In het heilige der heiligen

Het onderwerp van het heiligdom gaf de verklaring voor de teleurstelling van 1844. Het toonde de harmonieuze samenhang van de waarheid in haar diverse aspecten, leverde het bewijs dat de Adventbeweging door God werd geleid, onderstreepte de belangrijke opdracht voor onze tijd en bracht de juiste plaats en aard van het werk van Gods volk aan het licht. De gelovigen die Christus’ wederkomst „met grote macht en heerlijkheid” hadden verwacht, waren even blij als de discipelen van Jezus toen ze Hem na die vreselijke nacht van angst en teleurstelling terugzagen. Ze hadden gedacht dat Hij in heerlijkheid zou verschijnen om zijn volgelingen te belonen.

Door hun teleurstelling hadden ze Jezus enige tijd uit het oog verloren en hadden zoals Maria aan het graf, geroepen: „Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd”. Maar ze vonden Hem terug in het heilige der heiligen als hun Hogepriester, die met hen kon „meevoelen” en spoedig als hun Koning en Verlosser zou terugkomen. Het licht uit het heiligdom verlichtte verleden, heden en toekomst. Ze wisten dat God hen in zijn onfeilbare voorzienigheid had geleid. Hoewel zij net zoals de eerste discipelen de boodschap die ze verkondigden aanvankelijk niet hadden begrepen, was de boodschap zelf helemaal juist geweest. Ze hadden door hun verkondiging Gods plan ten uitvoer gebracht en hun werk voor Christus was niet tevergeefs geweest. Ze waren „wedergeboren tot een levende hoop” en „verheugden zich met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.”

Zowel de profetie van Daniël 8:14, „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden”, als de boodschap van de eerste engel, „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen”, hadden betrekking op de dienst van Christus in het heilige der heiligen en op het onderzoekend oordeel - en niet op de wederkomst van Christus om zijn volk te verlossen en de ongelovigen te vernietigen. De vergissing lag dus niet in de berekening van de profetische periodes, maar in de gebeurtenis die zich zou voordoen aan het einde van de 2300 avonden en morgens. Door deze vergissing waren de gelovigen teleurgesteld, maar alles wat de profetie had voorzegd en alles wat ze volgens de Schrift mochten verwachtten, was in vervulling gegaan. Elke keer dat ze bedroefd waren omdat hun verwachtingen niet waren uitgekomen had de gebeurtenis die door de boodschap was voorzegd en zich moest vervullen voordat Christus kon terugkomen om zijn volgelingen te belonen zich wel degelijk voorgedaan.

Christus was niet naar de aarde teruggekeerd zoals zij hadden verwacht, maar was binnengegaan in het heilige der heiligen van Gods tempel in de hemel, zoals zinnebeeldig voorafgeschaduwd was. Hij wordt door de profeet Daniël voorgesteld als degene die zich op dat ogenblik naar de Oude van dagen begaf: „Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon”. Hij kwam niet naar de aarde, want „Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze” (Daniël 7:13).

Dit „komen” was ook door de profeet Maleachi voorzegd: „Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de HERE der heerscharen” (Maleachi 3:1). „Het komen van de Here tot zijn tempel” was plotseling gebeurd en zijn volgelingen hadden dat niet verwacht. Zij hadden Hem niet dáár verwacht. Zij hadden gedacht dat Hij naar de aarde zou terugkeren „in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen” (2 Tessalonicenzen 1:8).

Maar Gods volk was nog niet gereed om Christus te ontmoeten. Ze moesten zich nog voorbereiden en nog meer licht ontvangen, waardoor hun blik op Gods tempel in de hemel zou worden gericht. Wanneer zij in geloof hun Hogepriester in zijn dienst zouden volgen, zouden zij zien wat ze nog moesten doen. Er moest nog een waarschuwingsboodschap aan de gemeente worden gebracht.

