William Miller p.1

God heeft voor de verkondiging van de boodschap van Christus' wederkomst een oprechte, eerlijke landbouwer - William Miller - uit­gekozen. Hoewel hij vroeger aan de goddelijke oorsprong van de Bijbel had getwijfeld, was het toch altijd zijn oprecht verlangen geweest de waarheid te leren kennen. Zoals veel andere hervormers had Miller in zijn jeugd veel armoede gekend en wist hij hoe belangrijk hard werken en zelfverloochening waren. Onafhankelijkheid, vrijheidsliefde, uithoudingsvermogen en vurige vaderlandsliefde waren de kenmerken van het gezin waaruit hij kwam. Deze trekken vielen trouwens in zijn eigen persoonlijkheid ook sterk op. Zijn vader was tijdens de Amerikaanse Revolutie kapitein in het leger geweest. De armoede die de jonge Miller heeft meegemaakt, is in belangrijke mate te wijten aan de offers die zijn vader in die woelige tijd heeft gebracht.

William Miller was sterk en gezond en had reeds als kind een verstand dat boven het gemiddelde uitstak. Naarmate hij ouder werd, kwam dit duidelijker tot uiting. Hij was intelligent en weetgierig. Hoewel hij nooit aan een universiteit heeft gestudeerd, had hij door zijn studie-ijver, zijn grondig onderzoek en zijn kritische geest een gezond oordeel over en een brede kijk op de dingen. Hij was integer, had een benijdenswaardige reputatie en werd door iedereen geacht om zijn rechtschapenheid, spaarzaamheid en vrijgevigheid. Door zijn ijver en volledige toewijding had hij al op jeugdige leeftijd veel verdiend, maar hij bleef toch verder studeren. Hij heeft verschillende burgerlijke en militaire ambten bekleed en heeft zich in zijn werk onderscheiden. Hij scheen dan ook alle troeven in handen te hebben om een rijk en vooraanstaand man te worden.

Zijn moeder was zeer vroom en Miller had dan ook als kind een godsdienstige opvoeding gekregen. In die tijd was hij echter ook in aanraking gekomen met enkele deïsten die een grote invloed op hem hebben gehad, vooral omdat het meestal vooraanstaande burgers waren die zich voor hun medemensen inzetten. Ze leefden onder christenen en hun karakter was tot op zekere hoogte door hun omgeving gevormd. De goede eigenschappen waardoor ze bij anderen in de gunst stonden, hadden ze aan de Bijbel te danken, maar toch gebruikten ze deze gaven om het Woord van God te bestrijden.

Door het contact met deze mensen had Miller hun ideeën overgenomen. De algemeen gangbare verklaring van de Schrift leverde voor hem grote, onoverkomelijke moeilijkheden op. Toch bood zijn nieuw geloof, dat de Bijbel gewoon verwierp niets beters en daarom was Miller allesbehalve gelukkig. Toch heeft hij het ongeveer twaalf jaar in deze richting volgehouden tot hij op de leeftijd van vierendertig jaar door de Heilige Geest van zonde werd overtuigd. Zijn vroegere opvattingen boden hem geen enkele hoop op geluk na de dood. De toekomst was donker en somber. Later heeft hij over zijn gevoelens in deze tijd geschreven:

„Het vooruitzicht van een totale vernietiging was erg beangstigend. Als de mensen werkelijk rekenschap voor hun daden zouden moeten afleggen, zouden ze allemaal kinderen des doods zijn. De hemel was als koper boven mijn hoofd en de aarde als ijzer onder mijn voeten. Ik vroeg me af wat de eeuwigheid precies inhield en waarom de dood eigenlijk bestond. Hoe meer ik erover nadacht, des te groter werd de verwarring in mijn geest. Ik probeerde niet meer na te denken, maar kon mijn gedachten niet ordenen. Ik voelde me ellendig, maar begreep niet waarom. Ik klaagde, zonder eigenlijk te weten over wie. Ik zag het kwaad rondom mij, maar wist niet waar en hoe ik het goede kon vinden. Ik treurde, zonder hoop."

