Een hervorming voor deze tijd

De sabbathervorming van de eindtijd werd door de profeet Jesaja voorzegd: „Zo zegt de HERE: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want mijn heil staat gereed om te komen en mijn gerechtigheid om zich te openbaren.

Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niet kwaads doet.” „En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen en die vasthouden aan mijn verbond: „Hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis” (Jesaja 56:1,2,6,7).

Uit de tekst blijkt dat deze woorden betrekking hebben op de periode van de christelijke bedeling: „Het woord van de Here HERE, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn” (vers 8). De heidenen zouden door de verkondiging van het evangelie „bijeengebracht worden” en in de tekst wordt een zegen uitgesproken over hen die later de sabbat zouden heiligen. Het vierde gebod blijft dus ook van kracht na de kruisiging, opstanding en hemelvaart van Christus, tot de tijd wanneer Gods boodschappers het evangelie aan alle volken zullen verkondigen.

God heeft bij monde van dezelfde profeet de opdracht gegeven: „Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen” (Jesaja 8:16).

Het zegel van Gods wet kan men in het vierde gebod vinden. Dit is het enige gebod dat zowel de naam als de titel van de Wetgever noemt. Het zegt dat Hij de Schepper van hemel en aarde is en verklaart dat alleen God recht heeft op aanbidding. Buiten dit gebod is er geen enkel punt in de Tien Geboden waaruit men kan opmaken op wiens gezag deze wet is gegeven. Toen het pausdom de sabbat veranderde, vernietigde die macht het zegel van de wet. Tot de volgelingen van Jezus wordt de oproep gericht dit zegel opnieuw aan te brengen door de sabbat van het vierde gebod zijn rechtmatige plaats als het gedenkteken van de Schepper en het teken van zijn gezag te geven.

„Tot de wet en tot de getuigenis!” Er is een overvloed aan tegenstrijdige leerstellingen en theorieën, maar Gods wet is de enige onfeilbare maatstaf waaraan alle opvattingen, leerstellingen en theorieën moeten worden getoetst. De profeet zegt: „Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad.”

Ook wordt het bevel gegeven: „Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jacob zijn zonden”. Niet de zondige wereld, maar de mensen die God „mijn volk” noemt, moeten om hun overtredingen worden veroordeeld. God zegt ook: „Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis mijner wegen, als een volk dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet veronachtzaamt.” (Jesaja 58:1,2). Deze tekst verwijst naar de groep mensen die zichzelf rechtvaardig vinden en een grote belangstelling aan de dag schijnen te leggen voor het dienen van God, maar de ernstige woorden van Hem, die de harten doorgrondt, tonen aan dat ze Gods geboden met voeten treden. De profeet wijst in de volgende bewoordingen op de inzetting die ze hebben overtreden: „En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten.

Indien gij niet over de sabbat heenloopt door uw zaken te doen op mijn heilige dag, maar de sabbat een verlustiging noemt, de heilige dag des Heren van gewicht, en die eert noch door uw gewone bezigheden te doen, noch uw zaken te behartigen, of ijdele taal uit te slaan, dan zult gij u verlustigen in de HERE. (vers 12-14). Ook deze profetie heeft betrekking op onze tijd. De bres werd in Gods wet geslagen toen de sabbat door de rooms-katholieke kerk werd veranderd. Maar de tijd is aangebroken om deze goddelijke instelling te herstellen.

De bres moet worden dicht gemaakt en de grondvesten van vorige geslachten moeten worden hersteld.

De sabbat werd door de rust van de Schepper geheiligd en God verbond ook zijn zegen aan deze dag. Vóór Adam had gezondigd, heiligde hij de sabbat in de hof van Eden. Ook nadat hij was gevallen, berouw had getoond en uit het paradijs was verdreven, bleef hij de sabbat heiligen.

Alle patriarchen, van Abel tot de rechtvaardige Noach, en ook Abraham en Jakob hebben de sabbat gevierd. Toen het uitverkoren volk in slavernij leefde in Egypte vergaten velen de voorschriften van Gods wet door de afgodendienst die er hoogtij vierde. Maar toen God Israël uit de slavernij had verlost, kondigde Hij zijn wet plechtig af aan de vergadering, opdat zij zijn wil zouden kennen en Hem voor altijd zouden vrezen en gehoorzamen.

