Een grote godsdienstige opwekking p.1

De eerste engel van Openbaring 14 voorzegde een grote godsdienstige opwekking tijdens de verkondiging van Christus' spoedige wederkomst. Johannes zag „een engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft." (vers 6,7).

Het feit dat een engel deze waarschuwing verkondigt is belangrijk. Door de reinheid, heerlijkheid en kracht van de hemelse boodschapper heeft de goddelijke wijsheid het verheven karakter van het werk dat door deze boodschap moest worden volbracht en de kracht en heerlijkheid die met dit werk gepaard zouden gaan, willen duidelijk maken. En het vliegen van de engel „in het midden des hemels", de luide stem waarmee deze waarschuwingsboodschap wordt uitgesproken en de verkondiging „aan hen, die op de aarde gezeten zijn" -„aan alle volk en stam en taal en natie" - wijzen op de snelheid waarmee deze beweging zich zou uitbreiden en op haar wereldomvattend karakter.

De boodschap geeft zelf uitleg over de tijd wanneer deze beweging zou ontstaan. De tekst zegt dat ze een onderdeel is van „het eeuwige evangelie" en het begin van het oordeel aankondigt. De heilsboodschap is in alle eeuwen verkondigd, maar deze boodschap is een onderdeel van het evangelie dat alleen in de eindtijd zou worden gepredikt, want alleen dan zou de ure van zijn oordeel zijn gekomen. De profetieën schetsen de opeenvolging van gebeurtenissen die reiken tot het begin van het oordeel. Dit geldt vooral voor het boek Daniël. Toch moest Daniël op Gods bevel zijn profetieën die betrekking hebben op „het laatste der dagen" verborgen houden en verzegelen „tot de eindtijd." Pas in die tijd zou een boodschap over het oordeel worden verkondigd. Deze boodschap zou gebaseerd zijn op de vervulling van zijn profetieën. Over de eindtijd zegt de profeet Daniël: „Velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen." (Daniël 12:4).

De apostel Paulus heeft de eerste christengemeenten ervoor gewaarschuwd dat ze de wederkomst van Christus niet in zijn dagen hoefden te venvachten. Hij zegt: „Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren." (2 Tessalonicenzen 2:3). Pas na de grote afval en de lange heerschappij van de 'mens der wetteloosheid' mochten de christenen de komst van de Heiland verwachten.

De 'mens der wetteloosheid', die ook 'het geheimenis der wetteloosheid', 'de zoon des verderfs' en 'de tegenstander' genoemd, is het pausdom, dat volgens de profetie gedurende 1260 jaar zou heersen. Aan deze periode kwam een eind in 1798. De wederkomst van Christus kon dus niet vóór die tijd plaatsvinden. Paulus bestrijkt met zijn waarschuwing de hele periode van de christelijke bedeling tot het jaar 1798. Pas na die tijd zou de boodschap van Christus' wederkomst worden verkondigd.

Deze boodschap is in de eeuwen daarvoor nooit verkondigd. Zoals wij hebben gelezen, heeft Paulus haar niet gepredikt. Hij wees zijn broeders op het feit dat de wederkomst pas in een ver verwijderde toekomst zou plaatsvinden. De hervormers hebben het niet gedaan. Maarten Luther meende dat het oordeel ongeveer driehonderd jaar na zijn tijd zou plaatsvinden. Maar sinds 1798 is het boek Daniël ontzegeld, is de kennis over de profetieën vermeerderd en hebben velen de plechtige boodschap dat het oordeel nabij is, verkondigd.

De Adventbeweging is zoals de Hervorming van de zestiende eeuw tegelijkertijd in verschillende christelijke landen ontstaan. Zowel in Europa als in Amerika werden mannen van geloof en gebed ertoe aangezet de profetieën te onderzoeken en toen zij het geïnspireerde Woord bestudeerden, vonden zij daarin het overtuigend bewijs dat „het einde aller dingen" nabij was. In verschillende landen waren er op zichzelf staande groepen christenen die alleen door het onderzoek van de Bijbel tot het geloof kwamen dat de wederkomst van Christus nabij was.

