Een waarschuwing verworpen p.2

Rome is de macht die zovele eeuwen achtereen een despotische heerschappij heeft gevoerd over de koningen van de christelijke wereld. Het purper en scharlaken, het goud, de edelstenen en de parels geven een duidelijk beeld van de pracht en koninklijke praal die de hoogmoedige paus van Rome ten toon spreidt. Van geen enkele andere macht kan men met het volste recht zeggen dat zij „dronken is van het bloed der heiligen” als juist van die kerk die de volgelingen van Christus zo wreed heeft vervolgd. Babylon wordt er ook van beschuldigd in een onwettige verhouding met „de koningen der aarde” te hebben geleefd. Door van God af te wijken en een verbintenis met de heidenen aan te gaan, is de Joodse gemeente een hoer geworden, Rome, dat zichzelf op gelijkaardige wijze heeft verdorven door het zoeken van steun bij wereldlijke machten, hoort hetzelfde oordeel over zich uitspreken.

Babylon wordt „de moeder van de hoeren” genoemd. Haar dochters moeten dan de kerken voorstellen die haar leer en overlevering onderschrijven en haar voorbeeld volgen door de waarheid op te offeren en Gods goedkeuring prijs te geven ten einde een onwettige verbintenis met de wereld aan te gaan. De boodschap van Openbaring 14, die de val van Babylon voorzegt, moet van toepassing zijn op godsdienstige groeperingen die eens rein waren, maar nu verdorven zijn. Aangezien deze boodschap volgt op de waarschuwing tegen het oordeel, moet ze in de eindtijd worden verkondigd en kan ze dus betrekking hebben op de rooms-katholieke kerk, want die kerk is al eeuwen afvallig. Bovendien wordt Gods volk in het achttiende hoofdstuk van de Openbaring opgeroepen uit Babylon te gaan. In welke godsdienstige instelling kan men op dit ogenblik de overgrote meerderheid van de volgelingen van Christus vinden? Zonder enige twijfel in de protestantse kerken. In de tijd van hun ontstaan hebben deze kerken edelmoedig voor God en de waarheid gekozen, en rustte zijn zegen op hen. Zelfs de ongelovige wereld moest de positieve resultaten die volgden op het aannemen van de beginselen van het evangelie erkennen. De woorden van de profeet Ezechiël waren op hen van toepassing: „Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee Ik u getooid had, luidt het woord van de Here HERE.” Maar ze zijn gevallen door dezelfde begeerte die de vloek en de ondergang van Israël werd: de wens om de gebruiken van de goddelozen na te volgen en de vriendschap van de ongelovigen te zoeken. „Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd.” (Ezechiël 16:14,15).

Veel protestantse kerken volgen Rome’s voorbeeld van de verderfelijke verbintenis met „de koningen der aarde”; de staatskerken door hun betrekkingen met de wereldlijke overheid en de andere kerken doordat zij ernaar streven de gunst van de wereld te winnen. De term „Babylon” - verwarring - is heel toepasselijk voor deze instellingen, daar ze allemaal beweren dat hun leer bijbels is, maar toch in een bijna ontelbaar aantal sekten met zeer tegenstrijdige geloofspunten en theorieën uiteenvallen.

Naast een zondige verhouding met de wereld hebben de kerken die zich van Rome hebben afgescheiden nog andere kenmerken. Een rooms-katholiek werk beweert dat, „als de kerk van Rome ooit schuldig is geweest aan afgodendienst in verband met de heiligen, haar dochter, de ‘Anglicaanse Kerk’, daar even schuldig aan is, daar tien van haar kerken aan Maria zijn gewijd tegen één die aan Christus is gewijd.” (Richard Challoner, The Catholic Christian Instructed, Preface, pp. 21, 22).

