gods Woord...(antwoord voor jezelf met ja of nee)

Ik begrijp dat de doden zich in hun graf bevinden en niets meer weten.

Ik begrijp dat de doden wachten op de opstanding ten leven of de opstanding ten dode.

Heb je nog vragen? e-mail

Volgende les: Wat is een ziel?



Supplement bij les 9

Een onderzoek van teksten die soms gebruikt worden om te beweren dat de doden een bewustzijn hebben.

Het verlaten van het lichaam (2 Corinthiërs 5:8)
Paulus' verlangen om heen te gaan en met Christus te zijn. (Filippenzen 1:20-25)
De dief aan het kruis (Lucas 23:42, 43)
Jezus die tot de doden predikt (1 Peter 3:18-20)
De geest van Stefanus (Handelingen 7:59, 60)
De doop voor de doden (1 Corinthiërs 15:29)

Het verlaten van het lichaam

In 2 Corinthiërs 5:8 spreekt Paulus over het verlaten van zijn lichaam om met Jezus te zijn. Betekent dit dat als iemand sterft hij zijn lichaam verlaat en bij de Here komt? Laten we de volledig context lezen om te leren wat de apostel zegt.

In hoofdstuk 4 heeft Paulus het over de moeilijkheden en het lijden die ons in dit leven overkomen. Maar hij zegt erbij dat het lijden van de tegenwoordige tijd niets is vergeleken bij de heerlijkheid die ons te wachten staat in het toekomende leven (4:17). We hoeven ons geen zorgen te maken over wat met dit lichaam zal gebeuren. Nu zijn we maar aarden vaten (4:7). De Here zal ons op een dag een nieuw lichaam schenken, een lichaam dat nooit zal vergaan.

In hoofdstuk vijf bespreekt Paulus de twee lichamen, het aardse en het eeuwige. hij verwijst er figuurlijk naar als woningen. "Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis."

Vervolgens uit de apostel zijn verlangen om met het onsterfelijke lichaam bekleed te worden. "Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden." Bekleed worden betekent hier te leven in een lichaam. In dit leven zijn we bekleed met een sterfelijk lichaam. In het komende leven zullen we bekleed worden met een onsterfelijk lichaam.

Let op de nadruk die Paulus legt in vers 3. "als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden."
Indien bekleed zijn betekent dat we in een lichaam vertoeven dan betekent naakt zijn dat we zonder lichaam zijn. Merk op dat Paulus ons heel duidelijk maakt dat het toekomende leven een leven is waar we bekleed en niet naakt zullen zijn! Er is hier dus helemaal niets te vinden dat een leven zonder lichaam ondersteunt. Sprekende over het toekomstige leven, zegt hij, "Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden." Paulus verlangt dus naar een toestand waarin hij bekleed is d.w.z woont in een lichaam.

Wanneer dan zullen we dit onsterfelijk lichaam ontvangen? Wanneer zal "het sterfelijke door het leven worden verslonden"(vers 4)?
Voor de Corinthiërs was het antwoord al gegeven in Paulus' eerste brief. Het hele vijftiende hoofdstuk had hij gewijd aan het onderwerp van de opstanding. Daar had hij hen duidelijk uitgelegd wanneer het sterfelijk door het onsterfelijke zou verslonden worden: "in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning."
(1 Corinthiërs 15:52-54).

Wanneer zal dat gebeuren? Bij de laatste bazuin, bij de opstanding, bij de wederkomst van Jezus. Dan zal er gezegd worden, " Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?" (1 Corinthiërs 15:55).

Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst (1 Corinthiërs 15:22, 23).

Tot hiertoe hebben we geleerd dat: (1) Er geen leven bestaat in onbeklede, lichaamloze staat; en (2) we bij Christus wederkomst terug tot het leven worden opgewekt.

Laten we teruggaan naar 2 Corinthiërs 5. Bij dit punt in de tekst begint Paulus een evaluatie te maken van de twee lichamen, het sterfelijke lichaam dat we nu bezitten, en het onsterfelijke lichaam dat we zullen ontvangen bij de wederkomst en de opstanding. Houd in gedachten dat Paulus deze discussie voert om zijn lezers te bemoedigen in het tegenwoordige lijden. Niet alleen zal het opgewekte lichaam onvergankelijk en eeuwig zijn, er is nog een andere factor die het veel wenselijker maakt dan het tegenwoordige leven. Deze factor is de aanwezigheid van de Here.