Sinds die tijd is de kennis van Gods wet op aarde gebleven en heeft men de sabbat van het vierde gebod geheiligd. Hoewel „de mens der wetteloosheid” erin geslaagd is Gods heilige dag met voeten te treden, waren er zelfs in de periode van pauselijke opperheerschappij trouwe gelovigen die de sabbat op afgelegen plaatsen heiligden. Sinds de Hervorming zijn er in elke generatie mensen geweest die de sabbat vierden. Zo is er - vaak ondanks spot en vervolging - een voortdurend getuigenis afgelegd voor het eeuwige karakter van Gods wet en voor de heilige verplichting de sabbat van de schepping te heiligen.

In Openbaring 14 wordt in verband met „het eeuwige evangelie” voorzegd dat deze waarheden de gemeente van Christus in de tijd van zijn wederkomst zullen kenmerken. Want het resultaat van de drievoudige boodschap zal zijn: „De volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren”. Dit is de laatste boodschap die zal worden gebracht voordat Christus terugkeert. Onmiddellijk na de verkondiging van deze boodschap ziet Johannes de Zoon des mensen in heerlijkheid naar de aarde komen om de oogst binnen te halen.

De gelovigen die de functie van het heiligdom begrepen en beseften dat Gods wet onveranderlijk is, waren vol blijdschap en bewondering toen ze de schoonheid en harmonie ontdekten van de waarheid die nu tot hen begon door te dringen. Ze wilden dat alle christenen deze belangrijke waarheid zouden leren kennen en waren ervan overtuigd dat ze haar ook vol blijdschap zouden aannemen. Door deze waarheid zouden ze echter van de wereld verschillen en daarom werd ze slecht ontvangen door velen die beweerden dat ze volgelingen van Christus waren. Gehoorzaamheid aan het vierde gebod eiste een offer dat de meeste gelovigen niet wilden brengen.

Toen de verplichtingen van het vierde gebod werden uiteengezet, bleken velen te redeneren als ongelovigen. Zij zeiden: „Wij hebben altijd de zondag gevierd, onze ouders en grootouders hebben dat ook gedaan en veel goede, oprechte mensen zijn in vrede gestorven, hoewel ze ook de zondag vierden. Als zij gelijk hadden, hebben wij ook gelijk.

Door het vieren van deze nieuwe sabbat zouden wij niet langer in harmonie zijn met de wereld en zouden wij geen invloed meer op de mensen kunnen uitoefenen. Wat kan een klein groepje dat de zevende dag viert doen als de hele wereld de zondag viert?”

De Joden voerden ook zulke argumenten aan om hun verwerping van Christus te motiveren. God had hun voorouders aangenomen toen ze hun zondoffers brachten, waarom zouden de kinderen dan niet zalig worden als ze hetzelfde deden? In de tijd van Luther zeiden de rooms-katholieken dat ware christenen in het katholieke geloof waren gestorven en dat men door die godsdienst dus wel zalig kon worden. Deze gedachtegang zou een doeltreffende hinderpaal blijken te zijn voor elke vooruitgang op het gebied van geloof en geestelijk leven.

Velen beweerden dat zondagsheiliging een eeuwenoude, algemeen verspreide en erkende inzetting van de kerk is. Het tegenargument is dat de sabbat en sabbatsheiliging veel ouder en algemener zijn, dat die dag zelfs zo oud is als de wereld en zowel door God als door de engelen wordt erkend. De sabbat werd ingesteld toen de pijlers van de wereld werden neergelaten en de hoeksteen werd gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichten en al de zonen Gods jubelden. (Job 38:6,7; Genesis 2:1-3). Daarom moeten wij deze instelling heiligen. Ze is niet door een menselijke macht gegeven en berust niet op menselijke overlevering. De sabbat is door de Oude van dagen ingesteld en door zijn eeuwig Woord opgelegd.