In „Een verhandeling over het Millennium” zegt dr. Hopkins: „Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de antichristelijke geest en gebruiken beperkt zijn tot wat men tegenwoordig de kerk van Rome noemt. De protestantse kerken hebben veel anti-christelijke elementen en zijn nog lang niet volledig gezuiverd van... verdorvenheid en ongerechtigheid.” (Samuel Hopkins, Works, vol. 2, p. 328). Dr. Guthrie schrijft over de afscheiding van de presbyteriaanse kerk van die van Rome het volgende: „Driehonderd jaar geleden trad onze kerk met een open Bijbel in haar banier en met de leus ‘Onderzoekt de Schriften’ uit de Rooms-Katholieke Kerk.” Hij stelt dan de belangrijke vraag: „Zijn wij wel volledig uit Babylon gegaan?” (Thomas Guthrie, The Gospel in Ezekiel, p. 237).

Spurgeon zegt: „De ‘Anglicaanse Kerk’ schijnt overwoekerd te zijn door het sacramentalisme, maar de andere, afgescheiden kerken schijnen bijna evenzeer doortrokken te zijn van ongeloof. Mensen van wie we beter hadden verwacht, keren zich één voor één af van de grondslagen van het geloof. Ik ben ervan overtuigd dat zelfs het hart van Engeland overwoekerd is door een verderfelijk ongeloof dat bovendien nog op de kansel durft te gaan staan en zichzelf christelijk durft te noemen.”

Wat is de oorsprong van de grote afval geweest? Hoe is de kerk afgeweken van de evangelische eenvoud? Door de gebruiken van het heidendom aan te nemen om het de heidenen makkelijk te maken tot het christendom over te gaan. De apostel Paulus zei al in zijn dagen: „Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking.” (2 Tessalonicenzen 2:7). Gedurende de tijd van de apostelen is de gemeente betrekkelijk zuiver gebleven. Maar „tegen het einde van de tweede eeuw hadden de meeste gemeenten een gedaanteverwisseling ondergaan. De oorspronkelijke eenvoud was er niet meer en naarmate de oude discipelen in het graf werden gelegd, traden hun kinderen met de nieuwe bekeerlingen onmerkbaar op de voorgrond en gaven het christendom een andere gedaante.” (Robert Robinson, Eccliastical Researches, ch. 6, par. 17, p. 51). De verheven banier van het christelijk geloof werd omlaag gehaald om zieltjes te winnen en het gevolg daarvan was dat „een heidense vloedgolf de gemeente binnenspoelde en heidense gebruiken, praktijken en afgoden achterliet.” (Gavazzi, Lectures, p. 278). Naarmate het christendom in de gunst kwam te staan bij en steun kreeg van wereldlijke heersers, werd het slechts in naam aangenomen door de grote massa. Terwijl velen in schijn christenen waren, bleven ze „in wezen heidenen, die in het geheim vooral hun afgoden aanbaden.” (Ibid., p. 278).

Heeft dezelfde geschiedenis zich niet herhaald in bijna elke kerk die zich protestants noemt? Toen de stichters, die de ware hervormingsgeest hadden, waren gestorven, traden hun opvolgers op de voorgrond en zorgden voor een „gedaanteverwisseling”. Doordat ze zich blindelings vastklampten aan het geloof van hun vaderen, maar weigerden iedere nieuwe waarheid aan te nemen, zijn de kinderen van de hervormers erg afgeweken van hun voorbeeld van nederigheid, zelfopoffering en wereldverzaking. Op die manier „verdwijnt de oorspronkelijke eenvoud.” Een wereldse vloedgolf spoelt de kerk binnen en „laat heidense gebruiken, praktijken en afgoden achter.”

Ongelukkig genoeg stellen vele gelovigen „vriendschap met de wereld”, die „vijandschap tegen God” is, tegenwoordig bijzonder op prijs! De populaire kerken in de christelijke wereld zijn erg afgeweken van de bijbelse maatstaf van nederigheid, zelfverloochening, eenvoud en godsvrucht. John Wesley zei met betrekking tot het juiste gebruik van geld: „Verspil geen cent van zo’n kostbaar bezit aan overbodige en dure kleren of aan overbodige versierselen alleen maar om de begeerte der ogen te bevredigen. Verspil het niet aan allerlei onnodige voorwerpen voor uw huis, aan overbodige of kostbare meubelen, aan dure schilderijen, prenten of goudwerk... Geef geen cent uit om op grote voet te leven, om de bewondering en de lof van de mensen te winnen... ‘Zolang u veel geld uitgeeft, zullen de mensen goed van u spreken’. Zolang u in purperen gewaden en in fijn linnen gekleed gaat en ‘iedere dag overdadig leeft’, zullen velen ongetwijfeld uw goede smaak, vrijgevigheid en gastvrijheid loven. Maar betaal niet zo’n hoge prijs voor hun lof. Wees liever tevreden met de eer die van God komt.” (Wesley, Works, Sermon 50, „The Use of Money”). Maar in veel kerken van onze tijd worden deze opvattingen verworpen.