Dit thema van 'het zijn bij de Here' wordt ook teruggevonden in Paulus' eerste brief aan de Thessalonicenzen: want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen."
(1 Thessalonicenzen 4:16-18).

Bij zijn beschouwing van de twee lichamen, het tegenwoordige en het toekomstige leven, verlangde Paulus naar het voorrecht dat alleen in het toekomstige leven bestaat nl. lichamelijk bij de Here te zijn. Daarom vervolgt hij in 2 Corinthiërs 5:6-8, daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam[tegenwoordig] ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zij (want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen) maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.

Denk eraan dat Paulus geen toestand van lichaamloosheid beschrijft. Hij verwijst naar het moment waarop hij het onsterfelijke lichaam zal ontvangen. Het lichaam dat dan verlaten zal zijn is het tegenwoordige aardse lichaam, maar dit zal hem niet naakt (zonder lichaam) voor God stellen. Bij God zal hij bekleed zijn met het onsterfelijke lichaam. Dat is wat hij duidelijk heeft gemaakt in de vorige verzen.

Let er ook op, op welke wijze Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:16, 17, verwacht bij de Here te komen. Hij beschrijft de komst van Christus in al Zijn heerlijkheid, de opstanding van de doden, en de opneming van de heiligen die leven bij de wederkomst. Dan zegt hij "en zo zullen wij altijd met de Here wezen." Het woord zo betekent, op deze manier. Hij zegt dus op welke wijze we bij de Here zullen komen.

Als het dus door de komst van de Here en de opstanding is dat we bij de Here zullen komen, is het duidelijk dat we niet bij de Here zijn voor deze gebeurtenissen. Uit bovenstaande feiten is duidelijk dat Paulus niet dacht bij de Here te zijn tijdens zijn dood. Zijn verlangen was niet naar de dood. Hij keek uit over het graf en over de opstanding heen, naar het heerlijke moment waarop hij Jezus van aangezicht tot aangezicht zou zien om voor altijd bij Hem te zijn.

Paulus' verlangen om heen te gaan en met Christus te zijn.

Een ander schriftgedeelte dat sommigen in verwarring brengt is Filippenzen 1:20-25. Sommigen hebben deze verzen gebruikt om een leer te ondersteunen die in tegenstelling is met Paulus' duidelijke onderwijzing betreffende de dood. Wanneer we echter deze tekst objectief bekijken, komen we tot de vaststelling dat ze volledige in overeenstemming is met de rest van de Bijbel.

Er zijn enkele verzen uit de passage die ons Paulus' gedachtengang duidelijk maken. Hij spreekt daar over mijn vurig verlangen en hoop, wat ik moet kiezen, mijn verlangen, wat nodig is. Dit zijn geen uitdrukkingen die iemand gebruikt wanneer hij een leerstellig onderricht wilt geven. Hij opent zichzelf voor zijn lezers en laat hen zijn diepste persoonlijke wensen horen.

Paulus' grootste wens in deze verzen is dat Christus in zijn lichaam mag verheerlijkt worden, zij het in het leven, zij het in de dood. Voor hem is het moeilijk te zeggen wat het beste is, te leven of de sterven. Wat het ook is, hij wilt dat doen wat Christus het meest verheerlijkt.

Hij verlangt om met Christus te zijn. Hij weet dat hij met Hem zal zijn in het toekomende leven. Dat is voor hem een heerlijke gedachte. In het besef echterdat zijn opdracht in dit leven nog niet af is, besluit hij met te zeggen, "in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het geloof verblijden."

De zin waarover sommige mensen gevallen zijn is Paulus verlangen om heen te gaan, en met Christus te zijn. Hij zegt echter niet dat hij zal heengaan en onmiddelijk met Christus zal zijn. Hij heeft het ook niet over een buitenlichamelijke aanwezigheid bij Christus; want zijn verlangen was Christus te verheerlijken in zijn lichaam.

