De boodschap van de wederkomst p.2

De mensen moesten worden gewezen op het gevaar dat ze liepen. Ze moesten worden opgeroepen om zich voor te bereiden op de ern­stige gebeurtenissen die gepaard gaan met de afsluiting van de genadetijd. Gods boodschapper zegt: „Groot is de dag des HEREN en zeer geducht! Wie zal hem verdragen?" Wie zal in leven blijven wanneer Hij verschijnt van Wie gezegd wordt: „Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te zien, en die het onrecht niet kunt aanschouwen" (Joël 2:11; Habakuk 1:13). Voor hen die roepen: „Mijn God! Wij (...) kennen U!" Maar toch Zijn verbond overtreden en een andere god dienen, die de boosheid in hun hart verbergen en graag het pad der ongerechtigheid bewandelen, is de dag des HEREN „duisternis en geen licht, ja donker en zonder glans" (Hosea 8:2,1; Psalm 16:4; Amos 5:20).

„Het zal te dien tijde geschieden, dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken: Ik zal bezoeking doen over de mannen die dik geworden zijn op hun droesem, en bij zichzelf denken: De HERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad" (Sefanja 1:12). „Dan zal Ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen" (Jesaja 13:11).

„Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden"; „Hun rijkdommen zullen zijn ter plundering en hun huizen ter verwoesting" (Sefanja 1:18,13).

Jeremia zag deze verschrikkelijke dag van verre en riep uit: „O mijn binnenste, mijn binnenste! Ik moet ineenkrimpen. O wanden mijns harten! Mijn hart jaagt in mij, ik kan niet zwijgen; want bazuingeschal hoor ik, strijdrumoer. Slag na slag wordt gemeld" (Jeremia 4:19,20).

„Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis, een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw" (Sefanja 1:15,16). „Zie de dag des HEREN komt... om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen" (Jesaja 13:9).

Gods Woord doet met het oog op die grote dag in de plechtigste bewoordingen een beroep op zijn volk om een eind te maken aan de geestelijke onverschilligheid om in berouw en ootmoed tot God te komen: „Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des HEREN komt".

„Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek. Laat de priesters, de dienaren des HEREN, tussen de voorhal en het altaar wenen".

„Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Scheurt uw hart en niet uw klederen en bekeert u tot de HERE, uw God. Want genadig en barmhartig is Hij, lankmoedig en groot van goedertierenheid, berouw hebbende over het onheil" (Joël 2: l,15-17,12,13).

Er was een grondige hervorming nodig om een volk voor te bereiden dat zou kunnen staan op „de dag des Heren". God zag dat velen die zich zijn kinderen noemden, niet werkten voor de eeuwigheid en heeft in zijn genade een waarschuwingsboodschap gezonden om hen uit hun roes te wekken zodat ze zich op Christus' wederkomst kunnen voorbereiden.

Deze waarschuwing vinden we in Openbaring 14; een drievoudige boodschap wordt door engelen verkondigd en wordt onmiddellijk ge­volgd door de komst van de Zoon des mensen om „de oogst van de aarde" binnen te halen. De eerste boodschap kondigt het naderende oordeel aan. De profeet zag een engel „vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft" (Openbaring 14:6,7).

De tekst zegt dat deze boodschap een onderdeel is van „het eeuwig evangelie". De verkondiging van het evangelie is niet aan engelen, maar aan mensen toevertrouwd. Engelen leiden dit werk in goede banen en geven leiding aan de grote bewegingen ter verlossing van de mens, maar de eigenlijke verkondiging van het evangelie gebeurt door de boodschappers van Christus op aarde.

Getrouwe mannen, die luisterden naar de richtlijnen van Gods Geest en naar de onderrichtingen van zijn Woord, moesten deze waarschuwing aan de wereld brengen. Zij hadden „acht gegeven op het profetische woord" dat is als „een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat" (2 Petrus 1:19).

Zij hadden naar de kennis van God gezocht en hadden haar meer waard geacht dan alle verborgen schatten. Ze dachten zoals de spreukendichter: „Wat zij opbrengt, is beter dan de opbrengst van zilver, wat zij doet gewinnen, is beter dan goud" (Spreuken 3:14). En de Here wees hen op de grote dingen van het koninkrijk. „Des HEREN vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen, en zijn verbond maakt Hij hun bekend" (Psalm 25:14).

Het waren niet de geleerde theologen die deze waarheid begrepen en verkondigden. Als zij trouwe wachters waren geweest en de Bijbel ijverig en biddend hadden onderzocht, zouden ze geweten hebben, „wat er van de nacht was". Zij zouden aan de hand van de profetieën hebben geweten wat er spoedig zou gebeuren. Maar dat deden ze niet en daarom werd de boodschap aan eenvoudige mensen toevertrouwd. Jezus had gezegd: „Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle" (Johannes 12:35).