Toen de aandacht van de mensen bij de sabbathervorming werd bepaald, verdraaiden de populaire predikanten het Woord van God door de teksten zo uit te leggen dat ze de mensen die er meer over wilden weten gemakkelijk in slaap zouden sussen. Zij die de Schrift niet zelf onderzochten, namen genoegen met de conclusies die beantwoorden aan hun eigen verlangens. Velen probeerden met argumenten, drogredenen, overleveringen van de kerkvaders en met het gezag van de kerk de waarheid te weerleggen. De voorstanders van de sabbatheiliging moesten de geldigheid van het vierde gebod met de Bijbel in de hand verdedigen. Eenvoudige mensen, alleen gewapend met het Woord der waarheid, verdedigden zich tegen de aanvallen van hooggeschoolde mensen, die met verbazing en ergenis moesten vaststellen dat hun mooi klinkende drogredenen niet bestand waren tegen de eenvoudige, gezonde redenering van mensen die meer onderlegd waren in de Schrift dan in theologische spitsvondigheden.

Bij gebrek aan bijbelse argumenten die hun theorieën zouden kunnen steunen, voerden velen met taaie volharding het volgende argument aan en vergaten dat dezelfde redenering ook al was gebruikt tegen Christus en zijn apostelen: „Waarom, begrijpen onze leiders het probleem van de sabbat niet? Er zijn maar zeer weinigen die geloven wat jullie beweren. Jullie kunnen onmogelijk gelijk hebben en al die knappe mensen in de wereld ongelijk.”

Om zulke argumenten te weerleggen, hoefden ze slechts te wijzen op de Schrift en de geschiedenis van Gods handelen met zijn volk door de eeuwen heen. God werkt door mensen die naar zijn stem luisteren en gehoorzamen, die zo nodig minder prettige waarheden willen verkondigen, die er niet voor terugdeinzen algemeen aanvaarde zonden te veroordelen. De reden waarom God niet vaker hooggeplaatste en geleerde mannen kiest om hervormingsbewegingen te leiden, ligt hierin dat zij vertrouwen stellen in hun geloofsopvattingen, hun theorieën en hun theologie en helemaal niet door God willen worden onderwezen. Alleen zij die persoonlijk in verbinding staan met de Bron der wijsheid kunnen de Schrift begrijpen of uitleggen.

Mensen met weinig schoolkennis worden soms geroepen om de waarheid te verkondigen, niet omdat ze ongeschoold zijn, maar omdat ze niet zo hoog met zichzelf oplopen en zich door God willen laten onderrichten. Zij leren in de school van Christus en hun nederigheid en gehoorzaamheid maken hen groot. God geeft hun kennis van zijn waarheid en schenkt hun daardoor een prestige dat wereldse eer en menselijke grootheid in het niet laat verzinken.

De meeste adventisten verwierpen de waarheid in verband met het heiligdom en met Gods wet. Velen verloren ook hun vertrouwen in de Adventbeweging en namen verkeerde en tegenstrijdige standpunten in over de profetieën in verband met deze beweging. Sommigen hebben ook de fout gemaakt om nog verschillende keren een datum vast te stellen voor de wederkomst van Christus. Het licht dat toen op het onderwerp van het heiligdom scheen, had hun moeten duidelijk maken dat geen enkele profetische periode reikt tot aan de wederkomst en dat de juiste tijd van die gebeurtenis nergens is voorzegd. Maar ze keerden zich af van het licht en bepaalden de ene datum na de anderen en werden even vaak teleurgesteld.

Toen de gelovigen van Tessalonica er verkeerde opvattingen over de wederkomst van Christus op na hielden, gaf de apostel Paulus hun de raad hun verwachtingen zorgvuldig aan Gods Woord te toetsen. Hij wees op de profetieën die de gebeurtenissen vermelden die moeten plaatsvinden voordat Christus kan terugkomen. Hij toonde aan dat er geen enkele reden was om Christus in hun dagen te verwachten. „Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook” (2 Tessalonicenzen 2:3), waarschuwde hij.

Als ze iets verwachtten dat geen enkele bijbelse grond had, zouden zij een verkeerde weg inslaan. Ze zouden door hun teleurstelling aan de spot van ongelovigen worden blootgesteld en zouden het gevaar lopen ontmoedigd te worden en gaan twijfelen aan de waarheid die noodzakelijk is voor hun verlossing. In de vermaning van de apostel aan de Tessalonicenzen ligt een belangrijke les besloten voor de gelovigen die leven in de eindtijd. Veel adventisten dachten dat als ze hun geloof niet konden steunen op een vaste datum voor de wederkomst van Christus, zij niet waakzaam en ijverig konden zijn in hun voorbereiding. Maar wanneer hun verwachtingen steeds opnieuw worden geprikkeld en altijd weer op niets uitlopen, zal hun geloof zodanig worden ondermijnd dat het bijna onmogelijk zal zijn nog aandacht te schenken aan de grote waarheden van de profetie.