Lid zijn van een kerk is tegenwoordig populair in de wereld. Ministers, politici, advocaten, dokters, zakenlieden sluiten zich bij een of andere kerk aan als een middel om de achting en het vertrouwen van de maatschappij te winnen en om hun eigen wereldse belangen te bevorderen. Op die manier proberen zij al hun oneerlijke praktijken te verbergen onder de dekmantel van het christendom. De verschillende christelijke instellingen worden door de rijkdom en de invloed van deze gedoopte wereldlingen gesteund en ze proberen nog meer in de gunst te komen en de steun van de mensen te krijgen. Prachtige kerken, op de meest buitensporige manier ingericht, worden in de drukste straten gebouwd. De kerkgangers hebben de duurste kleren aan en zijn volgens de laatste mode gekleed. Men betaalt een hoog salaris aan een welsprekend predikant om de mensen aangenaam bezig te houden en aan te trekken. Zijn preken mogen niet handelen over algemeen voorkomende zonden, maar moeten vlot zijn en het oor strelen. Zo worden zondaren in kerkregisters ingeschreven en worden algemeen aanvaarde zonden bedekt onder een schijn van godsvrucht.

Eén van de belangrijkste niet-kerkelijke tijdschriften geeft het volgende commentaar op de houding van zogenaamde christenen tegenover de wereld: „Ongemerkt heeft de kerk toegegeven aan de tijdgeest en heeft ze haar vormen van aanbidding aangepast aan de moderne behoeften”. „De kerk bedient zich nu inderdaad van alle middelen die er toe bijdragen de godsdienst aantrekkelijk te maken”. Een schrijver in de Independent van New York zegt het volgende over het methodisme: „De scheidingslijn tussen het goddelijke en het goddeloze vervaagt en ijverige mannen aan beide zijden van die lijn proberen elk verschil tussen elkaars handelwijze en genoegens uit te wissen.” „De populariteit van de godsdienst draagt er in belangrijke mate toe bij dat het aantal mensen die er wel de voordelen van willen hebben, zonder eerlijk aan de verplichtingen te voldoen, toeneemt.”

Howard Crosby zegt: „Het is een uitermate verontrustende zaak dat de gemeente van Christus zo weinig beantwoordt aan hetgeen de Here met zijn gemeente heeft voorgehad. Net zoals de Israëlieten God uit het oog hebben verloren door hun vertrouwelijke omgang met heidense volken... is de gemeente nu door een vals bondgenootschap met een ongelovige wereld de goddelijke beginselen van haar ware leven aan het prijsgeven en is zij zich aan het overgeven aan de verderfelijke, maar toch vaak verklaarbare gewoonten van een onchristelijke maatschappij. Ze gebruikt daarbij argumenten en trekt conclusies die niets van doen hebben met de openbaring van God en in strijd zijn met elke groei in genade.” (The Healthy Christian: An Appeal to the Church, pp. 141, 142).

In deze vloed van wereldsgezindheid en genotzucht zijn zelfverloochening en zelfopoffering om Christus’ wil bijna volledig verdwenen. „Sommige mannen en vrouwen die nu een functie in onze gemeente bekleden, hebben als kind offers leren brengen om iets aan Christus te kunnen geven of iets voor Hem te doen.” Maar „als er nu geld nodig is... hoeft men niemand te vragen om iets te geven. O nee! Men organiseert een liefdadigheidsbazaar, een ontspanningsavond of geeft een liefdadigheidsbanket - als het maar iets is waar de mensen plezier aan beleven.”

