Een grote godsdienstige opwekking p.2

Velen die beweerden dat ze Jezus liefhadden, zeiden dat ze niets hadden tegen de boodschap van de wederkomst, maar wél tegen het vaststellen van een datum. Maar Gods alziend oog doorzag hun harten. Zij wilden niet weten dat Christus zou terugkomen om de wereld in gerechtigheid te oordelen. Ze waren ontrouwe dienstknechten geweest, hun werk was niet bestand tegen het onderzoek van een God die de harten doorzoekt en ze waren bang om hun God te ontmoeten. Zoals de Joden ten tijde van Christus' eerste komst waren zij niet bereid Christus te verwelkomen. Zij weigerden niet alleen te luisteren naar de duidelijke argumenten uit de Bijbel maar dreven de spot met hen die Christus verwachtten. Satan en zijn engelen juichten en spotten met Christus en zijn heilige engelen omdat mensen die zich voor zijn volgelingen uitgaven zó weinig liefde voor Hem over hadden dat ze niet eens wilden dat Hij terugkeerde.

De mensen die het Adventgeloof niet wilden aannemen, zeiden meestal: „Doch van die dag en van die ure weet niemand." De volledige tekst luidt echter: „Doch van die dag en ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen." (Mattheüs 24:36).

De ware Adventgelovigen gaven een duidelijke en steekhoudende verklaring van deze tekst en toonden aan dat de anderen deze tekst geweld aandeden. Deze woorden zijn door Christus uitgesproken in dat gedenkwaardige gesprek op de Olijfberg nadat Hij de tempel voor de laatste keer had verlaten. Zijn discipelen hadden Hem gevraagd: „Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?" Jezus heeft hun verscheidene tekenen gegeven en heeft gezegd: „Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur?" (vers 3, 33).

Men mag de ene uitspraak van Christus niet gebruiken om de andere te niet te doen. Hoewel niemand de dag en het uur van zijn wederkomst kent, wordt ons geleerd en wordt van ons verwacht dat wij weten wanneer zijn komst nabij is. Er wordt ons ook geleerd dat als wij geen aandacht schenken aan zijn waarschuwing en als wij weigeren of vergeten te letten op zijn komst, ons lot even erg zal zijn als dat van de mensen die leefden in de dagen van Noach, die ook niet wisten dat de zondvloed zou komen.

De gelijkenis in hetzelfde hoofdstuk, waarin de trouwe, verstandige dienstknecht wordt vergeleken met de slechte, en waarin hij die in zijn hart gezegd heeft: „Mijn Heer blijft uit", veroordeeld wordt, toont aan hoe Christus zijn volgelingen die Hij wakende vindt en die zijn wederkomst verkondigen, zal beschouwen en hoe Hij de anderen die dit niet doen zal beoordelen. Hij zegt: „Waakt dan!"

„Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden." (vers 42, 46). „Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen." (Openbaring 3:3).

Paulus spreekt over een groep mensen die zullen worden verrast door de wederkomst van Christus. „Immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht. Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen." Maar hij voegt er voor degenen die wél aandacht hebben geschonken aan de waarschuwing van de Heer nog aan toe: „Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; want gij zijn allen kinderen des lichts en kinderen des dags." (l Tessalonicenzen 5:2-5).

Zo werd duidelijk bewezen dat de Bijbel de mensen geen enkele reden geeft om niet te weten dat de wederkomst van Christus nabij is. Maar zij die alleen een uitvlucht zochten om de waarheid te verwerpen, luisterden niet naar deze uitleg en de woorden „Doch van die dag en die ure weet niemand" werden voortdurend rondgebazuind door de stoutmoedige spotters en zelfs door predikanten die beweer­den dat ze Christus predikten. Toen de mensen uit hun geestelijke slaap werden wakker geschud en naar de weg der zaligheid begonnen te vragen, stelden godsdienstige leiders zich op tussen hen en de waarheid en probeerden hun vrees te milderen door een verkeerde uitleg van het Woord van God. Ontrouwe wachters deden mee aan het werk van de grote verleider en riepen: „Vrede, vrede!" op een ogenblik dat God het helemaal niet over vrede had. Zoals de Farizeeën in Christus' dagen weigerden velen het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan en hielden ook de anderen die dat wél wilden tegen. Het bloed van deze zielen zal van hun handen worden geëist.

De nederigste en meest toegewijde mensen in de kerken namen gewoonlijk de boodschap het eerst aan. Zij die de Bijbel zelf onderzoch­ten, moesten wel het onbijbelse karakter van de populaire opvattingen over de profetie inzien en overal waar de mensen niet onder invloed van de predikanten stonden, overal waar ze Gods Woord zelf konden onderzoeken, hoefden ze de Adventboodschap maar met de Schrift te vergelijken om het goddelijke gezag van die boodschap vast te stellen.

