Gods wet heilig en onveranderlijk p.2

Het overtreden van Gods geboden is het speciale kenmerk van het beest en dus ook van zijn beeld. Daniël zegt over de kleine horen, het pausdom, het volgende: „Hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen” (Daniël 7:25). Paulus noemde dezelfde macht „de mens der wetteloosheid (...) die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet.” De ene profetie vult de andere aan. Het pausdom kon zich alleen boven God verheffen door Gods wet te veranderen. Als men weet dat Gods wet is veranderd en men houdt zich toch aan de gewijzigde vorm, bewijst men de hoogste eer aan de macht die de verandering heeft ingesteld. Gehoorzaamheid aan pauselijke wetten is een bewijs van trouw aan de paus, in plaats van aan God.

Het pausdom heeft Gods wet willen veranderen. Het tweede gebod, dat het aanbidden van „gesneden beelden” verbiedt, is uit de wet geschrapt en het vierde gebod is zo veranderd dat het de viering van de eerste dag in plaats van de ware sabbat voorschrijft. Maar pausgezinden beweren dat het tweede gebod is weggelaten omdat het niet nodig is, daar het in het eerste gebod besloten ligt en dat zij de wet uitleggen zoals God het bedoelt. Dit kan dus niet de verandering zijn die de profeet heeft voorzegd. Er is sprake van een opzettelijke, weloverwogen verandering: „Hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen” (Hij zal menen - Statenvertaling).

De verandering van het vierde gebod beantwoordt precies aan deze profetie. Om deze verandering te rechtvaardigen wordt er uitsluitend een beroep gedaan op het gezag van de kerk. In dit geval verheft de pauselijke macht zich openlijk boven God.

Terwijl de gelovigen die God dienen zich zullen onderscheiden door hun stipte naleving van het vierde gebod - het teken van Gods scheppingsmacht en van zijn recht op eerbied - zullen degenen die het beest aanbidden opvallen door hun pogingen om het gedenkteken van de Schepper af te breken om de inzetting van Rome te verheerlijken. Het pausdom liet zijn arrogante uitspraken voor het eerst horen naar aanleiding van de zondagsheiliging (zie aanhangsel onder ‘Suprematie van de Bisschoppen van Rome’).

Toen het pausdom voor de eerste keer een beroep deed op de Staat was het om de viering van de zondag als „de dag des Heren” op te dringen. Maar de Bijbel zegt dat de zevende dag en niet de eerste dag „de dag des Heren” is. Christus zei: „Alzo is de Zoon des mensen Heer ook over de sabbat”. Het vierde gebod luidt: „De zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God”. Bij monde van de profeet Jesaja noemde God de sabbat: „De heilige dag des HEREN” (Marcus 2:28; Jesaja 58:13).

Het zo dikwijls aangevoerde argument dat Christus de sabbat heeft veranderd, wordt door Christus’ eigen woorden weerlegd. In de bergrede zei Hij: „Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan een van de kleinste deze geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen”. (Mattheüs 5:17-19).

De protestanten geven toe dat er geen enkele tekst in de Bijbel is te vinden waarmee men de verandering van de sabbat kan rechtvaardigen. Dit blijkt duidelijk uit de publikatie van de „American Tract Society and the American Sunday School Union” (Amerikaanse Traktaat Genootschap en de Amerikaanse Zondagsschool Unie). Een van deze werken geeft toe dat „er in het Nieuwe Testament geen enkel uitdrukkelijk gebod is dat de viering van de sabbat (bedoeld is; zondag, de eerste dag van de week) oplegt” (George Elliot, The Abiding Sabbath, p. 184).

Een ander werk zegt: „Tot aan de dood van Christus is er in die dag geen verandering gekomen” en „voor zover wij uit de teksten kunnen opmaken, hebben zij (de apostelen) geen uitdrukkelijk bevel gegeven waardoor de sabbat van de zevende dag vervallen wordt verklaard en de viering daarvan naar de eerste dag van de week wordt verschoven” (A.E.Waffle, The Lord’s Day, pp. 186-188).

De rooms-katholieken geven toe dat de verandering van de sabbat is gebeurd op gezag van de rooms-katholieke kerk en beweren dat de protestanten door de viering van de zondag dat gezag ook erkennen. In de Catholic Catechism of Christian Religion lezen we de volgende verklaring in antwoord op de vraag welke dag men eigenlijk moet heiligen als men het vierde gebod wil onderhouden: „In het Oude Testament moest men de zaterdag heiligen, maar de kerk heeft, door Christus daartoe bevolen en door de Heilige Geest geleid, de zaterdag vervangen door de zondag. Daarom heiligen wij nu de eerste en niet de zevende dag. De zondag is nu de dag des Heren”.

Volgens rooms-katholieke schrijvers blijkt het gezag van de rooms-katholieke kerk uit „de verandering van de sabbat en het instellen van de zondag, waar protestanten nu mee akkoord gaan;... want door het vieren van de zondag erkennen zij dat de kerk het recht heeft feestdagen in te stellen en het niet-vieren daarvan als zonde te beschouwen”. (Henry Tuberville, An Abridgement of the Christian Doctrine, p. 58).