De profeet zegt: „Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen” (Maleachi 3:2,3). De gelovigen die op aarde zullen leven wanneer er een einde komt aan het verzoenend werk van Christus in het hemelse heiligdom zullen zonder middelaar voor een heilige God staan. Hun kleren moeten vlekkeloos zijn en hun karakter moet door het bloed der besprenkeling van zonde zijn gereinigd. Door Gods genade en hun eigen inspanning moeten zij overwinnaars zijn in de strijd tegen het kwaad. Terwijl het onderzoekend oordeel in de hemel plaatsvindt en de zonden van de gelovigen die berouw hebben getoond uit het heiligdom worden verwijderd, moet er een bijzonder reinigingswerk, een afleggen van zonden onder Gods volk op aarde plaatsvinden. Dit werk wordt in Openbaring 14 duidelijker uiteengezet.

Wanneer dit werk volbracht zal zijn, zullen de volgelingen van Christus gereed zijn voor Zijn komst. „Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de HERE aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren” (Maleachi 3:4). Dan zal de gemeente die onze Here bij zijn komst „voor Zich zal plaatsen” een gemeente zijn „zonder vlek of rimpel of iets dergelijks” (Efeziërs 5:27).

Dan zal „zij opgaan als de dageraad, schoon zijn als de blanke maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als krijgsscharen” (Hooglied 6:10).

Maleachi voorzegde niet alleen dat de Here „naar zijn tempel zou komen”, maar kondigde ook eeuwen van tevoren zijn wederkomst om het vonnis te voltrekken aan: „Ik zal tot u ten gerichte naderen; Ik zal een snelle aanklager zijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de HERE der heerscharen” (Maleachi 3:5). Judas verwijst naar dezelfde gebeurtenis wanneer Hij zegt: „Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken” (Judas 14.15). De wederkomst en „het komen van de Here tot zijn tempel” zijn twee verschillende gebeurtenissen.

De „komst van Christus tot het heilige der heiligen” als onze Hogepriester om „het heiligdom in rechte staat te herstellen” (Daniël 8:14), de komst van de mensenzoon tot de Oude van dagen (Daniël 7:13) en „de komst van de Here tot zijn tempel”, door Maleachi voorzegd, zijn drie beschrijvingen van dezelfde gebeurtenis. Deze gebeurtenis wordt trouwens ook beschreven door de komst van de bruidegom op het bruiloftsfeest in de gelijkenis van de tien maagden. (Matteüs 25).

In de zomer en herfst van 1844 werd de boodschap: „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” verkondigd. Toen ontstonden de twee groepen, voorgesteld door de wijze en de dwaze maagden; de ene groep keek met blijdschap uit naar de verschijning van Christus en had zich ijverig voorbereid om Hem te ontmoeten; de andere groep die door angst werd gedreven en impulsief handelde, was al tevreden met de kennis van de waarheid, maar had Gods genade niet ontvangen. In de gelijkenis lezen wij dat toen de bruidegom verscheen zij „die gereed waren, met hem de bruiloftszaal binnen gingen”.

De komst van de bruidegom waar het hier over gaat, vond plaats voor het huwelijk. De bruiloft stelt het aanvaarden van het Koninkrijk door Christus voor. De heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van dat Koninkrijk, wordt „de bruid, de vrouw des Lams” genoemd. De engel zei tot Johannes: „Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op de een grote hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God” (Openbaring 21:9,10). Het is dus duidelijk dat de bruid de Heilige Stad voorstelt en dat de maagden die de bruidegom tegemoet gaan een symbool zijn van de gemeente. In de Openbaring lezen wij dat Gods volk genodigd is tot „het bruiloftsmaal des Lams” (Openbaring 19:9).

