Een waarschuwing verworpen p.1

William Miller en zijn medewerkers wilden door de verkondiging van de wederkomst de mensen alleen bewust maken van de noodzaak zich op het oordeel voor te bereiden. Ze hadden ernaar gestreefd de gelovigen de ware hoop van de gemeente te leren kennen en hen bewust te maken van hun behoefte aan een rijkere christelijke ervaring. Zij spanden zich ook in om onbekeerde mensen te wijzen op hun verplichting onmiddellijk tot inkeer te komen en zich tot God te bekeren. „Zij probeerden de mensen er niet toe over te halen zich bij één of andere sekte of godsdienstige groepering aan te sluiten. Ze werkten onder alle groeperingen en sekten, maar lieten zich niet in met hun organisatie of kerktucht.”

Miller zei: „Bij mijn prediking heb ik er nooit naar verlangd of aan gedacht belangen te dienen die in strijd zouden zijn met die van de bestaande kerken of om één daarvan te bevoordelen ten nadele van de andere. Ik heb ze allemaal willen helpen. Aangezien ik van de veronderstelling uitging dat alle christenen zich zouden verheugen over het vooruitzicht van Christus’ wederkomst en dat zij die er anders over dachten dan ik, de anderen die deze leer wel aannamen daarom niet minder zouden liefhebben, kon ik niet inzien dat er afzonderlijke bijeenkomsten moesten worden gehouden. Mijn enig doel was zielen tot God te brengen, de wereld te waarschuwen voor het komende oordeel en mijn medemensen aan te sporen zich zó voor te bereiden dat ze hun God in vrede zouden kunnen ontmoeten. De overgrote meerderheid van de mensen die door mijn inspanningen werden bekeerd, sloten zich aan bij de bestaande kerken.” (Bliss, p. 328).

Daar zijn werk over het algemeen de positie van de kerken versterkte, stond men er enige tijd gunstig tegenover. Maar toen predikanten en godsdienstige leiders zich tegen het adventisme begonnen te verzetten en elke discussie over het onderwerp de kop wilden indrukken, deden ze dat niet alleen vanaf de kansel, maar ze ontzegden hun leden ook het recht een preek over de wederkomst bij te wonen of zelfs maar over hun verwachtingen te spreken op de sociale bijeenkomsten van de kerk. Op die manier kwamen de gelovigen in een zeer moeilijk parket. Zij hielden van hun kerk en wilden die niet verlaten, maar als zij zagen hoe Gods Woord werd onderdrukt en hoorden dat ze niet het recht hadden de profetieën zelf te onderzoeken, vonden zij dat ze God niet trouw waren als ze zich daar bij neerlegden. Ze konden de mensen die Gods Woord probeerden te onderdrukken niet als leden van Christus’ gemeente, „een pijler en fundament der waarheid”, beschouwen. Daarom meenden ze het recht te hebben hun vroegere banden te verbreken. In de zomer van 1844 verlieten ongeveer vijftigduizend mensen hun kerken.

In die tijd was er een ingrijpende verandering merkbaar in de kerken van de Verenigde Staten. In de loop der jaren hadden de kerken zich hoe langer hoe meer aan de gebruiken en gewoonten van de wereld aangepast en was hun geestelijk leven in dezelfde mate achteruit gegaan, maar in dat jaar waren er in bijna alle kerken van het land bewijzen van een plotse en duidelijke afval. Hoewel niemand een verklaring voor de oorzaak scheen te kunnen geven, was het verschijnsel zelf overal merkbaar en werd er in de pers en in preken commentaar op gegeven.

Op een vergadering van de ouderlingenraad van Philadelphia zei Barnes, schrijver van een veel gebruikte bijbelcommentaar en predikant van één van de belangrijkste kerken in die stad, „dat hij al twintig jaar predikant was en nog nooit - tot de laatste Avondmaalsviering - deze tekenen had uitgedeeld zonder dat bij die gelegenheid een aantal nieuwe leden in de gemeente waren opgenomen. Nu waren er echter geen opwekkingen, geen bekeringen, geen duidelijke groei in genade onder de gelovigen; niemand kwam hem opzoeken om over de verlossing te spreken. Door de bloei van het zakenleven en de betere vooruitzichten voor handel en industrie is er een grotere wereldsgezindheid. En dat geldt voor alle kerken.” (Congregational Journal, 23 mei 1844).