God had de opdracht gegeven om bij de verkondiging van de boodschap van de eerste engel ook een tijdstip te bepalen waarop het oordeel zou plaatsvinden. De berekening van de profetische periodes waarop deze boodschap was gebaseerd, toonde aan dat de 2300 dagen in de herfst van 1844 eindigden. Dit was onbetwistbaar juist. De herhaalde pogingen om nieuwe data vast te stellen voor het begin en het einde van de profetische tijdperken en de verkeerde gedachtegang om deze opvattingen te steunen, leidden de mensen niet alleen af van de waarheid voor deze tijd, maar waren er ook de oorzaak van dat men de spot dreef met elke poging om de profetieën uit te leggen.

Hoe vaker men een bepaalde datum vaststelde voor de wederkomst en hoe meer die overal werd verkondigd, des te beter paste het bij de bedoelingen van Satan. Nadat de tijd was verstreken, zorgde hij ervoor dat de voorstanders bespot en geminacht werden en dat er op die manier afbreuk werd gedaan aan de Adventbeweging van 1843 en 1844. Zij die in deze dwaling volharden, zullen op den duur een datum voor de wederkomst van Christus bepalen die te ver in de toekomst ligt. Zo zullen zij zich veilig wanen en zich in slaap laten wiegen en velen zullen dat pas inzien wanneer het te laat is.

De geschiedenis van het oude Israël is een treffend voorbeeld van de ervaringen die de adventisten in het verleden hebben meegemaakt. God leidde zijn volk in de Adventbeweging, zoals Hij de Israëlieten uit Egypte leidde. Hun geloof werd door de grote teleurstelling op de proef gesteld. Dat was ook het geval met de Hebreeën aan de Rode Zee. Als zij waren blijven vertrouwen in de hand die hen in het verleden had geleid, zouden zij het heil van God hebben gezien. Als allen die eensgezind hadden samengewerkt in 1844 de boodschap van de derde engel hadden aangenomen en haar hadden verkondigd in de kracht van de Heilige Geest, zou God hun inspanningen hebben gesteund. Een stroom van licht zou over de wereld hebben geschenen. De bewoners van de aarde zouden al jaren geleden zijn gewaarschuwd, het afsluitingswerk zou al achter de rug zijn geweest en Christus zou al terug zijn gekomen om zijn volk te verlossen.

Het was niet Gods bedoeling dat de Israëlieten veertig jaar in de woestijn zouden rondzwerven. Hij wilde hen rechtstreeks naar het land Kanaän brengen en hen daar als een heilig en gelukkig volk laten leven. Maar „zij konden niet ingaan wegens hun ongeloof” (Hebreeën 3:19). Door hun onverschilligheid en afvalligheid zijn ze in de woestijn omgekomen, terwijl anderen het Beloofde Land mochten binnengaan. Het was ook niet Gods bedoeling dat de wederkomst van Christus zo lang zou worden vertraagd en dat zijn volk nog zoveel jaren in deze wereld van zonde en leed zou blijven. Maar hun ongeloof maakte scheiding tussen hen en God. Toen zij weigerden het werk te doen dat Hij hun had opgedragen, werden anderen geroepen om de boodschap te verkondigen. In zijn barmhartigheid voor de wereld vertraagt Jezus zijn komst, want Hij wil zondaren een kans geven de waarschuwing te horen om in Hem een schuilplaats te vinden voordat Gods toorn wordt uitgestort.

Zoals in het verleden zal ook nu de verkondiging van een waarheid die de zonden en dwalingen van deze tijd veroordeelt op verzet stuiten.

„Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen” (Johannes 3:20). Wanneer de mensen zien dat zij hun opvattingen niet aan de hand van de Bijbel kunnen bewijzen, besluiten velen tot elke prijs te volharden en bekladden met een boosaardige geest het karakter en de motieven van hen die een niet-populaire waarheid verdedigen.