Als ze genodigden zijn, kunnen ze niet tegelijkertijd de bruid voorstellen. De profeet Daniël zegt dat Christus „heerschappij en eer en koninklijke macht” van de Oude van dagen zal ontvangen. Hij zal het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van zijn Koninkrijk, „getooid als een bruid, die voor haar man versierd is”, ontvangen. (Daniël 7:14; Openbaring 21:2). Als Hij het Koninkrijk heeft aanvaard, zal Hij in heerlijkheid terugkomen als Koning der koningen en Here der heren, voor de verlossing van zijn volk „en zij zullen aanliggen met Abraham en Isaäk en Jakob in het Koninkrijk der hemelen” (Matteüs 8:11; Lucas 22:30) om deel te hebben aan het bruiloftsmaal van het Lam.

De verkondiging van de boodschap „De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!” in de zomer van 1844 wekte bij duizenden de verwachting dat Christus onmiddellijk zou terugkomen. Op het vastgestelde ogenblik kwam de Bruidegom niet naar deze aarde zoals men had verwacht, maar begaf Hij zich naar de Oude van dagen in de hemel: Hij kwam op de bruiloft om zijn Koninkrijk te aanvaarden. „En die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten”. Zij waren niet persoonlijk aanwezig op het huwelijk, aangezien het plaatsvond in de hemel, terwijl zij op aarde waren.

De volgelingen van Christus moeten zijn „gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.” (Lucas 12:36). Maar zij moeten Zijn werk begrijpen en moeten Hem in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt. In die zin moeten wij „het binnengaan in de bruiloftszaal” interpreteren.

In de gelijkenis gingen de maagden die olie in hun kruiken hadden meegenomen met hun lampen in de bruiloftszaal. Zij die behalve de kennis van de waarheid uit de Schrift ook de Geest en de genade Gods hadden ontvangen en in de nacht van hun bittere beproeving geduldig hadden gewacht en de Bijbel hadden onderzocht om meer licht te ontvangen, kregen inzicht in de waarheid over het hemelse heiligdom en in de wijziging in het dienstwerk van Christus. In geloof volgden zij Hem in zijn werk in het hemelse heiligdom. Allen die op grond van de Schrift dezelfde waarheid aannemen en Christus in geloof volgen wanneer Hij voor God verschijnt om zijn verzoeningswerk af te sluiten om daarna het Koninkrijk te ontvangen, worden voorgesteld door de maagden die de bruiloftszaal binnengaan.

In de gelijkenis van Mattheüs 22 wordt hetzelfde beeld van de bruiloft gebruikt en wordt duidelijk gezegd dat het onderzoekend oordeel vóór de bruiloft plaatsvindt. Voor de bruiloft komt de koning binnen om na te gaan of alle genodigden het bruiloftskleed - het smetteloze kleed van het karakter, gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams (Matteüs 22:11; Openbaring 7:14) - aan hebben.

Iedereen die gewogen en te licht bevonden is, wordt buitengeworpen, maar allen die bij het onderzoek hun bruiloftskleed aan hebben, worden door God aangenomen en waardig geacht tot zijn Koninkrijk te behoren en op zijn troon te zitten. Dit karakteronderzoek, dat moet uitmaken wie gereed is om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, is het onderzoekend oordeel, dat de dienst in het hemelse heiligdom afsluit.

Wanneer het onderzoekend oordeel ten einde is en het leven van allen die zich in de loop der eeuwen volgelingen van Christus hebben genoemd, is onderzocht en wanneer er een beslissing is gevallen, dan en niet eerder, zal er een einde komen aan de genadetijd en zal de deur der genade worden gesloten. Een korte zin, „En die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten”, beschrijft de tijd van het laatste optreden van Christus als onze middelaar en het ogenblik dat het verlossingswerk ten behoeve van de mens zal zijn voltooid.

Bij de dienst in het heiligdom op aarde, dat dus een afbeelding was van het hemelse, kwam er een eind aan de diensten in het eerste deel wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag in het heilige der heiligen binnenging. God had uitdrukkelijk gezegd: „Geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, wanneer hij daar binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt” (Leviticus 16:17).