In 1821, drie jaar nadat Miller zijn verklaring van de profetieën die wijzen op de ure van het oordeel had gegeven, begon dr. Joseph Wolff, „de zendeling der wereld", de boodschap van de spoedige wederkomst van Christus te verkondigen. Wolff was in Duitsland gebo­ren uit Joodse ouders. Zijn vader was een Joodse rabbijn. Toen hij die in Christus gestorven zijn het eerst opstaan (1Tessalonicenzen 4:16). Dit noemen wij christenen de eerste opstanding. Dan zal het dierenrijk grondig worden veranderd (Jesaja 11:6-9) en zal het aan Jezus worden onderworpen (Psalm 8). Overal zal er vrede heersen." (Journal of the Rev, Joseph Wolff, pp. 378,379). De Here zal weer de aarde aanschouwen en zeggen: „Zie, het is zeer goed." (Ibid., p.294).

Wolff geloofde dat de wederkomst van Christus nabij was. Zijn uitleg van de profetische tijdperken plaatste „het einde aller dingen" en­kele jaren na het jaartal dat door Miller was voorgesteld. Aan hen die op grond van de tekst „Doch van die dag en van die ure weet nie­mand" meenden dat de mensen niet zullen weten dat de dag van de wederkomst van Christus nadert, zie Wolff: „Heeft de Here gezegd dat die dag en dat uur nooit bekend zouden zijn? Heeft Hij ons geen voortekenen gegeven zodat wij tenminste het naderen van zijn komst zouden zien, zoals men aan het uitbotten van de vijgenboom kan zien dat de zomer nabij is? (Matteüs 24:32).

Zullen wij die tijd nooit kennen, terwijl Hij ons zelf vermaant om de profeet Daniël niet alleen te lezen, maar hem ook te begrijpen? In datzelfde boek van Daniël staat ook dat de woorden verzegeld zouden zijn tot de eindtijd (dat was nog steeds het geval in zijn tijd), dat velen onderzoek zouden doen en dat de kennis (in verband met de eindtijd) zou vermeerderen. (Daniël 12:4). Bovendien bedoelt Christus niet dat het naderen van die tijd niet bekend zal zijn, maar wel dat niemand het juiste uur en de juiste dag zal kennen. Hij zegt dat er door de tekenen des tijds genoeg bekend zal zijn om ons aan te sporen tot onze voorbereiding op zijn komst, zoals ook Noach zijn ark in gereedheid bracht." (Wolf, Researches and Missionary Labors, pp.404,405).

Over de algemeen gangbare, maar verkeerde interpretatie van de Schrift zei Wolff: „De overgrote meerderheid van de christenen is van de duidelijke betekenis van de Schrift afgeweken en is overgestapt naar het 'hersenschimmige' systeem van de boeddhisten, die geloven dat het toekomstige geluk van de mensen zal bestaan in het zweven door de lucht. Ze denken dat wanneer zij Joden lezen ze daaronder Heidenen moeten verstaan; en als er aarde staat hemel moeten lezen en onder de wederkomst van Christus de vooruitgang van zendingsgenootschappen moeten verstaan; en dat het gaan naar de berg van het huis des Heren een grote bijeenkomst van methodisten betekent." (Journal of the Rev. Joseph Wolff, p.96).