Is de verandering van de sabbat dan niet het teken, het merkteken van het gezag van de rooms-katholieke kerk, met andere woorden „het merkteken van het beest?”

De rooms-katholieke kerk heeft haar aanspraak op suprematie niet laten varen. Wanneer de wereld en de protestantse kerken een rustdag erkennen die zij heeft ingesteld, terwijl ze de sabbat van de Bijbel verwerpen, zijn ze het eigenlijk eens met haar onrechtmatige aanspraak.

Als ze zich op het gezag van de overlevering en van de kerkvaders beroepen, loochenen ze het beginsel dat het protestantisme van Rome scheidt - namelijk „dat de Bijbel en de Bijbel alleen de maatstaf is voor de protestant”.

De rooms-katholieken weten dat de protestanten zichzelf misleiden en opzettelijk hun ogen sluiten voor feiten die zo voor de hand liggen. Wanneer de beweging die de zondagsviering verplicht wil stellen meer terrein wint, zullen de rooms-katholieken zich in de handen wrijven omdat alle protestanten zich uiteindelijk onder de banier van Rome zullen scharen.

Rooms-katholieken zeggen dat „de zondagsheiliging van de protestanten een eer is die zij aan het gezag van de (rooms-katholieke) kerk bewijzen” (Mgr. Segur, Plain Talk About the Protestantism of Today, p. 213). Als de protestantse kerken de zondagsviering opleggen, zetten ze de mensen er toe aan het pausdom - het beest - te aanbidden. Wie de eisen van het vierde gebod kent en de valse in plaats van de ware sabbat wil heiligen, bewijst daarmee eer aan de macht die de valse sabbat heeft ingesteld. Maar juist omdat de kerken de wereldlijke macht gebruiken om een godsdienstige inzetting op te leggen, zullen ze zelf een beeld voor het beest maken. De verplichting om in de Verenigde Staten de zondag te heiligen, zal dus neerkomen op een verplichting om het beest en zijn beeld te aanbidden.

Christenen hebben vroeger de zondag gevierd omdat ze dachten dat zij de sabbat van de Bijbel heiligden. Er zijn op dit ogenblik in alle kerken - de rooms-katholieke kerk niet uitgezonderd - oprechte christenen die geloven dat de zondag de sabbat van het vierde gebod is. God aanvaardt hun oprechtheid en eerlijkheid. Maar wanneer de zondagsheiliging wettelijk zal worden opgelegd en de wereld ervan op de hoogte zal zijn gebracht dat men de ware sabbat moet heiligen, zal iedereen die het gebod van God overtreedt om een bevel te gehoorzamen dat slechts van Rome komt, het pausdom de eer bewijzen die God toekomt. Men bewijst dan eer aan Rome en aan de macht die toeziet op de naleving van de inzetting van Rome.

Men aanbidt dan het beest en zijn beeld. Wanneer de mensen de inzetting verwerpen die volgens God een teken is van zijn gezag en in plaats daarvan het teken vereren dat Rome heeft gekozen als bewijs van haar heerschappij zullen zij het teken van trouw aan Rome, namelijk „het merkteken van het beest”, ontvangen. Pas wanneer deze kwestie duidelijk aan de mensen is uitgelegd en zij hebben kunnen kiezen tussen de geboden van God en de geboden van mensen, zullen zij die in deze overtreding volharden „het merkteken van het beest” ontvangen.

De boodschap van de derde engel bevat de ergste bedreiging die ooit aan sterfelijke wezens is gericht. Het moet wel een verschrikkelijke zonde zijn, die Gods gramschap onvermengd, dus zonder genade, oproept. De mensen moeten op de hoogte worden gebracht van dit belangrijke onderwerp. De waarschuwing tegen deze zonde moet aan de wereld worden gebracht voor God met zijn oordelen komt, zodat iedereen kan weten waarom deze straf wordt opgelegd en ook de kans krijgt om aan de toorn te ontkomen. De profetie zegt dat de eerste engel de boodschap zal verkondigen „aan alle volk en stam en taal en natie”. De waarschuwing van de derde engel, die een onderdeel is van dezelfde drievoudige boodschap, moet ook aan „allen die op de aarde gezeten zijn”, worden verkondigd. De profetie zegt dat ze „met luider stem” wordt verkondigd door een engel die vliegt „in het midden des hemels” en dat ze de aandacht van de hele wereld zal trekken.

Aan het einde van de strijd zal de christelijke wereld in twee grote groepen zijn verdeeld: zij die de geboden Gods en het geloof van Jezus bewaren en zij die het beest en zijn beeld aanbidden en zijn merkteken ontvangen. Hoewel Kerk en Staat hun krachten zullen bundelen om „allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven” (Openbaring 13:16) te verplichten „het merkteken van het beest” te ontvangen, zal Gods volk het niet ontvangen. De ziener van Patmos ziet „de overwinnaars van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam, staande aan de glazen zee, met de citers Gods. En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam.” (Openbaring 15:2,3).

Terug pagina 14 pagina 16