In de maand februari van hetzelfde jaar zei professor Finney van het Oberlin College: „Wij stellen vast dat de protestantse kerken van ons land over het algemeen onverschillig òf vijandig staan tegenover bijna alle morele hervormingen van onze tijd. Er zijn hier en daar wel uitzonderingen, maar ze zijn niet talrijk genoeg om iets af te doen aan de algemeenheid van het verschijnsel. Wij hebben ook een ander feit vastgesteld; de bijna algemene afwezigheid van een invloed tot opwekking in de kerken. Onverschilligheid op geestelijk gebied overheerst bijna alles en is erg diepgeworteld. De godsdienstige pers van het hele land getuigt daarvan... Kerkleden beginnen op grote schaal verslaafd te raken aan de mode, - ze gaan hand in hand met ongelovigen naar feestjes, danspartijen, enz... Maar we hoeven niet uit te weiden over dit pijnlijke onderwerp. Het is al erg genoeg dat er altijd meer en duidelijkere bewijzen zijn die aantonen dat de kerken over het algemeen erg aan het ontaarden zijn. Ze zijn zeer ver van God afgedwaald en Hij heeft Zich van hen teruggetrokken.”

Een verslaggever van de „Religious Telescope” schreef: „Wij hebben nog nooit zo’n algemene geloofsafval meegemaakt als nu. Het wordt echt tijd dat de kerk wakker wordt en gaat zoeken naar de oorzaak van deze crisis, want iedereen die Sion liefheeft moet dit verschijnsel als een plaag beschouwen. Wanneer we bedenken hoe weinig echte bekeringen er zijn en hoe ontzettend onbeschaamd en hartvochtig de zondaren zijn, dan roepen wij onwillekeurig uit: `Is God dan niet meer barmhartig?’ of `Is de deur van de genade al gesloten?’”

Zo’n toestand komt nooit voor zonder dat er ook een oorzaak voor is in de kerk. De geestelijke duisternis die volken, kerken en personen omhult, is niet te wijten aan de willekeurige terugtrekking van de bijstand van de goddelijke genade door God zelf, maar ontstaat door de verwaarlozing en verwerping van het goddelijk licht door de mensen. Een treffend voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van het Joodse volk ten tijde van Christus. Door hun liefde voor de wereld en het vergeten van God en zijn Woord was hun verstand verduisterd en was hun hart werelds en zinnelijk geworden. Daardoor wisten ze niets af van de komst van de Messias en in hun hoogmoed en ongeloof verwierpen zij de Verlosser. Maar zelfs toen heeft God het Joodse volk niet afgesneden van de kennis van of deelname aan de zegeningen van de verlossing. Maar zij die de waarheid hadden verworpen, verlangden helemaal niet meer naar het geschenk van de hemel. Ze hadden de duisternis voorgesteld als licht en het licht als duisternis, totdat het beetje licht dat ze nog hadden in duisternis was overgegaan. En hoe groot was die duisternis!

Het is één van Satans methoden de mensen hun godsdienstige vormen te laten behouden als de ware godsvrucht maar ontbreekt. Na hun verwerping van het evangelie bleven de Joden ijverig doorgaan met hun oude rituele handelingen. Zij hielden hun nationale exclusiviteit hardnekkig in stand, terwijl zij zelf wel moesten toegeven dat God niet langer in hun midden was. De profetie van Daniël wees zo duidelijk op de tijd van de komst van de Messias en voorzegde zo onmiskenbaar zijn dood dat zij het onderzoek van die profetie tegenwerkten. Tenslotte spraken de rabbijnen een vloek uit over iedereen die de tijd wilde berekenen. Het volk van Israël heeft in de eeuwen die daarop volgden in blindheid en onboetvaardigheid geleefd, het stond onverschillig tegenover de edelmoedige aanbiedingen tot verlossing, het wilde niets weten van de zegeningen van het evangelie; dit is een ernstige en vreselijke waarschuwing tegen het gevaar dat men loopt als men licht uit de hemel verwerpt.