In de vierentwintig jaar tussen 1821 tot 1845 heeft Wolff veel gereisd; in Afrika heeft hij Egypte en Abessinië bezocht; in Azië heeft hij gereisd door Palestina, Syrië, Perzië, Bokhara en India. Hij heeft ook een bezoek gebracht aan de Verenigde Staten en heeft op zijn reis daarheen op het eiland St. Helena gepredikt. Hij is in New York aangekomen in augustus 1837 en nadat hij in die stad had gesproken, heeft hij gepredikt in Philadelphia en Baltimore en is tenslotte naar Washington doorgereisd. Hij schrijft daarover: „Hier heeft het Huis van Afgevaardigden na een motie van ex-President John Quincy Adams in één van de 'Huizen' van het Congres mij unaniem toegestaan het Congresgebouw te gebruiken voor een lezing, die ik op een zaterdag heb gegeven. Ik werd vereerd met de aanwezigheid van alle congresleden, de bisschop van Virginia, de geestelijken en vele inwoners van Washington. Dezelfde eer werd mij bewezen door de leden van de regering van New Jersey en Pennsylvanië, in wier aanwezigheid ik lezingen gaf over mijn onderzoekingen in Azië en over het Koninkrijk van Jezus Christus." (Ibid., pp. 398,399).

Dr. Wolff heeft zonder enige steun van een Europese regering in de meest barbaarse landen gereisd. Hij heeft veel ontberingen doorstaan en is omringd geweest door talloze gevaren. Hij is met stokken geslagen, uitgehongerd, als slaaf verkocht en drie keer ter dood veroordeeld. Hij is door rovers aangevallen en is soms bijna van dorst omgekomen. Eens heeft men al zijn bezittingen gestolen en met lege handen moest hij honderden kilometers te voet door de bergen trekken, terwijl de sneeuw hem in het gezicht striemde en zijn blote voeten verkleumd raakten door het lopen op de bevroren grond.

Toen men hem waarschuwde dat hij niet ongewapend naar de wilde en vijandige stammen moest gaan, zei hij dat hij „van wapens was voorzien": „gebed, ijver voor Christus en vertrouwen in zijn bijstand." „Ik heb ook de liefde voor God en voor mijn naaste in mijn hart en mijn Bijbel in de hand." (W.H.D. Adams, In Perils Oft, p. 192).

Waar hij ook heenging, hij had altijd de Bijbel in het Hebreeuws en in het Engels bij zich. Over één van zijn latere reizen schreef hij: „Ik... hield de Bijbel open in mijn hand. Ik voelde dat mijn kracht in dat Boek lag en dat zijn kracht mij zou ondersteunen." (Ibid.,p.201).

Zo volhardde hij in zijn werk tot de boodschap van het oordeel aan een groot deel van de bewoonde wereld was gebracht. Hij had Gods Woord onder de Joden, Turken, Parsen, Hindoes en vele andere volken en rassen verspreid en overal kondigde hij het naderende rijk van de Messias aan.

Op zijn reis door Bokhara kwam hij tot de ontdekking dat een in afzondering levend volk ook geloofde in de spoedige wederkomst. Hij schreef in dit verband: „De Arabieren van Jemen hebben een boek, Seera genaamd, dat ook de wederkomst van Christus en zijn heerschappij in heerlijkheid verkondigt en ze verwachten dat er belangrijke gebeurtenissen zullen plaatsvinden in 1840." (Journal of the Rev. Joseph Wolff, p.377).

,,Ik heb in Jemen zes dagen bij de Rechabieten doorgebracht. Ze drinken geen wijn, planten geen wijngaarden, zaaien niet, wonen in tenten en houden nog altijd de herinnering aan de oude Jonadab, de zoon van Rechab, in ere; en ik heb bij hen ook Israëlieten van de stam Dan aangetroffen... die zoals de afstammelingen van Rechab de spoedige komst van de Messias op de wolken des hemels verwachten." (Ibid., p.389).

Een andere zendeling ontdekte dat de Tartaren dat ook geloofden. Een Tartaars priester vroeg aan de zendeling wanneer Christus zou terugkomen. Toen de zendeling antwoordde dat hij daar niets van wist, scheen de priester erg verbaasd over zo'n onwetendheid bij iemand die zich uitgaf voor bijbelleraar, en zei dat hij op grond van de profetieën geloofde dat Christus omstreeks 1844 zou wederkomen.

