William Miller p.2

Miller begon toen in eigen kring over zijn opvattingen te spreken wanneer de gelegenheid zich daartoe voordeed. Hij hoopte dat een predikant de juistheid van zijn argumenten zou inzien en zich zou wijden aan de verkondiging van die boodschap. Toch was hij ervan overtuigd dat het ook zijn persoonlijke plicht was de waarschuwing te laten horen. Hij dacht steeds aan de woorden: „Verkondig het aan de wereld of ik zal je rekenschap vragen van hun bloed". Hij wachtte negen jaar. Al die tijd drukte de zware last op zijn geweten. In 1831 verkondigde hij voor de eerste keer wat hij geloofde en waarom.

Zoals Elisa van achter zijn ossen werd geroepen om de profetenmantel aan te doen, moest ook William Miller zijn ploeg verlaten om de geheimenissen van het Koninkrijk Gods bekend te maken. Aarzelend begon hij zijn werk. Hij leidde zijn toehoorders stap voor stap door de grote profetische tijdperken tot aan de wederkomst van Christus. Bij elke nieuwe poging kreeg hij meer kracht en moed wanneer hij zag dat zeer veel mensen belangstelling hadden voor wat hij zei.

Pas toen zijn broeders hem vroegen om zijn opvattingen in het openbaar uiteen te zetten, stemde hij ermee in, omdat hij hun woorden als een oproep van God beschouwde. Hij was toen vijftig, had nog niet veel in het openbaar gesproken en ging gebukt onder het gevoel dat hij niet geschikt was voor het werk dat vóór hem lag. Maar zijn werk werd al vanaf het begin op een bijzondere wijze gezegend en droeg bij tot de redding van zielen.

Zijn eerste lezing leidde tot een godsdienstige opwekking waarbij dertien gezinnen, op twee personen na, werden bekeerd. Men wilde dat hij onmiddellijk ook nog op andere plaatsen zou spreken. Bijna overal leidden zijn inspanningen tot een herleving in Gods werk. Zondaren werden bekeerd, christenen werden opgewekt tot grotere toewijding en deïsten en ongelovigen werden overtuigd van de waarheid van de Bijbel en van het christendom. De mensen onder wie hij had gewerkt zeiden: „Hij kan mensen overtuigen op wie anderen geen vat hebben" (Ibid., p. 138). Hij wilde met zijn prediking de belangrijke godsdienstige onderwerpen onder de aandacht van het publiek brengen en de groeiende wereldsgezindheid en zinnelijkheid van zijn tijd beteugelen.

In bijna elke stad werden er tientallen en soms honderden mensen bekeerd door zijn prediking. Op vele plaatsen werd hij met open ar­men ontvangen door de protestantse kerken van bijna alle richtingen en de predikanten van de verschillende gemeenten nodigden hem uit om de dienst te leiden.

Miller ging nooit naar een plaats als hij niet uitdrukkelijk was uitgenodigd. Toch was het hem na heel korte tijd al niet meer mogelijk alle uitnodigingen te aanvaarden. Velen die het niet met hem eens waren over het juiste tijdstip van de wederkomst, waren er wel van overtuigd dat Christus spoedig zou terugkomen en dat ze zich op die gebeurtenis moesten voorbereiden. Zijn werk maakte in sommige grote steden diepe indruk op de mensen. Handelaars in sterke drank sloten hun zaken en stelden hun lokalen ter beschikking als vergaderruimte. Speelholen sloten hun deuren. Ongelovigen, deïsten, universalisten en zelfs de meest verstokte losbandigen kwamen tot inkeer.

Sommigen hadden al jaren geen voet meer in een kerk gezet. Verschillende kerken hielden in verscheidene wijken op bijna elk uur van de dag gebedsbijeenkomsten. Zakenmensen kwamen tussen de middag samen om God te loven en te danken. Er was geen drukte en opwinding. De mensen waren zeer ernstig. Miller sprak net als de hervormers meer tot het verstand en het geweten dan alleen tot de gevoelens van de mensen.