Wie zich afkeert van het licht dat God hem gegeven heeft of het niet zoekt terwijl het binnen zijn bereik is, wordt in de duisternis gelaten. Maar Jezus zegt: „Wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen" (Johannes 8:12). „Wie er oprecht naar streeft Gods wil te doen en handelt volgens het licht dat hij al heeft, zal nog meer licht ontvangen en een ster met een hemelse lichtglans zal hem in alle waarheid leiden.

Bij Christus' eerste komst hadden de priesters en schriftgeleerden van de Heilige Stad, die de bewaarders van Gods uitspraken waren, de tekenen des tijds kunnen onderscheiden en de komst van de beloofde Messias kunnen verkondigen. Micha had zijn geboorteplaats voorzegd en Daniël had de tijd van Zijn komst gegeven (Micha 5:1; Daniël 9:25).

God had deze profetieën aan de Joodse leiders toevertrouwd. Ze konden geen enkele verontschuldiging inroepen als ze dat niet wisten en de mensen niet vertelden dat de komst van de Messias nabij was. Hun onwetendheid was het gevolg van hun misdadige nalatigheid. De Joden richtten monumenten op voor de vermoorde profeten van God, terwijl ze door hun ontzag voor de groten van deze wereld eer bewezen aan de medewerkers van Satan. Zij waren zó in beslag genomen door hun eerzuchtig streven naar een hoge plaats en macht dat ze geen oog hadden voor de goddelijke eer die hun door de Koning des hemels werd aangeboden.

De oudsten van Israël hadden plaats, tijd en omstandigheden van de belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis - de komst van Gods Zoon om de mensen te verlossen - met de grootste eerbied en belangstelling moeten onderzoeken. Het hele volk had moeten waken en wachten om tot de eersten te behoren die de Verlosser der wereld zouden verwelkomen. Maar wat gebeurde er? Twee vermoeide reizi­gers uit de heuvels van Nazareth trokken door een smalle straat naar het meest oostelijke deel van de stad. Ze zochten tevergeefs naar een plaats om rust en onderdak voor de nacht te vinden. Er was geen plaats voor hen. Ze werden tenslotte ondergebracht in een armoedige stal en daar werd de Verlosser der wereld geboren.

De engelen in de hemel kenden de heerlijkheid die de Zoon met de Vader deelde voordat de wereld bestond en hadden met grote belangstelling zijn komst naar de aarde gevolgd. Ze dachten dat alle mensen er zeer blij om zouden zijn. Er waren engelen aangesteld om het blijde nieuws te brengen aan de mensen die bereid waren het te ontvangen en het met vreugde aan de bewoners van de aarde wilden gaan meedelen. Christus heeft zich vernederd en heeft de gestalte van een mens aangenomen. Hij moest de oneindige last van de zonde dragen, want Hij moest een slachtoffer voor de zonde worden. Toch hoopten de engelen dat de Zoon van de Allerhoogste ondanks zijn vernedering onder de mensen zou verschijnen met de waardigheid en heerlijkheid die bij Hem hoorden. Zouden de machthebbers in Israëls hoofdstad samenkomen om Hem te begroeten? Zouden de engelen Hem kunnen voorstellen aan de mensen die op Hem stonden te wachten?

Een engel daalt neer op aarde om te zien wie zich heeft voorbereid om Jezus te verwelkomen. Hij merkt dat niemand Hem verwacht. Hij hoort geen enkele stem die juicht omdat de komst van de Messias nabij is. De engel zweeft enige tijd over de uitverkoren stad en de tempel, waar God eeuwenlang zijn tegenwoordigheid heeft geopenbaard, maar ook daar heerst alleen onverschilligheid. De priesters brengen met veel pracht en praal hun bezoedelde offers in de tempel. De Farizeeën spreken het volk met luider stem toe en staan met veel vertoon op de hoeken te bidden. In de paleizen, in de vergaderingen van wijsgeren, in de scholen van de rabbijnen maakt niemand zich druk om het wonder dat de ganse hemel met vreugde en lof vervult; de Verlosser der mensheid staat op het punt geboren te worden.

Niets wijst erop dat de mensen Christus verwachten. Nergens hebben zij zich op de komst van de Levensvorst voorbereid. De hemelse boodschapper is zeer verbaasd en wil net naar de hemel terugkeren om het slechte nieuws te brengen wanneer hij een groep herders ziet die 's nachts de wacht houden bij hun kudde en hun blik richten naar de met sterren bezaaide hemel. Ze denken aan de profetie die de komst van de Messias naar de aarde voorzegt en zien uit naar de Verlosser der wereld. Deze mensen zijn bereid de boodschap uit de hemel te ontvangen. Plots verschijnt Gods engel en verkondigt het blijde nieuws. De vlakte wordt vervuld van hemelse heerlijkheid. De herders zien een ontelbare schare engelen. De vreugde schijnt te groot om maar door één boodschapper uit de hemel te worden gebracht, talloze stemmen heffen een lied aan dat de verlosten ook eens zullen zingen: „Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens" (Lucas 2:14).