Toen Christus dus het heilige der heiligen binnenging om het verzoeningswerk af te sluiten, kwam er ook een eind aan zijn dienst in de eerste afdeling, maar op het ogenblik dat er een eind was gekomen aan de dienst in het heilige, begon zijn dienst in het heilige der heiligen. Wanneer de hogepriester op de Grote Verzoendag het heilige verliet, kwam hij met het bloed van het zondoffer voor God ten behoeve van alle Israëlieten die oprecht berouw hadden over hun zonden. Christus had dus pas een deel van zijn hogepriesterlijk werk gedaan en begon aan het tweede deel. Ook toen bleef Hij met zijn bloed pleiten voor de Vader ten behoeve van zondaren.

De adventisten hebben dit onderwerp in 1844 niet begrepen. Toen het tijdstip waarop ze Christus verwachtten voorbij was, dachten ze nog altijd dat zijn komst nabij was en dat ze op een beslissend keerpunt waren gekomen. Ze waren ervan overtuigd dat het hogepriesterlijk werk van Christus achter de rug was. Ze waren van mening dat de Bijbel leert dat de genadetijd enige tijd voor de eigenlijke komst van Christus op de wolken afloopt. Ze waren tot deze conclusie gekomen op grond van de teksten die voorzeggen dat de mensen eens naar de deur der genade zullen zoeken, erop zullen kloppen en roepen, maar tot hun ontzetting zullen ontdekken dat de deur gesloten blijft.

Ze vroegen zich af of de dag waarop zij de wederkomst van Christus hadden verwacht niet het begin was van deze tijd, die onmiddellijk aan Christus’ wederkomst moest voorafgaan. Ze hadden hun oordeelsboodschap gebracht en vonden dat ze daarmee hun plicht hadden gedaan. Ze voelden dan ook niet de minste neiging om nog iets te doen voor de redding van zielen. Daar kwam nog bij dat de openlijke hemeltergende spot van de ongelovigen volgens hen het zoveelste bewijs was dat Gods Geest was teruggetrokken van degenen die zijn genade hadden verworpen. Al deze elementen sterkten hen in de overtuiging dat de genadetijd ten einde was en dat „de deur der genade gesloten was”, zoals zij het toen uitdrukten.

Maar toen zij het onderwerp van het heiligdom bestudeerden, begonnen ze alles beter te begrijpen. Ze zagen toen in dat ze terecht geloofden dat het einde van de 2300 avonden en morgens in 1844 een belangrijk keerpunt was. De deur van hoop en genade, waardoor men achttienhonderd jaar lang tot God kon gaan, was inderdaad gesloten, maar er was een andere deur geopend. Men kreeg vergiffenis door het bemiddelingswerk van Christus in het heilige der heiligen. Een deel van zijn werk was nu afgesloten en Hij was aan een ander deel begonnen. Er was nog altijd een ,,open deur” naar het hemelse heiligdom, waar Christus zijn hogepriesterlijk werk verrichtte ten behoeve van de zondaar.

Nu begreep men de betekenis van Christus’ woorden in de Openbaring. Het waren woorden die juist bestemd waren voor de gemeente van deze tijd: „Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent. Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten.” (Openbaring 3:7,8).

Wie door het geloof Jezus volgt in Zijn verzoeningswerk zal de weldaden van Christus’ bemiddeling ontvangen, maar wie het licht dat inzicht verschaft in dit werk van de hand wijst, zal niets ontvangen. De Joden, die het licht verwierpen dat God hun schonk bij Christus’ eerste komst en ook weigerden Hem als Verlosser der wereld aan te nemen, konden geen vergiffenis krijgen door Christus.