Miller kreeg in 1833 van de Baptistengemeente, waarvan hij lid was, toestemming om te preken. Een groot aantal predikanten van die kerk stond achter hem en met hun uitdrukkelijke goedkeuring kon hij zijn werk voortzetten. Hij reisde en preekte vrijwel zonder onderbreking, met name in New England en de zogenaamde „Middle States" van Amerika. Hij betaalde jarenlang alles zelf en hij heeft later nooit zoveel geld gekregen dat hij er al zijn reiskosten mee kon betalen. Zijn werk voor de gemeenschap was dus zeker geen winstgevende bezigheid, maar veeleer een aderlating voor zijn persoonlijk vermogen, dat in die tijd trouwens geleidelijk begon te verminderen.

Hij had een groot gezin, maar omdat ze sober leefden en hard werkten, bracht zijn boerderij toch genoeg op om in de behoeften van zijn gezin te voorzien en zijn uitgaven te dekken.

In 1833, twee jaar na het begin van Millers openbare verkondiging van de spoedige wederkomst van Christus, verschenen de laatste tekenen die volgens Jezus aan zijn komst zouden voorafgaan. Jezus had gezegd: „De sterren zullen van de hemel vallen" (Mattheüs 24:29).

In de Openbaring verklaarde Johannes toen hij in visioen de gebeurtenissen zag die „de dag des Heren" aankondigden: „En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgenboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harde wind geschud wordt" (Openbaring 6:13). Deze profetie werd op indrukwekkende wijze vervuld door de grote sterrenregen van 13 november 1833, de grootste en mooiste in de geschiedenis. „Het hele firmament boven de Verenigde Staten was toen urenlang als een reusachtig vuurwerk!

Sinds de tijd van de eerste kolonisten is er in dit land geen verschijnsel aan de hemel geweest dat door sommigen met zoveel verbazing en door anderen met zoveel angst en benauwdheid is gevolgd".

„Velen herinneren zich de pracht en schoonheid nog... Het heeft nooit zo zwaar geregend als op die dag toen de meteoren naar de aarde vielen. In oost, west, noord en zuid was de sterrenregen even dicht. Kortom, de ganse hemel scheen in beweging... Het verschijnsel dat in professor Sillimans Journal wordt beschreven, was overal in Amerika te zien... Van twee uur 's morgens tot klaarlichte dag waren er aan de hemel, die helemaal onbewolkt was, voortdurend verschietende en verblindend schitterende lichtbollen te zien" (R.M.Devens, American Progress; or, The Great Events of the Greatest Century, ch. 28, par. 1-5).

„De schoonheid van dit natuurverschijnsel was met geen pen te beschrijven... Wie het niet gezien heeft, kan er zich geen juist beeld van vormen. Het scheen alsof de hele sterrenhemel op één punt bij het zenit was samengekomen en dan met de snelheid van de bliksem tegelijkertijd naar alle richtingen uiteenspatte. Er scheen geen eind aan te komen. Duizenden en nog eens duizenden meteoren volgden elkaar op alsof ze juist voor deze gelegenheid waren geschapen" (F. Reed, in de Christian Advocat and Journal, 13 dec. 1833). „Men kan zich dit verschijnsel het best voorstellen als een vijgenboom die door een harde wind zijn vijgen laat vallen" („The Old Countryman", in Portland Evening Advertiser, 26 nov. 1833).

In het New York Journal of Commerce van 14 november 1833 verscheen een lang artikel over dit verschijnsel, waarin deze passage voorkomt: „Ik denk dat geen enkele natuuronderzoeker of geleerde ooit een gebeurtenis zoals die van gistermorgen heeft beschreven of heeft opgetekend. Achttienhonderd jaar geleden heeft een profeet dit alles nauwkeurig voorzegd, als wij ten minste willen toegeven dat met 'sterren des hemels die op de aarde vallen' een sterrenregen wordt bedoeld... wat volgens mij de enig mogelijke letterlijke betekenis is."