Het doel van zijn huidige discussie maakt het niet nodig om af te dwalen in de details van het verval van zijn lichaam, de gedachtenloosheid van de dood die een slaap is, en de details van de opstanding. Dat is niet het onderwerp van zijn schrijven. En toch beschrijven de woorden die hij gebruikt in alle duidelijkheid de ervaring van de dood. Hij die gestorven is, registreert de tijd niet. Duizenden jaren kunnen voorbijgaan. De doden weten daar niets van. Bij het eerste bewustzijn na de opstanding is de afstand naar hun stervensdag als een knippering van het oog. Paulus wist dat het eerste waarvan hij zich na zijn sterven bewust zou zijn, de aanwezigheid van Christus was. Zijn beschrijving gaat uit van zijn eigen belevingswereld en sluit volledig aan bij zijn leerstellig onderwijs betreffende de toestand van de doden.

Wanneer verwachtte Paulus bij Christus te zijn? In 2 Thessalonicenzen legt hij duidelijk uit dat de komst van de Here Jezus Christus en ons samenkomen met Hem op hetzelfde moment gebeuren. In Colossenzen 3:4 zegt Paulus, Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.
Wij zullen voor de wederkomst van Christus in heerlijkheid en kracht, niet bij Hem zijn.

Ook in Timoteus 4:8 spreekt Paulus van de verschijning van Christus. "Voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad." Paulus besefte dat de krans der rechtvaardigheid op hem zou liggen wachten tot de wederkomst van Christus. Pas op de dag van Christus' verschijning zal hij de kroon krijgen.

De dief aan het kruis

Lucas 23:42, 43: "En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt.
En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."

Sommige mensen beweren dat het gesprek waarvan Lucas 23:42 verslag geeft, erop wijst dat de rechtvaardigen onmiddelijk na hun dood naar het paradijs gaan.

Om die belofte waar te maken moesten zowel de dief als Christus dezelfde dag voor zonsondergang in de hemel zijn.

Laat ons nagaan of dit zo was. Ging Jezus dezelfde dag naar de hemel? De Bijbel zegt van niet. Toen Jezus verrees zei Hij, "Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader" (Johannes 20:17). Jezus ging dus die dag niet naar de hemel. Ging de dief naar de hemel? De Bijbel vertelt in Johannes 19:31-34 dat de soldaten op het einde van de dag gingen kijken of de dieven nog leefden. Ze leefden allebei nog en de soldaten moesten hun benen breken om hen te laten sterven voor de Sabbat. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat de dief nog dezelfde dag in de hemel kwam.

Vertelde Jezus dan een leugen? Nee. Het probleem wordt eenvoudig opgelost wanneer we weten dat de Bijbel in de grondtekst geen leestekens kent. De komma's werden honderden jaren later toegevoegd toen men de Bijbel vertaalde. In Lucas 23:43 had men de komma na het woord 'heden' moeten plaatsen in de plaats van ervoor, dan lezen we: "Voorwaar, Ik zeg u heden, gij zult met Mij in het paradijs zijn.

Jezus had die dag een belofte die Hij niet zou breken. Want "wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon.
Dan zal de koning ... zeggen: “... kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is" (Matteus 25:31-34). "Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden" (Matteus 16:27). En dat was alles waar de dief om vroeg. Hij vroeg niet om die zelfde dag naar het paradijs te gaan. Hij zei gewoon, "Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt."

Jezus die tot de doden predikt

"Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden" 1 Petrus 3:18-20.

Er zijn mensen die geloven dat Jezus van Zijn dood gebruik maakte maakte om met de doden te spreken. Ze steunen daarbij op de tekst die we vinden in 1 Peter 3:18-20, een tekstgedeelte die we samen zullen onderzoeken.

Het is steeds belangrijk ons eraan te herinneren dat de Bijbel zichzelf niet tegenspreekt. Wat dit vers zegt moet in harmonie zijn met wat de rest van de Bijbel leert over dit onderwerp. Indien het anders zou zijn konden we de Bijbel niet beschouwen als het geïnspireerde woord van God.