Hij verkeerde enkele maanden in deze toestand. „Plotseling kwam de gedachte van een Heiland mij levendig voor de geest", zei hij. „Ik dacht dat er wel iemand moest zijn die zó goed en barmhartig was dat hij voor onze overtredingen zou willen boeten en ons door zijn daad zou vrijstellen van de straf die op de zonde staat. Ik begreep onmiddellijk hoe liefdevol zo iemand wel moest zijn en stelde me voor dat ik mij in zijn armen zou kunnen werpen en op zijn genade zou vertrouwen. Maar dan moest eerst de vraag worden beantwoord hoe men er zeker van kan zijn dat zo iemand inderdaad bestaat. Buiten de Bijbel kon ik nergens een bewijs vinden voor het bestaan van zo'n Heiland of voor de toestand na de dood...

„Ik kwam tot de conclusie dat de Bijbel juist de Heiland openbaarde die ik nodig had. Het verbaasde mij dat een niet geïnspireerd boek beginselen uiteenzette die zo volmaakt aan de behoeften van een gevallen wereld beantwoorden. Ik moest wel toegeven dat de Bijbel een openbaring van God moest zijn. Ik las de schrift met plezier en Jezus werd mijn vriend. De Heiland werd voor mij 'de belangrijkste onder tien duizend' en de Bijbel, die ik vroeger een duister en tegenstrijdig boek had gevonden, werd nu 'een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.

Ik vond rust en vrede. God was voor mij een rots in de oceaan van het leven. De Bijbel werd voor mij het belangrijkste studieboek en ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik hem met groot genoegen bestudeerde. Ik ontdekte dat men mij maar de helft had verteld. Het was mij een raadsel waarom ik zijn schoonheid en heerlijkheid niet veel vroeger had ontdekt en ik vroeg mij af hoe ik de Bijbel ooit heb kunnen verwerpen. Alles wat mijn hart verlangde werd erin geopenbaard. Het had een geneesmiddel voor elke ziekte die de ziel kwelde. Ik wilde niets anders lezen en had alleen behoefte aan Gods wijsheid" (S. Bliss, Memoirs of Wm. Miller, pp. 65-67).

Miller beleed in het openbaar zijn geloof in de godsdienst die hij zo had veracht. Zijn ongelovige vrienden kwamen onmiddellijk opdagen met de argumenten die hij zelf zo vaak tegen de goddelijke oorsprong van de Schrift had aangevoerd. Hij kon die argumenten op dat ogenblik niet weerleggen, maar dacht: „Als de Bijbel een openbaring van God is, kan hij zichzelf niet tegenspreken. Daar de Bijbel bestemd is om de mensen te onderwijzen, moet hij ook begrepen kunnen worden". Hij besloot de Bijbel zelf te onderzoeken om na te gaan of er inderdaad tegenstrijdigheden in waren.

Hij probeerde alle vooroordelen uit te sluiten en gebruikte geen bijbelcommentaren. Hij vergeleek de teksten met elkaar en gebruikte de kanttekeningen en een concordantie. Hij ging systematisch te werk; hij begon bij Genesis en las vers voor vers. Hij ging niet verder vóór hij begreep wat het precies betekende. Als hij op een moeilijk gedeelte stuitte, vergeleek hij het altijd met alle andere teksten over het onderwerp waar hij mee bezig was. Hij bestudeerde elk woord in zijn samenhang en als zijn uitleg klopte met alle andere parallelle tekstgedeelten, beschouwde hij het probleem als opgelost. Zodra hij een moeilijke passage tegenkwam, vond hij de uitleg wel in een ander gedeelte van de Bijbel. Naarmate hij in zijn studie vorderde en God oprecht smeekte om hem inzicht te geven, werd alles wat hij in het begin niet begreep, duidelijk. Hij stelde vast dat de woorden van de psalmdichter waar zijn: „Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht" (Psalm 119:130).