Zo was het laatste teken dat Christus' wederkomst aankondigde ook verschenen: „Jezus had zijn discipelen naar aanleiding van deze tekenen gezegd: "Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur" (Mattheüs 24:33).

Na deze tekenen zag Johannes de volgende belangrijke gebeurtenis die kort daarna zou voorkomen: „En de hemel week terug als een boekrol", terwijl de aarde beefde en alle bergen en eilanden van hun plaats werden gerukt en de goddelozen in radeloze angst wilden vluchten voor het aangezicht van de Zoon des mensen. (Openbaring 6:12-17).

Velen die de sterrenregen hadden gezien beschouwden dit verschijnsel als een voorloper van het komende oordeel, als „een angst­aanjagend beeld, een ware voorloper, een genadig voorteken van die grote en verschrikkelijke dag" („The Old Countryman", in Portland Evening Advertiser, 26 nov. 1833). Hierdoor werd de aandacht van de mensen bepaald bij de vervulling van de profetie en velen luister­den naar de waarschuwing van de wederkomst.

In 1840 ging een andere profetie in vervulling, die algemene belangstelling trok. In 1838 had Josiah Litch, één van de belangrijkste verkondigers van de wederkomst van Christus een werk gepubliceerd waarin hij zijn interpretatie van Openbaring 9 gaf en de val van het Ottomaanse rijk voorzegde. Volgens zijn berekeningen zou deze macht „in de loop van de maand augustus 1840" ten val worden ge­bracht. Enkele dagen vóór de vervulling schreef hij: „Als wij ervan uitgaan dat de eerste periode van 150 jaar precies is uitgekomen vóór Deacozes met toestemming van de Turken de troon besteeg en dat de 391 jaar en 15 dagen begonnen aan het einde van de eerste periode, dan moeten deze eindigen op 11 augustus 1840. Op die dag zal de Ottomaanse macht in Constantinopel ten val komen. Ik geloof dat dit inderdaad het geval zal blijken te zijn" (Josiah Litch, in Signs of the Times, and Expositor of Prophecy, 1 aug. 1840).

Op het aangeduide tijdstip aanvaardde Turkije door bemiddeling van zijn ambassadeurs de bescherming van de Europese mogendheden en kwam het onder controle van christelijke landen. De voorspelling was nauwkeurig uitgekomen (zie Aanhangsel onder 'De val van het Ottomaanse rijk') Toen dit bekend werd, kwamen zeer veel mensen tot de overtuiging dat de beginselen die Miller en zijn medewerkers volgden bij de uitleg van de profetieën juist waren….. Dit was een zeer grote steun voor de Adventbeweging. Knappe en invloedrijke mannen sloten zich bij Miller aan en hielpen hem bij de verkondiging en publikatie van zijn opvattingen. Het werk maakte grote vorderin­gen tussen 1840 en 1844.

William Miller was verstandig en zijn geest was gevormd door overdenking en onderzoek. Bovendien had hij wijsheid van Boven ontvangen, omdat hij met de Bron van wijsheid verbonden bleef. Hij was integer en werd overal waar men rechtschapenheid en morele onkreukbaarheid op prijs stelde, geëerd en gewaardeerd. Hij liet oprechte vriendelijkheid, christelijke nederigheid en zelfbeheersing samengaan. Hij was voorkomend en minzaam tegenover iedereen. Hij was bereid naar de mening van anderen te luisteren en hun argumenten te overwegen. Hij toetste alle theorieën en leerstellingen zonder hartstocht of opwinding aan het Woord van God. Zijn denken was zuiver en hij had een grondige kennis van de Bijbel, waardoor hij dwalingen kon weerleggen en bedrog aan het licht kon brengen.

Toch stuitte hij bij zijn werk op veel verzet. Zoals ook het geval was geweest met de vroegere hervormers werd de waarheid die hij verkondigde niet gunstig ontvangen door de populaire predikanten. Ze konden hun opvattingen niet aan de hand van de Bijbel bewijzen en moesten een beroep doen op de uitspraken en leerstellingen van mensen en op de overleveringen van kerkvaders.