De Adventboodschap werd al in 1826 in Engeland verkondigd. De beweging nam er niet zo'n vaste vorm aan als in Amerika. De juiste tijd van de wederkomst werd niet zo algemeen gepredikt, maar de grote waarheid van Christus' spoedige wederkomst met grote macht en heerlijkheid werd overal verkondigd. Dit gebeurde niet alleen in de kerken die niet tot de 'Church of England' behoorden.

Mourant Broek, een Engelse schrijver, zegt immers dat ongeveer zevenhonderd predikanten van de 'Church of England' „dit evangelie van het Koninkrijk" predikten. De boodschap dat Christus in 1844 zou terugkomen, werd ook in Groot-Brittannië verkondigd. Adventistische geschriften uit Amerika werden overal verspreid. Boeken en tijdschriften werden in Engeland opnieuw uitgegeven. In 1842 keerde Robert Winter, een Engelsman van geboorte die het Adventgeloof in Amerika had aangenomen, naar zijn geboorteland terug om de wederkomst van Christus te verkondigen. Velen hielpen hem bij dit werk en de boodschap van het oordeel werd in verschillende delen van Engeland verkondigd.

In Zuid-Amerika vond Lacunza, een Spanjaard en jezuïet, zijn weg naar de Schrift, ondanks de barbaarsheid en de intriges van de priesters in zijn omgeving en nam de waarheid van Christus' spoedige wederkomst aan. Hij voelde zich gedrongen die waarschuwingsboodschap aan anderen te laten horen, maar wilde niet door Rome veroordeeld worden. Daarom publiceerde hij zijn opvattingen onder het pseudoniem „Rabbi Ben-Ezra" en deed zich voor als een bekeerde Jood. Lacunza leefde in de achttiende eeuw, maar zijn boek, dat op een bepaald ogenblik in Londen terecht gekomen was, werd pas omstreeks 1825 in het Engels vertaald. De publicatie daarvan leidde tot een nog grotere belangstelling voor het onderwerp van de wederkomst.

In Duitsland werd deze leer in de achttiende eeuw verkondigd door Bengel, een predikant van de Lutherse kerk en een beroemd bijbelgeleerde en criticus. Na zijn opleiding had Bengel zich op „de studie van de theologie" toegelegd. Hij voelde zich daar van nature toe aangetrokken door zijn ernstig en godsdienstig karakter en werd daarin bovendien erg aangemoedigd door zijn vooropleiding en discipline. Zoals andere ernstige jongeren voor en na hem moest hij strijden tegen twijfel en moeilijkheden op godsdienstig gebied en met veel gevoel zinspeelt hij op de „vele pijlen die zijn arm hart doorboorden en hem een moeilijke jeugd bezorgden".

Toen hij lid van de kerkeraad van Württemberg was geworden, werd hij een voorvechter van de godsdienstvrijheid. „Terwijl hij de rechten en privileges van de kerk verdedigde, was hij voorstander van het toestaan van alle redelijke vrijheid aan degenen die zich op gewetensgronden verplicht zagen niet langer deel uit te maken van haar gemeenschap." (Encyclopaedia Britannica, 9e druk art. „Bengel"). De gunstige gevolgen van deze houding zijn nog altijd merkbaar in zijn geboortestreek.

Terwijl Bengel een preek voorbereidde om op „Adventzondag" over Openbaring 21 te spreken ontdekte hij de waarheid van Christus' wederkomst. Op dat ogenblik begreep hij de profetieën van de Openbaring zoals nooit tevoren. Hij werd overweldigd door het belang en de alles overtreffende heerlijkheid van de taferelen die de profeet beschreef en moest dit onderwerp enige tijd laten rusten. Toen hij op de kansel stond, drong het onderwerp zich weer met alle levendigheid en kracht aan hem op. Van toen af begon hij de profetieën, vooral die van de Openbaring, te bestuderen. Hij kwam kort daarna tot de overtuiging dat ze wezen op de spoedige wederkomst van Christus. De datum die hij voor die gebeurtenis vaststelde verschilde maar een paar jaar van de datum die Miller later zou bepalen.