Gouverneur Washburn van de staat Wisconsin zei in zijn nieuwjaarsboodschap van 9 januari 1873: „Er schijnen wetten nodig te zijn om scholen waar dobbelaars gekweekt worden op te doeken. Die scholen bestaan overal. De kerk doet zonder het te beseffen mee aan het werk van de duivel. Concerten, ‘party’s’, loterijen, die soms worden gehouden om godsdienstige of liefdadige instellingen te steunen, maar vaak ook voor minder goede doeleinden worden georganiseerd, zijn allemaal manieren om aan geld te komen zonder een tegenprestatie te leveren. Er is niets dat zozeer bijdraagt tot zedenverval en geestelijke afstomping - vooral onder de jongeren - als het krijgen van geld en goederen zonder er arbeid voor te moeten verrichten. Daar eerbare burgers aan deze kansspelen deelnemen en hun geweten sussen met de gedachte dat het geld voor een goed doel is, is het niet verwonderlijk dat de jongeren die in onze staat wonen zo vaak verslaafd raken aan gewoonten die bijna zeker veroorzaakt worden door de opwinding die gepaard gaat met kansspelen.”

De christelijke kerken zijn hoe langer hoe meer bereid zich aan de wereld aan te passen. Robert Atkins heeft in een preek in Londen een somber beeld geschilderd van het geestelijk verval in Engeland: „De ware rechtvaardigen zijn in aantal afgenomen en niemand bekommert zich erom. De gelovigen van vandaag - ongeacht tot welke kerk ze behoren - hebben zich aan de wereld aangepast, ze zijn gemakzuchtig en willen door anderen worden gewaardeerd. Ze zijn geroepen om met Christus te lijden, maar schrikken al terug voor een verwijt... Afvalligheid, afvalligheid, afvalligheid is in de gevel van elke kerk gebeiteld. En als zij dat wisten en het voelden, zou er nog hoop zijn, maar helaas, zij zeggen: `Wij zijn rijk en wij hebben ons verrijkt en hebben aan niets gebrek.’” (Second Advent Library, tract No. 39).

De grote zonde die Babylon ten laste wordt gelegd, is dat ze „van de wijn van de hartstocht harer hoererij” al de volken te drinken heeft gegeven. Deze bedwelmende beker die zij aan de wereld geeft, stelt de valse leer voor die ze heeft aangenomen door haar onwettige verbintenis met de groten van deze aarde. Vriendschap met de wereld heeft het geloof van de kerk verdorven en zij oefent op haar beurt een verderfelijke invloed uit op de wereld door het onderwijzen van valse leerstellingen, die in strijd zijn met de duidelijke uitspraken van de Heilige Schrift.

Rome heeft de mensen de Bijbel onthouden en heeft geëist dat alle mensen in plaats daarvan haar leer zouden aannemen. De Hervorming heeft de Bijbel aan de mensen teruggegeven. Maar is het niet heel vaak zo dat in de kerken van onze tijd de mensen geleerd wordt hun geloof en hun leerstellingen veeleer op de geloofsbelijdenis dan op de Schrift te bouwen? Charles Beecher heeft over de protestantse kerken gezegd: „Zij deinzen met dezelfde gevoeligheid terug voor een hard woord tegen hun geloofsijver als de heilige vaders gedaan zouden hebben voor een hard woord tegen de toenemende verering van heiligen en martelaren, een verering die zij zelf aanmoedigden... De protestantse kerken hebben hun eigen en elkaars handen zo vast gebonden dat niemand ergens predikant kan worden zonder een of ander boek aan te nemen naast de Bijbel... Er is niets denkbeeldigs in de uitspraak dat de macht van de geloofsbelijdenis tegenwoordig de Bijbel op dezelfde manier begint te verbieden als Rome dat gedaan heeft, maar op een subtielere manier.” (Preek over „The Bible a Sufficient Creed”, gehouden te Fort Wayne, Indiana, 22 februari 1846).