Deze gedragslijn is door de eeuwen heen gevolgd. Elia werd in Israël beschouwd als een onruststoker, Jeremia als een verrader, Paulus als een tempelschenner. Altijd zijn zij die de waarheid trouw wilden blijven uitgemaakt voor opruiers, ketters en scheurmakers. Velen die te ongelovig zijn om het vaste profetische woord te aanvaarden, zullen blindelings instemmen met de beschuldiging tegen hen die algemeen aanvaarde zonden afkeuren. Deze houding zal steeds meer voorkomen. De Bijbel zegt heel duidelijk dat er een tijd zal komen dat de wetten van de staat zo in strijd zullen zijn met Gods wetten dat allen die Gods geboden willen gehoorzamen als boosdoeners zullen worden bestempeld en bestraft.

Wat moet de boodschapper der waarheid dan doen? Moet hij tot de conclusie komen dat de waarheid niet gebracht hoeft te worden omdat ze er vaak toe leidt dat de mensen zich aan de eisen van de waarheid onttrekken of er zich tegen verzetten? Nee. Hij heeft niet meer redenen dan de hervormers in het verleden om Gods Woord te onderdrukken omdat het verzet uitlokt. Het geloof dat de heiligen en martelaren hebben beleden, is neergeschreven voor de mensen die na hen zouden komen. Deze levende voorbeelden van heiligheid, vastberadenheid en onkreukbaarheid zijn bewaard om meer moed te schenken aan hen die nu geroepen worden om voor God te getuigen. Zij hebben de genade en de waarheid niet alleen voor zichzelf ontvangen. Ze moeten de kennis van God ook aan anderen doorgeven. Heeft God zijn boodschappers in deze tijd kennis geschonken? Dan moeten zij die ook aan de wereld meedelen.

In het verleden heeft God aan een van zijn woordvoeders gezegd: „Maar het huis Israëls zal naar u niet willen luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren”. En toch zegt Hij ook: „Maar gij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten” (Ezechiël 3:7; 2:7). Voor de boodschapper van God in deze tijd geldt het bevel: „Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jacob zijn zonden.”

Op iedereen die de waarheid heeft aangenomen, rust dezelfde heilige en zware verantwoordelijkheid om zijn mogelijkheden en kansen zoveel mogelijk te gebruiken, zoals de profeet van Israël tot wie God zei: „Gij nu, mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis Israëls aangesteld. Wanneer gij een woord uit mijn mond hoort, zult gij hen uit mijn naam waarschuwen. Als Ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven, - maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij een goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daarvan niet, dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered” (Ezechiël 33:7-9).

Het grote bezwaar tegen het aannemen en verkondigen van de waarheid is dat het zoveel ongemak en tegenwerking veroorzaakt. Dit is het enige argument tegen de waarheid dat haar voorstanders nooit hebben kunnen weerleggen. Maar dit zal de ware volgelingen van Christus niet afschrikken. Zij wachten niet tot de waarheid eens populair wordt. Ze kennen hun verplichtingen, nemen vrijwillig hun kruis op en zeggen met Paulus: „Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid” en sluiten zich ook aan bij Mozes:

„Hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte” (2 Korintiërs 4:17; Hebreeën 11:26).

Het is een feit dat zij die in hun geestelijk leven meer uit berekening dan op grond van principes handelen de wereld met hart en ziel dienen. Wij moeten het goede kiezen omdat het goed is en de gevolgen aan God overlaten. De wereld dankt haar hervormingen aan beginselvaste, gelovige en moedige mensen. Door zulke mensen moet de hervorming in onze tijd worden verwezenlijkt.

God zegt: „Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart mijn wet is. Vreest niet voor de smaad van stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen. Want als een kleed verteert hen de mot en als wol verteert hen de worm; maar mijn gerechtigheid duurt eeuwig en mijn heil van geslacht tot geslacht” (Jesaja 51:7,8).

 