Met grote belangstelling onderzocht hij het boek Daniël en de Openbaring en gebruikte dezelfde interpretatieprincipes als voor de andere teksten. Hij merkte tot zijn grote vreugde dat de profetische symbolen konden worden verklaard, dat de profetieën die al waren uitgekomen letterlijk in vervulling waren gegaan, dat alle beeldspraak, gelijkenissen, vergelijkingen, enz. onmiddellijk worden uitgelegd of dat de woorden waarmee ze worden uitgedrukt in andere bijbelteksten worden verklaard en dat ze dan letterlijk moeten worden opgevat. Hij zei hierover: „Ik was er toen van overtuigd dat de Bijbel de geopenbaarde waarheid weergeeft die zó duidelijk en eenvoudig is dat de zoekende mens, ook al is hij nog zo dom, niet hoeft te dwalen" (Bliss, p. 70).

Zijn inspanningen werden met succes bekroond; hij ontdekte de ene schakel van de waarheid na de andere toen hij de grote profetische lijnen stuk voor stuk onderzocht. Engelen leidden hem in zijn onderzoek en gaven hem inzicht in de Schrift.

Miller nam de manier waarop de profetieën in het verleden in vervulling zijn gegaan als maatstaf voor de beoordeling van de profetieën die nog moesten uitkomen en kwam tot de overtuiging dat de algemeen gangbare opvatting over Christus' geestelijk Koninkrijk - een millennium of duizendjarig rijk vóór het einde van de wereld - absoluut onbijbels was. Volgens deze leer zou er gedurende duizend jaar vrede en gerechtigheid op aarde heersen vóór de persoonlijke wederkomst van Christus. Daardoor worden de verschrikkingen van „de dag des Heren" naar een verre toekomst verschoven. Deze leer is misschien wel aantrekkelijk, maar is beslist in strijd met de leer van Christus en de apostelen, die hadden gezegd dat het onkruid en het koren samen moesten opgroeien tot de oogsttijd - het einde van de wereld - en hadden gewaarschuwd.

„Slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen". „Weet wel dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen."

Het koninkrijk der duisternis zal blijven bestaan tot de wederkomst en zal worden verteerd „door de adem zijns monds" en zal machteloos worden gemaakt „door zijn verschijning, als Hij komt" (Matteüs 13:30,38-41; 2 Timoteüs 3:13,1; 2 Tessalonicenzen 2:8).

De apostolische gemeente geloofde niet in de leer van de bekering van de hele wereld en het geestelijk Koninkrijk van Christus. Pas in het begin van de achttiende eeuw vond deze leer algemeen ingang onder de christenen. De gevolgen van deze dwalingen - en van alle andere dwalingen trouwens - waren rampzalig.
Als de wederkomst van Christus naar een verre toekomst wordt verschoven, letten de mensen niet op de tekenen die zijn wederkomst aankondigen. Daardoor ontstond ten onrechte een gevoel van vertrouwen en zekerheid en vonden velen het niet nodig zich voor te bereiden om Christus te ontmoeten.

Volgens Miller leert de Bijbel duidelijk dat Christus letterlijk en persoonlijk zal terugkomen. Paulus zegt: „De Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel" (l Tessalonicenzen 4:16).

En Christus zegt: „En zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels met grote macht en heerlijkheid". „Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn" (Mattheüs 24:30, 27).

Hij zal komen met al de heilige engelen: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid" (Mattheüs 25:31). „En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen" (Mattheüs 24:31).

Bij de wederkomst zullen zij die in Christus gestorven zijn, worden opgewekt en de rechtvaardigen die nog in leven zijn, zullen worden veranderd. Paulus zegt: „Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laat­ste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen" (1 Korintiërs 15:51-53).

In zijn brief aan de Tessalonicenzen zegt hij na zijn beschrijving van de wederkomst van Christus: „Zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen" (l Tessalonicenzen 4:16,17).

Christus' volgelingen zullen het Koninkrijk pas bij zijn persoonlijke wederkomst ontvangen. Jezus zei: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af' (Matteüs 25:32-34).

Al deze bijbelteksten tonen duidelijk aan dat zij die in Christus gestorven zijn onvergankelijk worden opgewekt en dat bij zijn wederkomst de levenden worden veranderd. Door deze ingrijpende veranderingen zijn ze gereed om het Koninkrijk te ontvangen, want Paulus zegt: „Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet" (l Korintiërs 15:50).