Jesaja 38:18 zegt, Want het dodenrijk looft U niet, de dood prijst U niet; wie in de groeve zijn neergedaald, hopen niet op uw trouw.
Het zou geen enkele zin hebben dat Jezus zou prediken tot hen die geen hoop kunnen hebben.

De Bijbel zegt ook dat de doden niets weten (Prediker 9:5). Prediken tot de doden past niet in het beeld dat de Bijbel over de dood geeft.

Laat ons kijken naar 1 Petrus 3:18-20 en onderzoeken wat het zegt. Vers 18 zegt ons dat Jezus gedood werd naar het vlees maar levend gemaakt door de geest. Het is wanneer de doden worden opgewekt dat ze levend worden gemaakt door de geest.(Johannes 5:21).

De tekst in 1 Petrus 3 vertelt niet wanneer Jezus werd levend gemaakt. Twee dingen worden ons verteld: (1) dat Jezus ter dood werd gebracht, en (2) dat Hij terug werd opgewekt ten leven. Om erachter te komen wanneer Hij levend werd gemaakt, moeten we naar het verslag gaan in de evangeliën. Daar lezen we dat Jezus gekruisigd werd op de dag van de voorbereiding (Matteus 27:62), en dat Hij terug tot leven kwam op de eerste dag van de week (Matteus 28:1). Het verslag dat de Schrift geeft is duidelijk.

Onze tekst zegt dat Jezus door de geest werd levend gemaakt. Dat is door de Heilige Geest. Jezus zelf verklaarde dat het de Geest is die levend maakt (Johannes 6:63).

Door de Schrift met de Schrift te vergelijken krijgen we een goede uitleg van vers 18. Jezus werd op de vrijdagnamiddag ter dood gebracht, en door de geest opgewekt op de zondagmorgen.(zie Joodse feesten voor meer uitleg over het tijdstip van Jezus' sterven)

De volgende drie woorden in de tekst zijn 'in welke Hij ook'. Het woord ook wijst erop dat hier over een andere gebeurtenis zal gesproken worden. De gemeenschappelijk factor in beide gebeurtenissen, is de betrokkenheid van de Heilige Geest. Christus werd door de Geest levend gemaakt, door de Geest predikte Hij het woord.

Door de Heilige Geest geleid sprak Jezus tot de geesten die gevangen waren. Het woord geesten betekent hier gewoon mensen. De Bijbel gebruikt dikwijls een beeldspraak waarbij een karakteristiek onderdeel van iets verwijst naar het geheel. Daar de geest of de levensadem van een persoon een karakteristiek onderdeel is van de persoon, wordt het woord geest soms gebruikt om een persoon voor te stellen. Een ander voorbeeld hiervan vinden we in 1 Corinthiërs 16:18: "want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt." In Galaten 6:18 en 2 Timoteus 4:22 betekent uw geest gewoon 'u'.

De gevangenis wordt op andere plaatsen in de Bijbel gebruikt om te verwijzen naar de toestand, waarin zij die gevangen zitten in de zonde, zich bevinden. "Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast.
(Spreuken 5:22). "Door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men".
Het werk van het evangelie bestaat erin, "om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis". (Jesaja 61:1. Zie ook Jesaja 42:7, 22).

Met deze gedachte zegt 1 Petrus 3:19 dat het door de Heilige Geest was dat Christus ook tot hen sprak die door de zonde gevangen waren. Merk op dat vers 19 ons niet zegt wanneer deze prediking plaats vond. Om dat te weten te komen, moeten we vers 20 lezen, die zegt:"in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden". Vers 19 en 20 spreken dus over wat er gebeurde in de dagen van Noach!

Noach werd een prediker der gerechtigheid genoemd (2 Petrus 2:5). Door zijn prediking werkte de Heilige Geest aan de harten van de mensen. Maar omwille van hun boosheid en hun weigering om God te gehoorzamen, zei de Here, "Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn." (Genesis 6:3). Noach predikte gedurende 120 jaar. Deze mensen hadden meer gelegenheid om het evangelie te horen dan elke andere generatie. Weinigen echter werden gered. Toen de 120 jaar op was, was hun gelegenheid om verlost te worden voor altijd voorbij. Ze zouden het evangelie niet meer horen.