Bengels geschriften zijn over de hele christelijke wereld verspreid. Zijn opvattingen over de profetie werden vrij algemeen aangenomen in Württemberg, vanwaar hij afkomstig was en tot op zekere hoogte ook in andere delen van Duitsland. De beweging werd na zijn dood voortgezet en de Adventboodschap werd in Duitsland verkondigd op hetzelfde ogenblik als in de andere landen waar zij belangstelling vond.

Kort daarna vertrokken enkele mensen die tot het geloof waren gekomen naar Rusland en stichtten er nederzettingen. Het geloof in Christus' spoedige wederkomst leeft nog altijd in de Duitse kerken van dat land. Het licht scheen ook in Frankrijk en Zwitserland.

In Genève, waar Farel en Calvijn de waarheid van de Hervorming hadden verspreid, verkondigde Gaussen de boodschap van de wederkomst. Toen hij nog student was, was Gaussen in aanraking gekomen met het rationalisme, dat zich aan het eind van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw over heel Europa had verspreid. Toen hij zijn werk als predikant begon, kende hij niets van het ware geloof en was bovendien geneigd te twijfelen. In zijn jeugd had hij belangstelling gekregen voor het onderzoek van de profetie. Nadat hij Rollins Ancient History had gelezen, werd zijn aandacht bepaald bij het tweede hoofdstuk van het boek Daniël en werd hij getroffen door de buitengewone nauwkeurigheid waarmee de profetie in vervulling was gegaan, zoals de geschiedenis duidelijk aantoonde. Volgens hem was dit een bewijs dat de Schrift geïnspireerd is, een bewijs dat voor hem een anker was te midden van de gevaren die hem later te wachten stonden. Hij kon maar geen bevrediging vinden in het rationalisme. Door het onderzoek van de Bijbel en het zoeken naar meer licht werd hij echter in het geloof overtuigd.

Door zijn onderzoek van de profetieën kwam hij tot het geloof dat de wederkomst van Christus nabij was. Hij kwam onder de indruk van de ernst en het belang van deze grote waarheid en wenste die aan anderen bekend te maken maar de algemeen gangbare opvatting dat de profetieën van Daniël verborgenheden waren en niet konden worden begrepen, bleek een ernstig struikelblok te zijn. Hij besloot tenslotte - net als Farel voor hem gedaan had bij de evangelieverkondiging in Genève - dat hij bij de kinderen moest beginnen, door wie hij belangstelling bij de ouders probeerde te wekken.

Over het doel dat hij bij deze poging nastreefde, zei hij later: „Ik wens duidelijk te stellen dat ik de boodschap niet in deze eenvoudige vorm verkondig omdat ze onbelangrijk is. Integendeel! Juist vanwege haar groot belang heb ik mij tot de kinderen gericht. Ik wenste gehoor te vinden en ik vreesde dat dit niet het geval zou zijn wanneer ik mij eerst tot volwassenen richtte." „Ik heb me daarom voorgenomen eerst tot de jongsten te gaan. Ik breng een aantal kinderen samen; wanneer de groep groter wordt en ik zie dat ze luisteren, dat het hun bevalt, dat ze belangstelling hebben en ze het onderwerp begrijpen en kunnen uitleggen, ben ik er zeker van dat ik weldra een tweede groep zal hebben en de oudere mensen zullen op hun beurt inzien dat het de moeite loont naar mij te komen luisteren. Als ik dat kan bereiken, is de zaak gewonnen." (L. Gaussen, Daniël the Prophet, vol. 2, Preface).