De verkondigers van de Adventwaarheid aanvaardden echter alleen de Schrift. „De Bijbel en de Bijbel alléén" was hun wachtwoord. Hun tegenstanders moesten hun eigen zwakke, onbijbelse argumenten kracht bijzetten door spot. Ze hadden veel tijd, geld en talenten over om kwaad te spreken van mensen die er alleen van beschuldigd konden worden dat ze vol vreugde naar de wederkomst van hun Heer uitzagen, ernaar streefden een heilig leven te leiden en anderen aanspoorden zich op Christus komst voor te bereiden.

De tegenstanders stelden alles in het werk om mensen af te leiden zodat ze niet over de wederkomst zouden nadenken. Zij brandmerkten het onderzoek van de profetieën over de wederkomst en het einde van de wereld als „zonde", als iets waarvoor men zich moest schamen. Zo ondermijnden de populaire predikanten het geloof in Gods Woord. Hun leer bracht de mensen tot ongeloof en velen veroorloofden zich de vrijheid naar hun eigen goddeloze begeerten te wandelen.

De aanstichters van het kwaad gaven dan de schuld aan de adventisten.

Miller trok volle zalen. Zijn toehoorders waren verstandig en luisterden aandachtig. Toch werd zijn naam zelden in de godsdienstige pers genoemd en als dat wel gebeurde, was het om te spotten en hem door het slijk te halen. De onverschilligen en ongelovigen werden aangemoedigd door de houding van de predikanten en gebruikten lasterlijke scheldnamen en maakten gemene, godslasterlijke grappen om zijn persoon en zijn werk in diskrediet te brengen. Deze ouder wordende man met grijs haar, die zijn comfortabel huis verliet en op eigen kosten van de ene stad naar de andere reisde, onvermoeibaar werkte om de ernstige boodschap dat het oordeel nabij was aan de wereld te brengen, werd door zijn tegenstanders bestempeld als een fanaticus, een leugenaar en een bedrieger.

De spot, de leugens en de minachting die men hem naar het hoofd slingerde, lokten verontwaardiging uit bij de mensen en zelfs bij de dagbladpers. Buitenstaanders zeiden: „Als men zo'n verheven onderwerp, met zulke verschrikkelijke gevolgen, zo licht opneemt en er zelfs mee durft te spotten, speelt men niet alleen met de gevoelens van de voorstanders en verdedigers, maar spot men ook met de dag des oordeels en met de Godheid en veracht men de verschrikkingen van zijn gericht" (Bliss, p. 183).

De aanstichter van alle kwaad probeerde niet alleen de invloed van de Adventboodschap tegen te werken, maar wilde ook de boodschapper zelf vernietigen. Miller wilde de waarheid van de Schrift in het hart van zijn toehoorders griffen. Hij veroordeelde hun zonden en verstoorde hun zelfvoldaanheid. Zijn duidelijke, scherpe woorden ergerden hen. Het verzet van de kerkleden tegen zijn boodschap was een aanmoediging voor mensen van slecht allooi om nog verder te gaan. Zijn vijanden hadden het plan beraamd om hem na afloop van een vergadering te vermoorden, maar er waren heilige engelen in de menigte. Eén van hen nam de gedaante van een man aan, leidde deze boodschapper van God weg uit het gespuis en bracht hem in veiligheid. Zijn werk was nog niet voltooid en Satan en zijn medewerkers konden hun plan niet ten uitvoer brengen.

Ondanks het verzet kregen nog meer mensen belangstelling voor de Adventbeweging. Er waren geen tientallen of honderden, maar duizenden belangstellenden. Zeer veel mensen hadden zich bij de bestaande kerken aangesloten, maar na enige tijd ging men ook vijandig staan tegenover deze bekeerlingen en de kerken begonnen tuchtmaatregelen te nemen tegen de gelovigen die Millers opvattingen deelden. Miller schreef toen een open brief aan de christenen van alle kerken, waarin hij zei dat men hem aan de hand van de Bijbel moest bewijzen dat hij dwalingen verkondigde.