De mens is nu sterfelijk en vergankelijk, maar Gods Koninkrijk zal onvergankelijk zijn en eeuwig bestaan. Daarom kan de mens zoals hij nu is het Koninkrijk niet binnengaan, maar wanneer Jezus terugkomt, zal Hij de verlosten onsterfelijk maken en hun het Koninkrijk, waarvan ze tot dat ogenblik slechts erfgenamen waren, schenken.

Deze en andere teksten bewezen volgens Miller duidelijk dat de gebeurtenissen die volgens de meeste mensen vóór de wederkomst van Christus moesten plaatsvinden - bijvoorbeeld een universeel vrederijk en de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde - volgens de Bijbel na de wederkomst zouden plaatshebben. Bovendien beantwoordden alle tekenen en de toestand van de wereld aan de profetische beschrijving van de laatste dagen. Hij moest alleen al op grond van zijn onderzoek van de Bijbel tot de conclusie komen dat er heel binnenkort een einde zou komen aan de tijd die God had uitgetrokken voor het bestaan van onze aarde in haar huidige vorm.

Hij zegt ook: „Een ander bewijs dat grote indruk op mij maakte was de tijdrekening van de Bijbel... Ik ontdekte dat de gebeurtenissen die in het verleden waren voorzegd vaak binnen een bepaalde tijd plaatsvonden. De honderd twintig jaar vóór de zondvloed (Genesis 6:3), de zeven dagen die eraan vooraf zouden gaan en de veertig dagen regen (Genesis 7:4), het verblijf van Abrahams nakomelingen in een vreemd land gedurende vierhonderd jaar (Genesis 15:13), de drie dagen in de dromen van de schenker en de bakker (Genesis 40:12-20), de zeven jaren van Farao (Genesis 41:28-54), de veertig jaar in de woestijn (Numeri 14:34), de hongersnood gedurende drie en een half jaar (l Koningen 17:1 (zie Lucas 4:25)), ...de zeventig jaren in ballingschap (Jeremia 25:11), de zeven tijden van Nebukadnezar (Daniël 4:13-16), en de zeven weken, twee en zestig weken en één week, in totaal zeventig weken, die voor de Joden waren bepaald (Daniël 9:24-27). Al deze gebeurtenissen waarvoor een tijd was vastgesteld, waren eens profetieën en hebben zich letterlijk vervuld" (Bliss, pp. 74,75).

Toen Miller bij zijn onderzoek van de Bijbel verscheidene tijdperken ontdekte die volgens hem tot aan de wederkomst van Christus reikten, beschouwde hij ze dan ook prompt als „de tijden van tevoren bepaald", die God aan zijn boodschappers had meegedeeld.

Mozes zegt: „De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd." En Amos verklaart: „Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten" (Deuteronomium 29: 29; Amos 3:7).

Zij die Gods Woord onderzoeken mogen er dan ook op vertrouwen dat de meest opzienbarende gebeurtenissen in de we­reldgeschiedenis ook duidelijk in de Schrift vermeld zijn.

„Aangezien ik er ten volle van overtuigd was dat 'elk van God ingegeven schriftwoord nuttig is om te onderrichten', (2 Timoteüs 3:16) dat 'profetie nooit is voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, mensen van Godswege hebben ge­sproken' (2 Petrus 1:21) en dat al wat tevoren geschreven is tot ons onderricht geschreven werd, (Romeinen 15:4) was ik van mening dat de chronologische gedeelten ook tot Gods Woord behoorden en dus met evenveel aandacht moesten worden bestudeerd als de andere bijbelgedeelten. Daarom vond ik dat ik niet het recht had de profetische tijdperken over te slaan bij mijn poging om te begrijpen wat God in zijn genade aan ons heeft geopenbaard" (Bliss, p. 75).

De profetie die volgens Miller zeer duidelijk de tijd van de wederkomst aangaf, was Daniël 8:14: „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden."

Miller paste zijn regel dat de Bijbel zichzelf uitlegt toe en stelde vast dat één dag in een symbolische profetie gelijkstaat met één jaar in werkelijkheid. (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6).