Toen Jezus na zijn hemelvaart met zijn eigen bloed in het hemelse heiligdom ging om de zegeningen van zijn bemiddeling op de discipelen uit te storten, werden de Joden in volslagen duisternis gelaten en bleven ze hun nutteloze offers brengen. Er was een eind gekomen aan de schaduwdienst. De deur waardoor de mensen vroeger tot God konden komen, was niet meer open.

De Joden wilden niet tot Hem komen op de enige manier die toen mogelijk was; door zijn hogepriesterlijk werk in het hemelse heiligdom. Daarom hadden zij geen contact met God. De deur was voor hen gesloten. Ze wisten niet dat Christus het ware zondoffer en de enige middelaar was. Daarom konden ze de zegeningen van zijn voorspraak onmogelijk ontvangen. De toestand van de ongelovige Joden lijkt erg veel op die van de onverschillige en ongelovige christenen; ze willen opzettelijk niets weten van het werk van onze barmhartige Hogepriester. Bij de oudtestamentische heiligdomsdienst moesten alle Israëlieten samenkomen rond het heiligdom en „zich op de meest plechtige wijze voor God verootmoedigen” wanneer de hogepriester het heilige der heiligen binnenging, opdat ze vergiffenis zouden krijgen en opdat ze niet zouden worden uitgesloten. Het is in deze tijd, de tijd van het tegenbeeld van de Grote Verzoendag op aarde, dan ook des te belangrijker dat wij het werk van onze Hogepriester begrijpen en weten welke verplichtingen er op ons rusten.

De mens kan de waarschuwingen die God hem in zijn genade zendt niet ongestraft verwerpen. In de tijd van Noach werd er een boodschap uit de hemel naar de aarde gezonden. De redding van de mensen hing af van de manier waarop zij op die boodschap reageerden. Toen ze die waarschuwingsboodschap hadden verworpen, werd Gods Geest van hen weggenomen en verdronken ze in het water van de zondvloed. In de tijd van Abraham wilde God niet langer pleiten met de schuldige inwoners van Sodom, en allen - met uitzondering van Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters - werden verteerd door het vuur dat uit de hemel kwam. Zo was het ook in de tijd van Christus.

Gods Zoon sprak tot de ongelovige Joden van zijn tijd: „Zie uw huis wordt aan u overgelaten.” (Mattheüs 23:38). Dezelfde oneindige Macht zei met betrekking tot degenen die in de eindtijd zouden leven en „de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben”: „Daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.” (2 Tessalonicenzen 2:10-12). Wanneer ze de leer van zijn Woord verwerpen, trekt Hij zijn Geest terug en geeft hen over aan de dwalingen die zij liefhebben.

Maar Christus bemiddelt nog altijd tussen God en de mensen en zij die zoeken zullen licht ontvangen. Hoewel de adventisten dit in het begin niet begrepen, werd het hun later duidelijk toen ze de teksten die hun ware toestand beschreven begonnen te begrijpen.

Toen het vastgestelde tijdstip in 1844 was verstreken, werden degenen die het Adventgeloof hadden behouden zwaar op de proef gesteld. Hun enige troost in die moeilijke tijd was het licht dat hun aandacht vestigde op het heiligdom in de hemel. Sommigen geloofden niet meer in de vroegere berekening van de profetische tijdperken en schreven de machtige invloed van de Heilige Geest, die zich in de Adventbeweging had geopenbaard, toe aan menselijke of satanische werking. Een andere groep bleef geloven dat God hen in het verleden had geleid.

Terwijl ze wachtten, waakten en baden om Gods wil te leren kennen, zagen ze dat hun Hogepriester aan een andere dienst was begonnen. Ze verdiepten zich in dit onderwerp en kregen ook meer inzicht in het afsluitingswerk van de gemeente. Ze begonnen de boodschap van de eerste en tweede engel beter te begrijpen en waren bereid de plechtige waarschuwingsboodschap van de derde engel van Openbaring 14 voor zichzelf aan te nemen en haar ook aan de wereld te brengen.

Terug pagina 12 pagina 14