Hij schreef: „Welke geloofspunten die wij verkondigen komen niet uit het Woord van God, dat u toch ook aanneemt als de enige regel voor geloof en leven? Wat hebben wij misdaan dat men zo tegen ons tekeer gaat van de kansel en in de pers, waardoor u het recht meent te hebben ons [adventisten] uit te sluiten en te verstoten?" „Als wij het bij het verkeerde eind hebben, verzoeken wij u ons te wijzen op welke punten wij dwalen. Toon ons op grond van Gods Woord aan waarin wij ons vergissen. Wij hebben al genoeg spot moeten verdragen. Dat zal voor ons nooit een bewijs zijn dat wij ongelijk hebben. Alleen het Woord van God kan ons van idee doen veranderen. Wij zijn na overleg en gebed tot onze conclusies gekomen en hun juistheid wordt door de Schrift bewezen" (Ibid., pp. 250-252).

De waarschuwingen die God door bemiddeling van zijn boodschappers tot de mensen heeft gericht zijn altijd met hetzelfde ongeloof ontvangen. Toen God de wereld vanwege de verdorvenheid van Noachs tijdgenoten met een zondvloed wilde overspoelen, maakte Hij zijn bedoelingen eerst bekend, zodat zij de kans kregen de verkeerde weg te verlaten. Honderdtwintig jaar lang hebben ze gelegenheid gehad de waarschuwingsboodschap te horen en tot inkeer te komen als ze niet door Gods gramschap vernietigd wilden worden. De boodschap kwam echter over als een verzinsel en zij geloofden haar niet. Zij werden verhard in hun boosheid, dreven de spot met Gods boodschapper, namen zijn oproep niet ernstig en beschuldigden hem zelfs van aanmatiging.

„Hoe durft één man er een mening op na te houden die afwijkt van de opvattingen van al die knappe mannen van deze wereld? Als Noachs boodschap waar is, hoe komt het dan dat de hele wereld het niet zelf inziet en gelooft? De beweringen van één man tegenover de wijsheid van duizenden!" Zij wilden niet het minste geloof hechten aan de waarschuwing en weigerden in de ark te gaan.

De spotters wezen op de verschijnselen in de natuur; de ononderbroken opeenvolging van de jaargetijden, de blauwe hemel waaruit nog nooit één druppel regen was gevallen, de groene velden die 's nachts door dauw werden bevochtigd. Ze zeiden dan: „Deze man verteld onzin!" Ze verklaarden met minachting dat de prediker der gerechtigheid het slachtoffer was van zijn eigen wilde verbeelding en gingen hun gang, terwijl ze zich nog meer dan vroeger overgaven aan hun genotzucht en met nog meer overtuiging hun boze wegen bleven bewandelen. Hun ongeloof kon de voorzegde gebeurtenis echter niet tegenhouden. God heeft hun verdorvenheid lang geduld. Hij gaf hun meer dan genoeg tijd om tot inkeer te komen. Toen zij Gods genade echter bleven afwijzen greep God op de vastgestelde tijd in.

Christus zei dat de mensen even ongelovig zouden staan tegenover zijn wederkomst. Zoals de mensen in Noachs tijd niets merkten „eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn" (Mattheüs 24:39).

Wanneer de mensen die zich Gods kinderen noemen op vriendschappelijke voet omgaan met de wereld, wanneer zij leven zoals de wereld en deelnemen aan haar verboden genoegens, wanneer de gemeente zich zoals de wereld aan weelde overgeeft, wanneer de huwelijksklokken luiden en iedereen rekent op vele jaren van voorspoed op aarde, zal er plotseling, met de snelheid van de bliksem, een einde komen aan hun schitterende vooruitzichten en hun bedrieglijke wensdromen.