In dit mooie verhaal van Bethlehem ligt een ernstige les besloten. Het veroordeelt ons ongeloof, onze hoogmoed en onze zelfingeno­menheid. Het waarschuwt ons dat wij op onze hoede moeten zijn, want wij lopen door onze misdadige onverschilligheid het gevaar de tekenen des tijds niet te zien en dreigen daardoor ,,de dag van onze bezoeking" te vergeten.

De engelen vonden echter niet alleen op de heuvels van Judéa of onder de eenvoudige herders mensen die de komst van de Messias verwachtten. Ook onder de heidenen waren er mensen die naar Hem uitzagen; de vrome en rijke wijzen uit het oosten, die door hun onderzoek van de natuur God in de schepping hadden gevonden. In de geschriften van de Hebreeën hadden ze gelezen dat een Ster uit Jacob zou opgaan en ze wachtten vol verlangen op de komst van Hem die niet alleen „de vertroosting van Israël" zou zijn, maar ook „een licht tot openbaring voor de heidenen", „opdat zij tot heil zouden zijn tot aan het uiterste der aarde" (Lucas 2:25,32; Handelingen 13:47).

Zij zochten naar licht en het licht van de troon van God scheen op hun pad. Terwijl de priesters en rabbijnen van Jeruzalem, die tot wachters en uitleggers van de waarheid waren aangesteld, in duisternis waren gedompeld, leidde de ster aan de hemel deze vreemdelingen naar de geboorteplaats van de pasgeboren Koning.

Christus zal „ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten" (Hebreeën 9:28). De boodschap van de wederkomst is ook niet toevertrouwd aan de godsdienstige leiders van het volk. Zij zijn niet in contact met God gebleven en hebben het licht uit de hemel niet aangenomen. Daarom sloegen Paulus' woorden „maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe" (l Tessalonicenzen 5:4,5). Dit sloeg niet op de kerkelijke leiders.

De wachters op Sions muren hadden de eersten moeten zijn om de boodschap van de wederkomst van Christus aan te nemen, zij hadden als eersten de nabijheid van die gebeurtenis moeten verkondigen en het volk moeten oproepen zich op zijn komst voor te bereiden. Maar zij waanden zich veilig, droomden van „vrede en geen gevaar", terwijl de mensen in onwetendheid en zonde verder leefden. Jezus zag zijn gemeente. Ze was als een vijgenboom die wel heel mooie bladeren had, maar geen vruchten voortbracht. De mensen waren trots op hun vormendienst, terwijl ze de geest van ware nederigheid, berouw en geloof- het enige wat God op prijs stelt - niet hadden. In plaats van de vruchten van de Geest was er hoogmoed, menselijke overlevering, grootspraak, zelfzucht en verdrukking. De afvallige gemeente was blind voor de tekenen des tijds.

God had hen niet verlaten en was niet ontrouw geweest, maar zij hadden zich van Hem verwijderd en hadden zijn liefde afgewezen. Zijn beloften aan hen werden niet vervuld, omdat ze weigerden aan de voorwaarden te voldoen.

Zo gaat het altijd wanneer mensen het licht en de voorrechten die God schenkt niet op prijs stellen en niet willen aannemen. Als de gemeente de weg die God haar in zijn voorzienigheid aanwijst niet wil bewandelen, als ze niet elke lichtstraal wil aanvaarden en de plichten die haar zijn opgelegd niet wil uitvoeren, ontaardt de godsdienst tot een vormendienst en verdwijnt de ware godsvrucht. De kerkgeschiedenis heeft herhaaldelijk bewezen dat dit waar is. God verwacht van zijn kinderen geloof en gehoorzaamheid die beantwoorden aan de zegeningen en voorrechten die zij hebben ontvangen.

Gehoorzaamheid houdt ook in dat men offers moet brengen en zijn kruis moet dragen. Daarom wilden zo velen die zich voor volgelingen van Christus uitgeven het licht uit de hemel niet aannemen. Zoals de Israëlieten in het verleden hebben ook zij niet gemerkt dat God naar hen omzag. (Lucas 19:44). Ze zijn vanwege hun hoogmoed en ongeloof door God gepasseerd. God heeft zijn waarheid geopenbaard aan de gelovigen die zoals de herders van Bethlehem en de wijzen uit het Oosten het licht dat zij hadden ontvangen op prijs stelden.

Terug

pagina 1

pagina 3