Velen werden door hun ongelovige broeders vervolgd. Sommige gelovigen waren bereid over hun verwachtingen te zwijgen als ze hun functie in de kerk mochten blijven uitoefenen. Anderen waren echter van mening dat ze God niet trouw waren als ze zwegen over de waarheid die Hij hun had toevertrouwd. Velen werden uit hun kerken verstoten omdat ze openlijk hun geloof in de wederkomst van Christus beleden. Voor de gelovigen die op deze manier in hun geloof werden beproefd, brachten de woorden van de profeet Jesaja troost: „Uw

broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de HERE zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen.

Maar zij zelf zullen beschaamd staan." (Jesaja 66:5).

Engelen Gods volgden de resultaten van de waarschuwing met de grootste belangstelling. Wanneer de boodschap algemeen werd ver­worpen in een kerk keerden de engelen zich bedroefd af. Maar er waren nog velen die nog niet op de proef waren gesteld in verband met de Adventwaarheid. Velen werden misleid door hun man, vrouw, ouders of kinderen. Men beweerde dat ze al zondigden als ze naar de ketterijen die de adventisten verkondigden, luisterden. De engelen kregen de opdracht zorgvuldig te waken over deze mensen, want er zou nog meer licht van de troon van God op hen schijnen.

Met een onuitsprekelijk verlangen zagen de gelovigen die de boodschap hadden aangenomen uit naar de wederkomst van hun Heiland. Het ogenblik waarop ze Hem hoopten te ontmoeten naderde snel. Zij wachtten dat tijdstip kalm en gelaten af. Zij leefden voortdurend in contact met God en hadden al een voorsmaak van de vrede die er zou heersen in een gelukzalig hiernamaals.

Niemand die deze hoop en dit vertrouwen heeft gehad, kan die heerlijke uren, in afwachting doorgebracht, vergeten. Enkele weken vóór die tijd had men alle wereldse zaken grotendeels aan de kant gezet. De oprechte gelovigen onderzochten elke gedachte en elk gevoel alsof ze op hun sterfbed lagen en over enkele uren hun ogen voorgoed zouden sluiten. Er werden geen „hemelvaartsklederen" (Zie aanhangsel) gemaakt, maar iedereen had behoefte aan de innerlijke zekerheid dat hij bereid was zijn Verlosser te ontmoeten. Hun witte gewaden waren de reinheid van ziel, en karakters die door het verzoenend bloed van Christus van de zonde waren gereinigd. Was er maar onder de mensen die Gods kinderen beweren te zijn nog dezelfde bereidheid tot gewetensonderzoek en hetzelfde oprechte, vaste geloof!

Als zij zich op dezelfde manier waren blijven verootmoedigen voor God en als zij met dezelfde aandrang met hun smeekbeden tot de troon der genade waren gekomen, zouden zij veel rijkere ervaringen hebben gehad dan nu het geval is. Er wordt te weinig gebeden, men is zich veel te weinig bewust van de zonde en door het gebrek aan een levend geloof blijven velen verstoken van de genade die onze Verlosser hun zo overvloedig wil schenken.

God wilde zijn volk toetsen. Zijn hand bedekte een fout in de berekening van de profetische tijdperken (Zie aanhangsel onder „Profetische tijdperken"). De adventisten hebben de fout niet ontdekt, maar hun geleerdste tegenstanders evenmin! De laatstgenoemden zeiden: „Jullie berekening van de profetische tijdperken is juist. Er moet iets belangrijks gebeuren, maar niet wat Miller voorspelt. Het is de bekering van de wereld en niet de wederkomst van Christus." (Zie aanhangsel, „Profetische tijdperken").

Het vastgestelde tijdperk was verstreken en Christus was niet verschenen om zijn volk te verlossen. Zij die met oprecht geloof en vol liefde naar hun Verlosser hadden uitgekeken, waren bitter teleurgesteld. En toch werden Gods plannen uitgevoerd. Hij onderzocht de harten van de mensen die zeiden dat ze op Jezus wachtten. Voor velen onder hen was vrees de enige drijfveer. Hun geloofsbelijdenis had geen invloed gehad op hun hart of op hun leven. Toen de verwachte gebeurtenis zich niet voordeed, zeiden deze mensen dat ze niet teleurgesteld waren. Ze hadden nooit geloofd dat Christus echt zou terugkomen. Zij waren de eersten om met de teleurstelling van de ware gelovigen de spot te drijven.

Maar Jezus en de hemelse heerscharen keken vol liefde en medelijden naar de beproefde en getrouwe, maar teleurgestelde gelovigen. Als de sluier die de zichtbare van de onzichtbare wereld scheidt, weggeschoven had kunnen worden, zou men engelen hebben gezien die tot deze standvastige gelovigen kwamen om hen tegen de pijlen van Satan te beschermen.

Terug pagina 6 pagina 8