Zoals God zijn boodschapper had gestuurd om de wereld te waarschuwen dat de zondvloed zou komen, heeft Hij ook uitverkoren boodschappers uitgezonden om het naderen van het laatste oordeel bekend te maken. En zoals Noachs tijdgenoten de voorzeggingen van de prediker der gerechtigheid belachelijk vonden, spotten velen - ook zij die zich voor Gods volk uitgaven - met de waarschuwing van Miller.

Waarom stonden de kerken zo vijandig tegenover de leer en de verkondiging van Christus' wederkomst? De wederkomst betekent voor de ongelovigen; ellende en vernietiging; maar voor de gelovige betekent Christus' terugkeer; blijdschap en hoop. Deze belangrijke waar­heid is door de eeuwen heen een troost voor Gods trouwe volgelingen geweest.

Waarom is deze boodschap net als Christus zelf „een steen des aanstoots" en een „struikelblok" geworden voor de christenen? Jezus beloofde zijn discipelen: „En wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben" (Johannes 14:3).

Dezelfde „mede voelende" Heiland die de eenzaamheid en het verdriet van zijn volgelingen voorzag, gaf de engelen opdracht hen te troosten met de verzekering dat Hij persoonlijk zou terugkomen, zoals zij Hem naar de hemel hadden zien opvaren. Toen de discipelen hun blik gericht hielden op Hem die zij zo liefhadden om Hem tot het laatste ogenblik te kunnen zien, hoorden zij de woorden: „Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen" (Handelingen 1:11).

De boodschap van de engel gaf hun weer moed. De discipelen „keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God" (Lucas 24:52, 53). Zij waren niet blij omdat ze nu gescheiden waren van Jezus en het hoofd zouden moeten bieden aan de beproevingen en verleidingen van de wereld, maar omdat de engel hun had verzekerd dat Hij zou te­rugkomen.

De verkondiging van de wederkomst van Christus had zoals de boodschap van de engelen aan de herders van Bethlehem „goed nieuws" moeten zijn. Wie Jezus werkelijk liefheeft, moet zich verheugen over de aankondiging die op het Woord van God steunt, dat Christus, onze hoop op eeuwig leven, zal terugkomen - niet om beledigd, veracht en verworpen te worden zoals bij zijn eerste komst, want Hij zal komen met macht en heerlijkheid om zijn volk te verlossen. Alleen zij die hun Heiland niet liefhebben, vinden dat Hij maar moet wegblijven. De ergernis en vijandigheid van de kerken tegenover deze hemelse boodschap is trouwens het beste bewijs dat ze van God vervreemd zijn.

De gelovigen die de Adventwaarheid aannamen, beseften dat ze tot inkeer moesten komen en zich voor God moesten verootmoedigen. Velen hadden lang getwijfeld tussen Christus en de wereld. Het drong tot hen door dat ze nu moesten kiezen. „De dingen van eeuwige waarde werden buitengewoon belangrijk. De hemel kwam dichterbij en ze zagen in dat ze schuldig waren tegenover God" (Bliss, p. 146).

De christenen werden tot een nieuw geestelijk leven opgewekt. Ze merkten dat de tijd kort was en dat ze de anderen zo vlug mogelijk moesten waarschuwen. De aardse dingen werden onbelangrijk nu de eeuwigheid zo dichtbij was gekomen. Ze vonden dat hun geestelijk leven en hun eeuwig heil oneindig veel belangrijker waren dan al het vergankelijke. Gods Geest rustte op hen en gaf een bijzondere kracht aan de ernstige oproep die zij tot hun broeders en tot de zondaren richtten om zich voor te bereiden op „de grote dag des Heren."

Het stille getuigenis van hun dagelijks leven was een voortdurende veroordeling aan het adres van de meelopers en de ontrouwe kerkleden, die niet gestoord wilden worden in hun jacht naar plezier, geld en wereldse eer. Daarom keerden zij zich tegen de Adventwaarheid en de adventisten.