Zijn poging werd met succes bekroond. Toen hij de kinderen toesprak, kwamen ook volwassenen luisteren. De galerijen van zijn kerk waren vol aandachtige toehoorders. Onder het publiek waren invloedrijke en geleerde mannen, vreemdelingen en buitenlanders die Genève bezochten. En zo werd de boodschap naar andere gebieden verspreid.

Aangemoedigd door zijn succes, ging Gaussen over tot de publicatie van zijn toespraken, in de hoop het onderzoek van de profetische boeken in de kerk van de Franstaligen te bevorderen. Gaussen zegt: „Als ik de lessen die ik aan de kinderen heb gegeven, uitgeef, zeg ik daarmee aan de ouders, die heel vaak geen aandacht schenken aan zulke boeken omdat ze zogenaamd moeilijk zijn: 'Hoe kunnen ze nu moeilijk zijn als zelfs jullie kinderen ze begrijpen.'"

„Ik verlangde er erg naar, indien mogelijk, de kennis van de profetieën op zeer grote schaal in onze gemeenten te verspreiden", voegde hij er nog aan toe. „Er is volgens mij geen enkele studie die beter aan de behoeften van onze tijd beantwoordt." „Door deze studie moeten wij ons voorbereiden op de tijd der benauwdheid, die nabij is, en moeten wij wakende zijn en wachten op Jezus Christus."

Hoewel Gaussen één van de beste en meest geliefde predikanten in de Franse taal was, werd hij na enige tijd uit het predikambt ontzet. Zijn ergste overtreding was dat hij in plaats van de catechismus van de kerk - een saai en rationalistisch handboek waar nauwelijks enig geloof in verkondigd werd - de Bijbel had gebruikt om zijn lessen aan de jeugd te geven. Later werd hij leraar aan een theologische school, terwijl hij op zondag catechisatie bleef geven, de kinderen toesprak en hun de Schrift onderwees.'

Zijn boeken over de profetieën wekten ook veel belangstelling. Door zijn onderwijs, zijn boeken en zijn geliefkoosde bezigheid als leraar van de kinderen heeft hij jarenlang een grote invloed uitgeoefend en heeft hij de aandacht van velen gevestigd op de studie van de profetieën, die aantoonden dat de komst van Christus nabij was.

Ook in Scandinavië werd de Adventboodschap verkondigd en was er op vele plaatsen grote belangstelling. Velen werden uit hun zorge­loze zekerheid wakker geschud om hun zonden te belijden, ermee te breken en vergiffenis te vragen in de naam van Jezus. Maar de geestelijken van de staatskerk verzetten zich tegen de beweging en door hun invloed kwamen enkele verkondigers van de boodschap in de gevangenis. Op vele plaatsen waar de predikers van de spoedige wederkomst van Christus het zwijgen werd opgelegd, zorgde God ervoor dat de boodschap op een wonderbaarlijke manier - door kinderen -werd gebracht. Aangezien zij nog minderjarig waren konden de wetten van het land daar niets tegen doen en mochten zij ongehinderd spreken.

De boodschap wekte vooral belangstelling onder de arbeiders en de mensen vergaderden in eenvoudige arbeiderswoningen om naar de waarschuwingsboodschap te luisteren. De kinderen die de boodschap brachten, woonden meestal zelf in deze eenvoudige huizen. Sommigen waren niet ouder dan zes of acht jaar en terwijl uit hun leven bleek dat ze Jezus liefhadden en in gehoorzaamheid aan Gods heilige geboden probeerden te leven, hadden ze de verstandelijke ontwikkeling die normaal bij kinderen van die leeftijd voorkomt. Wanneer ze echter voor de mensen stonden, werd het duidelijk dat ze een invloed ondergingen, waardoor ze hun eigen natuurlijke talenten konden overtreffen. Hun manier van spreken en hun gedrag veranderden; met overtuiging waarschuwden ze voor het oordeel en haalden letterlijk de woorden van de Schrift aan: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen." Zij veroordeelden niet alleen de onzedigheid en de ontucht, maar ook de wereldsgezindheid en de afvalligheid en waarschuwden hun toehoorders zich te haasten om aan de komende toorn te ontsnappen.
De mensen luisterden met gespannen aandacht naar deze woorden. De overtuigende Geest Gods sprak tot hun harten. Velen gingen de Schrift met vernieuwde en grotere belangstelling onderzoeken. De onmatigen en losbandigen werden veranderd en de anderen gaven hun oneerlijke praktijken op. Het werk dat zij deden was zo merkwaardig dat zelfs de predikanten van de staatskerk wel moesten toegeven dat Gods hand de beweging leidde.