Dezelfde oorzaken hebben altijd dezelfde gevolgen. Wie zijn plichtsgevoel opzettelijk onderdrukt omdat het niet in overeenstemming is met zijn neigingen, zal op den duur geen onderscheid meer kunnen maken tussen waarheid en dwaling. Het verstand wordt verduisterd, het geweten wordt afgestompt, het hart wordt verhard en de geest wordt van God vervreemd. Waar de boodschap van goddelijke waarheid wordt verworpen of veracht, wordt de kerk in duisternis gehuld, verkillen geloof en liefde, en sluipen vervreemding en tweedracht binnen. De leden van de gemeente wijden hun belangstelling en krachten aan het najagen van wereldse zaken en de zondaren worden verhard in hun onboetvaardigheid.

De boodschap van de eerste engel in Openbaring 14, die de ure van Gods oordeel aankondigt en een beroep doet op de mensen om God te vrezen en Hem eer te geven, was bedoeld om scheiding te brengen tussen de ware kinderen van God en de verderfelijke invloed van de wereld en moest hen ertoe aanzetten zich bewust te worden van hun eigen wereldsgezindheid en afvalligheid. In deze boodschap heeft God de gemeente een waarschuwing gezonden, die - als ze was aanvaard - een eind zou hebben gemaakt aan het kwaad dat hen van God verwijderde. Als zij deze boodschap uit de hemel hadden aangenomen, hun harten voor God hadden verootmoedigd en er in alle oprechtheid naar hadden gestreefd zich voor te bereiden om in zijn aanwezigheid te leven, zouden de Geest en de kracht Gods zich onder hen geopenbaard hebben. De gemeente zou weer die gezegende eenheid, het geloof en de liefde hebben gekend die bestonden in de tijd van de apostelen, toen de gelovigen „één van hart en geest” waren en „het woord van God met vrijmoedigheid spraken”, toen „de Here dagelijks aan de kring toevoegde.” (Handelingen 4:32,31; 2:47).

Als Gods volk het licht wilde aannemen zoals het vanuit zijn Woord tot hen komt, zouden zij de eenheid bereiken waarvoor Christus heeft gebeden, een eenheid die door de apostel wordt beschreven als „de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes.” Hij zegt: „(Er is) één lichaam, en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop.” (Efeziërs 4:3-5).

De gelovigen die de Adventboodschap hadden aangenomen, hebben deze gezegende resultaten ervaren. Zij kwamen uit verschillende kerken, maar de scheidsmuren die tussen de verschillende kerken bestonden, werden met de grond gelijk gemaakt. Tegenstrijdige geloofspunten werden weggewerkt. De onbijbelse verwachting van een duizendjarig rijk op aarde voor Christus’ wederkomst werd opgegeven. Verkeerde opvattingen over de wederkomst werden rechtgezet. Hoogmoed en gelijkvormigheid aan deze wereld werden prijsgegeven. Het verkeerde dat men had gedaan werd weer goedgemaakt. De harten werden verenigd in de heerlijkste gemeenschap. Liefde en vreugde overheersten alles. Als deze leer dit tot stand heeft gebracht voor de weinigen die haar hebben aangenomen, had ze hetzelfde kunnen doen voor alle anderen, als ze haar ook hadden aangenomen.

Maar de kerken hebben over het algemeen de waarschuwing verworpen. Hun predikanten zouden als wachters „over het huis Israëls” de eersten moeten zijn geweest om de tekenen van Christus’ wederkomst te onderscheiden, maar ze hadden de waarheid noch door het getuigenis van de profeten, noch door de tekenen des tijds leren kennen. Naarmate wereldse verwachtingen en ambities hun harten hadden vervuld, waren de liefde voor God en het geloof in zijn Woord verkoeld. Toen de Adventboodschap werd verkondigd, wekte dat slechts hun vooroordeel en ongeloof op. Het feit dat de boodschap grotendeels door leken werd verkondigd, werd als een argument ertegen beschouwd. Zoals vroeger werd ondanks het duidelijke getuigenis van Gods Woord de vraag gesteld: „Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?” Toen ze inzagen hoe moeilijk het was om de argumenten die op de profetische tijdrekening waren gebaseerd te weerleggen, werkten velen het onderzoek van de profetieën tegen en beweerden ze dat de profetische boeken verzegeld waren en niet konden worden begrepen. Zeer veel mensen stelden een blind vertrouwen in hun predikanten en weigerden naar de waarschuwing te luisteren. Anderen waren wel van de waarheid overtuigd, maar durfden er niet openlijk voor uit te komen uit vrees dat ze „uit de synagoge zouden worden gebannen.” De boodschap die God had gezonden om zijn gemeente te louteren en te reinigen, bewees heel duidelijk dat er velen waren die hun hart aan deze wereld hadden verpand in plaats van het aan Christus te geven. De banden waarmee ze aan de aarde waren gebonden, waren sterker dan de aantrekkingskracht van boven. Zij gaven er de voorkeur aan te luisteren naar de stem van de wereldse wijsheid en keerden zich af van de boodschap der waarheid, die het hart doorzoekt.