Aangezien de argumenten die op de profetische tijdperken steunden onweerlegbaar waren, probeerden de tegenstanders het bestude­ren van dit onderwerp tegen te werken onder het voorwendsel dat de profetieën verzegeld waren.

De protestanten volgden hierdoor het voorbeeld van de rooms-katholieke kerk, die niet wilde dat de rooms-katholieken de Bijbel lazen (zie Aanhangsel onder 'De rooms-katholieke kerk en de Bijbel')

De protestantse kerken beweerden dat men een groot deel van Gods Woord niet kon begrijpen en dachten daarbij natuurlijk in de eerste plaats aan de bijbelgedeelten met de waarheid voor deze tijd.

Volgens de predikanten en de gelovigen van die kerken waren de profetieën van Daniël en de Openbaring ondoorgrondelijke verborgenheden, terwijl Christus zijn discipelen op de woorden van de profeet Daniël wees toen Hij sprak over de gebeurtenissen die zich in hun tijd zouden voordoen: „Wie het leest, geve er acht op" (Mattheüs 24:15). De bewering dat de Openbaring een geheimenis is en niet kan worden begrepen, wordt alleen al door de titel van het boek tegengesproken: „Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden... Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij" (Openbaring 1:1-3).

De profeet zegt: „Zalig hij, die voorleest" (Statenvertaling: „Zalig is hij die leest")

Sommigen willen niet lezen; zij worden dan ook niet gezegend. „En zij die horen". Sommigen willen ook niets horen van de profetieën; ook zij zullen niet worden gezegend. „En bewaren, hetgeen daarin geschreven staat." Velen weigeren acht te slaan op de waarschuwingen en onderrichtingen van de Openbaring; zulke mensen zullen geen aanspraak maken op de beloofde zegen.

Iedereen die de onderwerpen van de profetie belachelijk maakt en de spot drijft met de symbolen die in deze boeken plechtig zijn vermeld, iedereen die zijn leven niet wil veranderen en zich niet wil voorbereiden op de komst van Christus, zal het zonder Gods zegen moeten stellen.

Wat geeft de mensen het recht te beweren dat de Openbaring een verborgenheid is die niet door het menselijk verstand kan worden begrepen, terwijl God duidelijk zegt dat het een geopenbaard geheimenis, een geopend boek is? Door het onderzoek van de Openbaring komt men vanzelf terecht bij het boek Daniël. In deze twee boeken vinden wij de belangrijkste richtlijnen die God aan de mensen heeft gegeven voor de gebeurtenissen die zich aan het einde van de wereldgeschiedenis zullen voordoen.

Johannes zag in zijn visioenen de uiterst belangrijke gebeurtenissen die zich in de gemeente zouden voordoen. Hij zag haar geestelijke toestand, de gevaren, de strijd en de uiteindelijke verlossing van Gods volk. Hij tekende de laatste boodschappen op die de oogst op aarde tot volle rijpheid zouden brengen. Hij zag in de oogst zowel de schoven voor de hemelse schuur als het onkruid voor het vernietigend vuur. Hij kreeg uitermate belangrijke openbaringen, die vooral voor de laatste gemeente bestemd zijn. Door deze boodschappen zouden degenen die hun dwaalwegen verlaten en de waarheid aannemen, worden gewaarschuwd voor de gevaren en de strijd die nog zouden komen. Iedereen kan te weten komen wat met de aarde zal gebeuren.

Waarom weten zoveel mensen dan niets af van een belangrijk deel van de Heilige Schrift? Waarom weigeren zoveel mensen te onder­zoeken wat zij leert? Dit is het gevolg van een weloverwogen plan van de vorst der duisternis om alles wat zijn bedrog aan het licht kan brengen voor de mensen verborgen te houden. Daarom heeft Christus, die de Openbaring aan Johannes gaf en wist dat men zich tegen het onderzoek van de Openbaring zou verzetten, een zegen uitgesproken over iedereen die de woorden van de profetie zou (voor)lezen, horen en bewaren.

Terug pagina 3 pagina 5