Wanneer trouwe leraren Gods Woord uitleggen, zeggen geleerde mannen - predikanten die de Schrift beweren te kennen - dat de gezonde leer ketterij is en brengen degenen die naar waarheid zoeken daardoor op een dwaalspoor. Als de wereld niet hopeloos bedwelmd was door de wijn van Babylon zouden grote groepen mensen overtuigd en bekeerd worden door de duidelijke, scherpsnijdende waarheid van Gods Woord. Maar het geloof blijkt zo verward en tegenstrijdig te zijn dat de mensen niet weten wat ze als waarheid moeten aannemen. De schuld van de onboetvaardigheid van de wereld ligt bij de kerk.

De boodschap van de tweede engel van Openbaring 14 werd voor het eerst in de zomer van 1844 verkondigd en was toen in het bijzonder van toepassing op de kerken van de Verenigde Staten, waar de waarschuwing voor het oordeel op zeer grote schaal was verkondigd, maar door de meesten was verworpen en waar de afval in de kerken het snelst was geweest. De boodschap van de tweede engel ging echter niet volledig in vervulling in 1844. In de kerken was er toen een moreel verval omdat ze hadden geweigerd het licht van de Adventboodschap aan te nemen. Toch was dit zedenverval niet volledig. Omdat ze volhardden in hun afwijzing van de waarheid voor deze tijd, zijn ze steeds dieper gezonken. Toch kan men nog niet zeggen: „Babylon is gevallen... omdat zij al de volken van de wijn van de hartstocht harer hoererij heeft doen drinken”. Dit is nog niet met alle volken gebeurd. De geest van aanpassing aan de wereld en de onverschilligheid tegenover de beslissende waarheid voor onze tijd bestaan en hebben terrein gewonnen in de protestantse kerken in alle landen van de christelijke wereld en deze kerken vallen ook onder het plechtige en vreselijke oordeel van de tweede engel. Maar de afval heeft zijn dieptepunt nog niet bereikt.

De Bijbel zegt dat voor de wederkomst van Christus, Satan „met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid” zal werken. Zij die „de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden” zullen een dwaling ontvangen, „die bewerkt, dat zij de leugen geloven.” (2 Tessalonicenzen 2:9-11). Pas wanneer deze voorwaarde is vervuld en in de hele christelijke wereld de eenheid van de kerk met de wereld volledig is bereikt, zal Babylon helemaal vallen. Deze verandering vindt geleidelijk plaats en de volledige vervulling van Openbaring 14:8 ligt nog in de toekomst.

Ondanks de geestelijke duisternis en vervreemding van God die voorkomen in de kerken waaruit Babylon bestaat, kan men nog altijd een zeer grote groep ware volgelingen van Christus in al die kerken vinden. Er zijn velen onder hen die de bijzondere waarheid voor deze tijd nog nooit hebben gehoord. Velen zijn ontevreden over hun geestelijke toestand en verlangen naar meer licht. Ze zoeken tevergeefs naar het beeld van Christus in de kerken waartoe ze behoren. Naarmate deze kerken steeds verder van de waarheid afdwalen en zich steeds meer bij de wereld aansluiten, zal het verschil tussen de twee groepen groter worden en zal het tot een scheiding komen. Er zal een ogenblik komen dat zij die God in de eerste plaats liefhebben niet langer in contact kunnen blijven met degenen „met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben.”

Openbaring 18 heeft betrekking op de tijd wanneer de kerk door de verwerping van de drievoudige waarschuwing van Openbaring 14:6-12 de voorwaarde zal hebben vervuld die door de tweede engel is voorzegd, en Gods volk dat nog in Babylon is, zal worden opgeroepen om er definitief mee te breken. Dit is de laatste boodschap die ooit aan de wereld zal worden gebracht en ze zal haar doel niet missen. Wanneer zij die „de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid” (2 Tessalonicenzen 2:12), zullen worden overgegeven aan de dwaling, en de leugen zullen geloven, zal het licht van de waarheid schijnen in de harten van allen die bereid zijn het te ontvangen, en al de kinderen van God die in Babylon zijn, zullen gevolg geven aan de oproep: „Gaat uit van haar, mijn volk.” (Openbaring 18:4).

Terug pagina 8 pagina 10