Door hun verwerping van de waarschuwing van de eerste engel hebben ze ook de middelen verworpen die de hemel voor hun herstel had geschonken. Ze hebben de genadige boodschapper verworpen, die het kwaad dat scheiding bracht tussen hen en God te niet zou doen. Ze hebben toen met een nog groter verlangen de vriendschap van de wereld gezocht. Dat was de oorzaak van de vreselijke wereldsgezindheid, de afvalligheid en de geestelijke dood die in 1844 in de kerken bestond. In Openbaring 14 wordt de eerste engel gevolgd door een tweede, die uitroept: „Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen drinken.” (Openbaring 14:8). De term „Babylon” is afgeleid van „Babel” en betekent ‘verwarring’. Deze naam wordt in de Schrift gebruikt om verschillende vormen van valse of afvallige godsdienst aan te duiden. In Openbaring 17 wordt Babylon voorgesteld door een vrouw - een beeld dat in de Bijbel wordt gebruikt als het symbool van een gemeente; een deugdzame vrouw stelt een reine gemeente voor en een onreine vrouw stelt een afvallige gemeente voor.

In de Bijbel wordt het heilige en onveranderlijke karakter van de verhouding tussen Christus en zijn gemeente voorgesteld door de huwelijksband. De Here heeft zijn volk met Zichzelf verbonden door een plechtig verbond: Hij heeft beloofd dat zij zijn volk zouden zijn en zij hebben beloofd van Hem en van Hem alleen te zijn. Hij zegt: „Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming.” (Hosea 2:18). En ook: „Ik ben Heer over u.” (Jeremia 3:14). Paulus gebruikt hetzelfde beeld in het Nieuwe Testament wanneer hij zegt: „Want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen.” (2 Korintiërs 11:2).

De ontrouw van de gemeente tegenover Christus blijkt uit het feit dat zij Hem haar vertrouwen en liefde niet schenkt en dat zij de ziel in beslag laat nemen door liefde voor wereldse zaken. Deze ontrouw wordt vergeleken met het verbreken van de huwelijksbelofte. De zonde die Israël heeft begaan door zich van de Here te verwijderen, wordt door dit beeld voorgesteld en de wonderbaarlijke liefde van God, die zij daardoor afgewezen hebben, wordt door deze treffende woorden uitgedrukt: „Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werd gij de mijne.” „En gij werd uitermate schoon, ja, het koningschap waardig. Zo ging er een roep van u uit onder de volken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt, dank zij de sieraden waarmee ik u getooid had (...). Maar gij hebt op uw schoonheid vertrouwd en ontucht gepleegd, trots op uw faam, en gij hebt aan iedere voorbijganger uw ontucht opgedrongen: het zou voor hem zijn.” „Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is!” „Zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar vriend, zo zijt gij Mij ontrouw geworden, huis Israëls, luidt het woord des Heren.” (Ezechiël 16:8,13-15,32; Jeremia 3:20).

In het Nieuwe Testament worden woorden van gelijke strekking gericht tot mensen die zich christenen noemen, maar de vriendschap van de wereld verkiezen boven Gods gunst. De apostel Jacobus zegt: „Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.”

In Openbaring 17 lezen wij dat de vrouw (Babylon) gehuld was „in purper en scharlaken en rijk versierd met goud, edelgesteente en paarlen, en zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen, en de onreinheden van haar hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon, moeder van de hoeren.” De profeet zegt: „En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus.” Babylon wordt ook nog genoemd „de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen der aarde.” (Openbaring 17:4-6,18).

 

Terug pagina 7 pagina 9