Het was Gods wil dat de boodschap van Jezus' wederkomst in de Scandinavische landen zou worden verkondigd. Toen de stem van zijn dienstknechten tot zwijgen was gebracht, stortte Hij zijn Geest uit over de kinderen, opdat het werk verder zou gaan. Toen Jezus Jeruzalem naderde, omringd door de juichende scharen die Hem met triomfkreten en met wuivende palmtakken als de Zoon van David de stad binnenleidden, vroegen de afgunstige Farizeeën Hem met aandrang de mensen te doen zwijgen, maar Jezus antwoordde dat dit alles gebeurde, opdat de profetie in vervulling zou gaan en dat als zij zouden zwijgen, de stenen zouden roepen. De mensen staakten hun vreugdekreten toen zij door de poorten van Jeruzalem kwamen, uit vrees voor de bedreigingen van de priesters, maar de kinderen herhaalden later in de voorhoven van de tempel het refrein en terwijl ze met hun palmtakken wuifden, riepen ze: „Hosanna de Zoon van David!" (Mattheüs 21:8-16).

Toen zeiden de Farizeeën geërgerd tot Hem: „Hoort Gij wat dezen zeggen? Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij het nooit gelezen: Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?" Wat God door middel van kinderen gedaan heeft bij de eerste komst van Christus, heeft Hij ook door hen gedaan bij de verkondiging van de boodschap van zijn wederkomst. Gods wil dat de boodschap van de wederkomst van Christus „aan alle volk en stam en taal en natie" zou worden verkondigd, moest in vervulling gaan.

Aan William Miller en zijn medewerkers was het gegund de waarschuwingsboodschap in Amerika te verkondigen. Dit land werd het middelpunt van de grote Adventbeweging. In dit land ging de profetie van de eerste engel op de meest directe manier in vervulling. De geschriften van Miller en zijn medewerkers werden naar verafgelegen landen gezonden. Naar alle plaatsen ter wereld waar zendelingen waren doorgedrongen, werd het goede nieuws van Christus' spoedige wederkomst gestuurd. Overal werd de boodschap van het eeuwige evangelie verspreid: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen."

De verklaring van de profetieën waaruit bleek dat Christus in de lente van 1844 zou terugkomen, maakte diepe indruk op de mensen. De boodschap werd van de ene staat naar de andere gebracht en wekte overal grote belangstelling. Velen waren ervan overtuigd dat de argumenten op grond van de profetische tijdperken juist waren; ze gaven hun eigen standpunt op en namen de waarheid met blijdschap aan. Sommige predikanten gaven hun sektarische opvattingen en gevoelens op, deden afstand van hun salaris, verlieten hun kerken en sloten zich aan bij hen die de wederkomst van Christus verkondigden. Maar er waren betrekkelijk weinig predikanten die deze boodschap wilden aannemen en daarom werd dit werk grotendeels aan eenvoudige leken toevertrouwd.

Boeren verlieten hun boerderijen, ambachtslieden hun werktuigen, kooplieden hun handelswaar en vaklieden hun beroep. En toch was het aantal arbeiders klein in vergelijking met het werk dat nog gedaan moest worden.