Hij kwam tot de conclusie dat de periode van de 2300 profetische dagen of evenveel letterlijke jaren veel verder reikte dan het einde van de oudtestamentische bedeling en dat die periode dus ook niet doelde op het heiligdom van het Oude Testament.

Miller aanvaardde de algemeen gangbare opvatting dat de aarde het heiligdom van de christelijke bedeling was. Hij dacht dan ook dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom", zoals voorzegd in Daniël 8:14, de reiniging van de aarde door vuur bij de wederkomst van Christus voorstelde. Als hij het juiste beginpunt van de 2300 avonden en morgens kon vinden, zou hij ook de juiste tijd van de wederkomst kunnen bepalen. Zo zou hij de tijd van „de voleinding aller dingen" kennen; de tijd wanneer de bestaande wereldorde met „al zijn hoogmoed en macht, praal en ijdelheid, verdorvenheid en verdrukking zou eindigen", de tijd wanneer „de vloek van de aarde zou worden weggenomen, de dood zou worden vernietigd, de beloning zou worden gegeven aan de dienstknechten van God, aan de profeten en de heiligen en aan hen die zijn naam vrezen, de tijd wanneer de verwoesters van de aarde zouden worden vernietigd" (Bliss, p. 76).

Miller zette zijn onderzoek van de profetieën met grote ernst voort. Niet alleen overdag, maar ook 's nachts wijdde hij zich aan de studie van het onderwerp, dat hij buitengewoon belangrijk en boeiend vond. In hoofdstuk 8 van Daniël kon hij geen aanwijzing vinden voor het beginpunt van de „2300 avonden en morgens". Hoewel de engel Gabriël de opdracht had gekregen om Daniël het gezicht te doen verstaan, had hij maar een gedeeltelijke uitleg gegeven. Toen de profeet hoorde welke verschrikkelijke vervolgingen over de gemeente zouden komen, was hij aan het eind van zijn krachten. Hij kon de uitleg niet meer verwerken en de engel liet hem enige tijd met rust. Daniël zegt zelf: „En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek". „En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het."

Toch had God zijn boodschapper de opdracht gegeven: „Doe deze het gezicht verstaan". Die opdracht moest worden uitgevoerd. Daar­om ging de engel na enige tijd weer naar Daniël en zei: „Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven". „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht" (Daniël 8:27,16; 9:22,23,25-27).

Eén belangrijk punt in het gezicht was nog niet verklaard, namelijk de periode van „de 2300 avonden en morgens". Daarom ging de engel bij de hervatting van zijn uitleg dieper op dit onderwerp in:

„Zeventig weken zijn bestemd (afgesneden Hebreeuws) over uw volk en over uw heilige stad... Weet dan en versta: van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen tot op de Messias, de Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden... En Hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der welk zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden."

De engel was naar Daniël gestuurd met de duidelijke opdracht hem het punt uit te leggen dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had begrepen: „twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden". Nadat de engel had gezegd „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht", begon hij onmiddellijk aan zijn uitleg: „Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad". Het woord dat vertaald is door 'bepaald' betekent letterlijk 'afgesneden'. Zeventig weken of 490 jaar zijn volgens de engel afgesneden voor het Joodse volk.

Maar waarvan zijn ze afgesneden? Daar er in hoofdstuk 8 alleen sprake is van één periode, moeten de zeventig weken daarvan afgesneden zijn. De zeventig weken zijn dus een stuk van de 2300 avonden en morgens en de twee periodes hebben hetzelfde beginpunt. De engel zei dat de zeventig weken begonnen op het ogenblik dat het bevel uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen. Als men die datum kon vaststellen, had men meteen ook het begin van de 2300 avonden en morgens.

Dit decreet kunnen we in het zevende hoofdstuk van Ezra, vers 12-26, vinden. De volledige tekst werd door Artaxerxes (Artachsasta), koning van Perzië, afgekondigd in 457 v. Chr. Maar in Ezra 6:14 lezen wij dat de bouw voltooid werd „volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië". Deze drie koningen brachten door hun afkondiging, bevestiging en aanvulling het bevel tot de volmaaktheid die nodig was om het begin van de profetie van de twee duizend driehonderd avonden en morgens aan te duiden. Als men 457 v. Chr. als uitgangspunt voor de berekening aanneemt, kan men vaststellen dat elk detail in verband met de zeventig weken in vervulling is gegaan.

„Vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven"; in totaal negen en zestig weken of 483 jaar. Het decreet van Artaxerxes werd van kracht in de herfst van 457 v, Chr.

Vanaf deze datum gerekend reiken de 483 jaar tot de herfst van 27 na Chr. (Zie aanhangsel onder 'Profetische data' )

Op dat ogenblik ging deze profetie in vervulling. Het woord Messias betekent 'de Gezalfde'. In de herfst van 27 na Chr, werd Jezus door Johannes gedoopt en werd Hij door de Heilige Geest gezalfd. De apostel Petrus zegt dat „God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd" (Handelingen 10:38).

Christus verklaarde zelf: „De geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen" (Lucas 4:18). Na zijn doop ging Jezus naar Galilea „om het evangelie Gods te prediken, [en Hij zeide]: De tijd is vervuld" (Marais l; 14,15).

„En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang". Dat is dan de zeventigste week, de laatste zeven jaar van de periode die voor de Joden „bepaald" was. In deze periode tussen 27 en 34 na Chr. richtte Jezus Zich eerst zelf en daarna door zijn discipelen in het bijzonder tot de Joden met de evangelieboodschap.

Toen de apostelen vertrokken om het goede nieuws van het Koninkrijk te verspreiden, zei Jezus: „Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls" (Matteüs 10:5,6).

„In de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden". In 31 na Chr., drie en een halfjaar na zijn doop, werd Christus gekruisigd. Met het grote offer van Golgotha kwam er ook een einde aan de offers die vierduizend jaar lang hadden gewezen op het Lam van God. Het beeld werd door zijn tegenbeeld vervangen en daardoor kwam er ook een einde aan „slachtoffer en spijsoffer" van de ceremoniële wetgeving.

De zeventig profetische weken of 490 letterlijke jaren die vooral voor het Joodse volk waren „bepaald", eindigden dus in 34 na Chr. In dat jaar bezegelde het volk zijn verwerping van het evangelie door het optreden van het Sanhedrin, waardoor Stefanus werd gestenigd en de volgelingen van Christus werden vervolgd. Toen werd de reddingsboodschap niet meer alleen aan het uitverkoren volk, maar aan de hele wereld gebracht.

De discipelen moesten vanwege de vervolgingen in Jeruzalem, de stad verlaten. „Zij dan die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende". „En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus."

Petrus werd door de Heilige Geest geleid (oen hij „het goede nieuws" aan de hoofdman uit Caesaréa, de godvrezende Comelius, bracht. En de vurige Paulus, die bekeerd werd, moest het goede nieuws „ver weg, naar de heidenen" brengen. (Handelingen 8:4,5; 22:21).

De profetieën zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgekomen. Het leed dan ook niet de minste twijfel dat de zeventig weken in 457 v, Chr. begonnen en in 34 na Chr. eindigden. Het is dan niet moeilijk te bepalen wanneer „de tweeduizend driehonderd avonden en mor­gens" eindigden. De zeventig weken of 490 dagen waren afgesneden van het grotere stuk van de 2300 dagen. Er bleven dus nog 1810 dagen over. Als men bij 34 na Chr. 1810 jaar optelt, komt men in 1844. Volgens de engel zou bij het verstrijken van deze periode „het heiligdom in rechte staat hersteld worden". Zo was het tijdstip van de reiniging van het heiligdom, dat naar men algemeen aannam bij de wederkomst van Christus zou plaatsvinden, ook vastgesteld.

Miller en zijn medewerkers meenden eerst dat de 2300 avonden en morgens in de lente van 1844 zouden eindigen, terwijl de profetie doelde op de herfst van dat jaar (zie Aanhangsel onder 'profetische data') Deze vergissing was de oorzaak van teleurstelling en onzekerheid voor de gelovigen die dachten dat Christus in de lente zou terugkomen, maar dit deed absoluut geen afbreuk aan de juistheid van het argument dat de 2300 avonden en morgens in 1844 eindigden en dat de belangrijke gebeurtenis die wordt aangeduid als „het in rechte staat herstellen van het heiligdom" dan zou plaatsvinden.