Petrus zei niet dat Jezus iets deed terwijl Hij dood was. Hij sprak door de Heilige Geest tot de mensen in de dagen van Noach, terwijl de ark werd klaargemaakt.

Meer zegt deze tekst niet. Ze zegt niets over een vagevuur. Ze maakt geen gewag van lichaamloze geesten. Ze zegt helemaal niets over het spreken tot dode mensen.

1 Petrus 4:6 zegt ons dat het evangelie werd gepredikt (verleden tijd) tot mensen die dood zijn (tegenwoordige tijd). Nu zijn ze dood, maar nergens wordt gezegd dat ze dood waren toen het evangelie tot hen werd gebracht. Zo'n bewering zou alles wat de Bijbel leert over de toestand van de dood, verlossing en Gods rechtvaardigheid tegenspreken. "De levende, de levende, hij looft U...de vader maakt zijn zonen uw trouw bekend". (Jesaja 38:19).

De geest van Stefanus

Wat gebeurde er met de geest van Stefanus toen hij stierf? Hetzelfde wat er gebeurd met de geest van iedere mens die sterft. Het vers vinden we in Handelingen 7:59, 60. Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij tot God en zei, "Heer Jezus, ontvang mijn geest."

Uw geest is de levenskracht die tot God behoort. Wanneer je sterft verlies je die levenskracht. Wanneer de Bijbel zegt dat de levensadem naar God terugkeert, beweert ze niet dat deze iets meedraagt van onze mentale vermogens. Het menselijke bewustzijn is een fysiologisch proces dat afhankelijk is van zenuwen en weefsel. Met betrekking tot de mens spreekt de Bijbel nooit of enig bewustzijn van lichaamloze geesten.

De doop voor de doden

Leert Paulus in 1 Corinthiërs 15:29 dat we ons moeten laten dopen voor de doden? Nee dat doet hij niet.

Dit hoofdstuk bespreekt de opstanding. De conclusie die we bekomen uit de studie van dit vers moeten we zien als een argument ter ondersteuning van het geloof in de opstanding. De redenering gaat als volgt: "Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen?" Hij promoot hier niet het geloof in een bewustzijn tijdens de dood maar een opstanding na de dood.

Waarschijnlijk verwees Paulus hier naar een heidense gewoonte waar men zich liet dopen voor de doden. Merk op dat hij verwijst naar 'zij.' Hij zegt niet, 'wij' moeten ons laten dopen voor de doden. Hij zegt gewoon dat 'zij' deze praktijk hebben. Zonder deze gewoonte goed te keuren, zei hij, "Zelfs de heidenen die zich laten dopen voor hun doden geloven dat er een opstanding is. Waarom anders zouden zij zich voor hen dopen? Een gelijkaardig argument gebruikt hij in de verzen 16-18 waar hij zegt, "Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt...Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren."
De enige hoop voor de doden is in de opstanding.

De Bijbel onderwijst duidelijk dat iemand zich persoonlijk moet bekeren, geloven in Christus, zijn zonden belijden, en gedoopt worden om gered te worden (Handelingen 2:38; Johannes 3:16; 1 Johannes 1:9). "Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, uw behoudenis bewerken met vreze en beven." Je kunt alleen je eigen verlossing bewerken (Filippenzen 2:12). "Niet één zoon of dochter zullen ze kunnen redden, hun rechtvaardigheid redt alleen henzelf."(Ezechiël 14:20). Niemand kan ook maar op enige manier zijn broeder redden of een losprijs betalen voor hem (Psalm 49:7). "De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf."(Ezechiël 18:20).

Zij die in hun zonden sterven krijgen geen gelegenheid meer om zich te bekeren. "Zie, nu is het de tijd des welbehagens zie, nu is het de dag des heils."(2 Corinthiërs 6:2). "Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat." (Prediker 9:10). Nu terwijl we nog leven, het bloed door onze aderen stroomt, terwijl we nog in de mogelijkheid zijn om in te gaan om Christus' uitnodiging is het de tijd om ons volledig aan Jezus te geven.

Terug