De toestand van een goddeloze kerk en van een wereld die zich aan de goddeloosheid had overgegeven, drukte zwaar op het gemoed van de trouwe wachters en ze verdroegen gewillig zware arbeid, ontberingen en lijden om de mensen te kunnen oproepen tot berouw ter zaligheid. Hoewel Satan tegenwerkte, ging het werk steeds vooruit en werd de Adventboodschap door vele duizenden aangenomen.

Overal werd de dringende oproep gehoord, waardoor zondaren - zowel wereldlingen als kerkleden werden gewaarschuwd om aan de komende toorn te ontsnappen. Zoals Johannes de Doper de wegbereider des Heren, legden de predikers de bijl aan de wortel van de boom en spoorden allen aan vruchten voort te brengen die aan de bekering beantwoordden. Hun aangrijpende oproep stak schril af bij de verzekering van „vrede en rust", die in de populaire kerken werd verkondigd. Overal waar de boodschap werd gepredikt, werden de mensen erdoor getroffen. Het eenvoudige, rechtstreekse getuigenis van de Schrift, bekrachtigd door de Heilige Geest, had zo'n overtuigingskracht dat maar weinigen er echt weerstand aan konden bieden.

Gelovigen werden uit hun valse zekerheid wakker geschud. Zij zagen hun afvalligheid, hun wereldsgezindheid, hun ongeloof, hun trots en hun zelfzucht. Velen zochten de Here met berouw en in nederigheid. Hun liefde die zó lang naar aardse goederen was uitgegaan, ging nu uit naar de hemel. De Geest Gods rustte op hen en met vertederde en verootmoedigde harten sloten zij zich aan bij degenen die de oproep „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen" tot de mensen richtten.

Zondaren vroegen met tranen in de ogen: „Wat moet ik doen om gered te worden?" Mensen die bekend stonden om hun oneerlijkheid wilden wat ze misdaan hadden weer in orde brengen. Allen die vrede in Christus hadden gevonden, verlangden ernaar dat anderen in hun zegen zouden delen. De harten van de ouders keerden zich tot hun kinderen en de harten van de kinderen tot hun ouders. De scheidsmuren van trots en hoogmoed werden afgebroken. Velen beleden oprecht hun schuld en gezinsleden werkten voor de verlossing van diegenen die ze liefhadden. Vaak werden ernstige gebeden tot God opgezonden. Overal pleitten zielen in diepe zielsangst met God. Velen worstelden de hele nacht in gebed om er zeker van te zijn dat hun eigen zonden waren vergeven of om te bidden voor de bekering van familieleden of buren.

Mensen uit alle klassen wilden de Adventboodschap horen. Rijk en arm, eenvoudigen en invloedrijken wilden om verschillende redenen de leer van de wederkomst persoonlijk horen. God hield de tegenstanders in bedwang terwijl zijn boodschappers de redenen voor hun geloof uiteenzetten. Soms werd dit gedaan door een zwak instrument, maar Gods Geest gaf kracht aan zijn waarheid. De aanwezigheid van heilige engelen was voelbaar op deze bijeenkomsten en iedere dag namen meer mensen de Adventwaarheid aan.

Wanneer de bewijzen voor de spoedige wederkomst naar voren werden gebracht, luisterden grote groepen mensen in ademloze stilte naar de ernstige woorden. Hemel en aarde schenen naar elkaar toe te komen. Gods kracht werd door jong en oud gevoeld. De mensen keerden naar huis terug met een lied op de lippen en de blijde tonen klonken door de stilte van de nacht. Niemand die deze bijeenkomsten heeft bijgewoond, kan ooit de diepste ernst die ervan uitging vergeten.

De verkondiging van een datum voor de wederkomst van Christus riep grote tegenstand op bij vele mensen uit alle klassen, van de predikant op de kansel tot de meest onbezonnen, hemeltergende zondaar. De woorden van de profetie gingen in vervulling: „Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is." (2 Petrus 3:3,4).

 

Terug pagina 5 pagina 7