Toen Miller de Schrift begon te onderzoeken om vast te stellen of ze inderdaad van goddelijke oorsprong was, had hij helemaal niet ge­dacht dat hij tot deze conclusie zou komen. Hij kon de resultaten van zijn onderzoek bijna niet geloven, maar het bewijs van de bijbel was te duidelijk en te overtuigend om te worden verworpen.

Hij had de Bijbel twee jaar lang bestudeerd toen hij in 1818 tot de belangrijke conclusie kwam dat Christus over ongeveer vijfentwintig jaar zou terugkomen om zijn volk te verlossen. Hij zei: „Het spreekt vanzelf dat ik blij was om dit heerlijke vooruitzicht. Het is begrijpe­lijk dat ik er ook vurig naar verlangde te mogen delen in de vreugde van de verlosten. De Bijbel was voor mij nu een nieuw boek. Het was een genot voor mijn geest. Alles wat vroeger onbegrijpelijk, onduidelijk of duister scheen, was verdreven door het heldere licht dat nu uit zijn heilige bladzijden straalde. De waarheid schitterde met buitengewone pracht!

Alle tegenstrijdigheden en ongerijmdheden die ik vroeger had ontdekt, waren verdwenen, hoewel ik niet zou durven beweren dat ik alles volledig had begrepen. Toch scheen er zoveel licht uit de bijbel om mijn geest, die vroeger verduisterd was, te verlichten, zodat ik de Bijbel echt met plezier bestudeerde. Ik had dat vroeger niet voor mogelijk gehouden" (Bliss, pp. 76,77).

„Door de heilige overtuiging dat de Bijbel zulke belangrijke gebeurtenissen voorzegde die binnen afzienbare tijd in vervulling zouden gaan, werd ik geconfronteerd met de vraag wat mijn verplichtingen tegenover de wereld waren" (Ibid., p. 81). Miller voelde zich gedrongen het licht dat hij had ontvangen aan anderen door te geven. Hij verwachtte wel dat hij op verzet van de ongelovigen zou stuiten, maar was er zeker van dat alle christenen blij zouden zijn als ze hoorden dat de Verlosser in wie ze geloofden binnenkort zou terugkomen. Hij was alleen bang dat velen door de grote vreugde over het vooruitzicht van hun spoedige verlossing de leer zouden aannemen zonder zich de moeite te getroosten de Bijbel te onderzoeken om na te gaan of alles wel waar was. Hij aarzelde er over te spreken omdat hij bang was dat hij het bij het verkeerde eind had en daardoor ook anderen op een dwaalspoor zou brengen. Hij ging dus de bewijsgronden die hem tot zijn conclusie hadden geleid nog eens na en onderzocht elke moeilijkheid die hij tegenkwam zeer grondig. De bezwaren bleken in het licht van Gods Woord te verdwijnen als sneeuw voor de zon. Na een studie van vijf jaar was hij er ten volle van overtuigd dat zijn conclusies juist waren.

Hij was toen nog meer dan vroeger overtuigd dat het zijn plicht was aan anderen bekend te maken wat volgens hem zo duidelijk door de Bijbel werd geleerd. Hij schrijft over deze periode: „Wanneer ik mijn werk deed, hoorde ik altijd een stem die mij voortdurend zei: 'Ga de mensen waarschuwen voor het gevaar dat hun boven het hoofd hangt'. En ik moest steeds denken aan Ezechiëls woorden: 'Als ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven, - maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij een goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daarvan niet, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered" (Ezechiël 33:8,9).

Ik was van mening dat als ik de ongelovige duidelijk op de gevaren wees zeer velen tot inkeer zouden komen, maar als ze niet waren gewaarschuwd ik rekenschap zou moeten afleggen voor hun bloed" (Bliss, p. 92).

 

Terug pagina 2 pagina 4