Aanhangsel

PROFETISCHE TIJDPERKEN

- Een belangrijk beginsel bij het verklaren van profetieën met een tijdsaanduiding is ,het jaar-dag principe’: één dag in de profetie betekent één jaar in de geschiedenis. Voordat de Israëlieten het land Kanaän binnengingen, zonden ze twaalf verspieders uit om het land te verkennen. De verspieders bleven veertig dagen weg. Toen de Hebreeën na hun terugkeer het verslag hoorden wilden ze het Beloofde Land niet in bezit nemen. Toen sprak de Here een oordeel over hen uit: „Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar” (Numeri 14:34). Ook de profeet Ezechiël gebruikte deze methode om de profetische tijd te berekenen. Het koninkrijk Juda zou veertig jaar moeten boeten voor zijn ongerechtigheden. De Here zei: „Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op” (Ezechiël 4:6). Dit ,jaar-dag principe’ wordt ook gebruikt bij de berekening van de „tweeduizenddriehonderd avonden en morgens” (Daniël 8:14) en de periode van 1260 dagen, die ook wordt aangeduid als „een tijd en tijden en een halve tijd” (Daniël 7:25), de ,,twee en veertig maanden” (Openbaring 11:2; 13:5), de ,,twaalfhonderd zestig dagen” (Openbaring 11:3; 12:6) en de ,,drie en een halve dag” (Openbaring 11:9). Terug

HEMELVAARTSKLEDEREN

- Het verhaal dat de adventisten speciale kleren hadden gemaakt waarmee ze zouden opvaren „om de Here in de lucht te ontmoeten” is een verzinsel van de tegenstanders van de Adventboodschap. Dit verhaal werd overal rondgebazuind waardoor velen het geloofden, maar een nauwkeurig onderzoek heeft uitgewezen dat deze praatjes van elke grond zijn ontbloot. Men heeft jarenlang een grote beloning uitgeloofd als iemand kon bewijzen dat er inderdaad minstens één geval was geweest, maar het bewijs is nooit geleverd. Niemand die de verschijning van Christus liefhad was zó onwetend om te veronderstellen dat de Bijbel voorschreef dat er speciale kleren voor die gelegenheid moesten worden gemaakt. Het enige kleed dat de heiligen zullen nodig hebben om de Here te ontmoeten is de gerechtigheid van Christus (zie Jesaja 61:10, Openbaring 19:8).

Voor een grondige weerlegging van de legende van de „hemelvaartsklederen” zie Francis D. Nichol, Midnight Cry (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1944), ch. 25-27 en Appendices H-J; zie ook LeRoy Edwin Froom, Prophetic Faith of Our Fathers (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1954), vol. 4, pp. 822-826. Terug


PROFETISCHE TIJDPERKEN EN TIJDREKENING

- Dr. George Bush, hoogleraar in de Hebreeuwse taal en oosterse letterkunde aan de New York City University, heeft in een brief aan William Miller (gepubliceerd in de Advent Herald en Signs of the Times Reporter, Boston, 6 en 13 maart 1844) enkele opmerkingen gemaakt over diens berekening van de profetische tijdperken. Dr. Bush schreef: „Volgens mij kan men het u of uw vrienden niet ten kwade duiden dat u zoveel tijd en aandacht heeft besteed aan de studie van de profetische tijdrekening en dat u zich zoveel moeite heeft getroost om de begin- en einddata van de grote tijdperken vast te leggen. Als de Heilige Geest inderdaad deze periodes in de profetische boeken heeft laten opschrijven, was dat zonder enige twijfel met de bedoeling dat ze bestudeerd zouden worden, zodat men ze op den duur waarschijnlijk helemaal zou begrijpen. Niemand die dit in alle eerbied probeert te doen, mag van aanmatiging en dwaasheid worden beschuldigd. ... Uw interpretatie dat één dag in de profetie één jaar op de kalender betekent, wordt gesteund door de beste exegese en door bekende figuren als Mede, Sir Isaac Newton, bisschop Newton, Kirby, Scott, Keith en vele anderen die lang geleden tot hetzelfde inzicht als u waren gekomen. Zij zijn het er allen over eens dat de grote periodes van Daniël en de Openbaring ongeveer in deze tijd verstrijken en men moet er wel een heel eigenaardige logica op na houden, als men u van ketterij beschuldigt, terwijl u in feite dezelfde standpunten inneemt als deze bekende theologen”. „De resultaten van uw onderzoek schijnen mij niet zo buitenissig dat ze ook maar één van de grote waarheden of verplichtingen in het gedrang zouden brengen”. „Mijns inziens ligt uw vergissing niet in uw tijdberekening”. „U heeft zich echter helemaal vergist in de aard van de gebeurtenissen die zich aan het eind van deze periodes moeten voordoen. Hier ligt de oorzaak van uw verkeerde verklaring”. Zie ook Leroy Edwin Froom, Prophetic Faith of Our Fathers (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1950), vol. 1, ch. 1,2. Terug

Terug pagina 15