Profetieën vervuld p 2

Toch was deze teleurstelling niet zo groot als die van Christus’ discipelen. Toen Christus triomfantelijk door Jeruzalem reed, dachten zijn volgelingen dat Hij op het punt stond de troon van David te bestijgen om Israël van zijn verdrukkers te verlossen. Met hooggespannen verwachtingen en blijde hoop probeerden ze elkaar de loef af te steken bij het betonen van eer aan hun Koning. Velen spreidden hun klederen als een tapijt op zijn pad of strooiden de bladerrijke palmtakken voor Hem uit. In hun uitbundige vreugde riepen zij in koor uit: „Hosanna de Zoon van David”. Toen de Farizeeën, die verontrust en geërgerd waren door deze uitbarsting van vreugde, wensten dat Jezus zijn discipelen zou bestraffen, antwoordde Hij: „Ik zeg u, indien dezen zwegen, zouden de stenen roepen.” (Lucas 19:40). De profetie moest in vervulling gaan. De discipelen waren Gods plan aan het uitvoeren en zouden toch een bittere teleurstelling oplopen. Enkele dagen later waren zij getuige van de doodsstrijd van hun Heiland en legden zij Hem in het graf. Hun verwachtingen waren op geen enkel punt in vervulling gegaan en hun hoop stierf met Jezus. Pas toen Christus als Overwinnaar uit het graf was verrezen, beseften zij dat alles door de profetieën was voorzegd: „dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden.” (Handelingen 17:3).

Vijfhonderd jaar daarvoor had God bij monde van Zacharia verklaard: „Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (Zacharia 9:9). Als de discipelen hadden beseft dat Christus op weg was naar zijn veroordeling en zijn dood, hadden ze deze profetie niet in vervulling kunnen laten gaan.

Ook Miller en zijn medewerkers hebben de profetie in vervulling laten gaan en hebben een boodschap verkondigd die op Gods bevel aan de wereld moest worden gebracht. Ze hadden deze boodschap echter niet kunnen verkondigen als ze de profetieën die de teleurstelling voorzegden volledig hadden begrepen en als ze hadden beseft dat er nog een andere boodschap in deze profetieën besloten lag die nog voor Christus’ wederkomst aan alle volken moest worden gebracht. De boodschap van de eerste en de tweede engel zijn op het juiste ogenblik verkondigd en hebben het door God beoogde doel bereikt.

De wereld had toegekeken en verwachtte dat als de tijd voorbij was en Christus niet zou zijn teruggekeerd, er wel vanzelf een einde zou komen aan het adventisme. Het geloof van velen bezweek door de sterke verleiding, maar er waren genoeg anderen die trouw bleven. De resultaten van de Adventbeweging, de geest van nederigheid en gewetensonderzoek, van wereldverzaking en inkeer, die met het werk gepaard gingen bewezen dat het Gods werk was. Zij durfden niet te ontkennen dat de kracht van de Heilige Geest merkbaar was geweest bij de verkondiging van de wederkomst en konden geen vergissing ontdekken in de berekening van de profetische periodes. De knapsten onder hun tegenstanders waren er niet in geslaagd hun profetische interpretatie te weerleggen. Zij wilden hun opvatting dan ook niet zonder bewijzen uit de Bijbel overboord gooien. Deze standpunten waren immers ingenomen door mensen die waren geleid door Gods Geest en waren vervuld door zijn levende kracht na een ernstig onderzoek van de Bijbel in een geest van gebed.

Hun opvattingen hadden de toets van de strengste kritiek en de felste tegenstand van de populaire godsdienstige leiders en van de wijzen van deze wereld doorstaan. Ze hadden stand gehouden ondanks de vereende krachten van geleerdheid en welsprekendheid en hadden de spot van hoog en laag getrotseerd.

Ze hadden zich wel vergist in de gebeurtenis, maar zelfs dat kon hun geloof in God niet aan het wankelen brengen. Toen Jona in de straten van Ninevé verkondigde dat de stad binnen veertig dagen ondersteboven zou worden gekeerd, heeft God de verootmoediging van de Ninevieten aanvaard en de genadetijd verlengd. Toch kwam de boodschap die Jona verkondigde van God en werd Ninevé op de proef gesteld zoals God het wilde. De adventisten geloofden dat God hen op dezelfde wijze had geleid om de boodschap van het oordeel te brengen. Zij zeiden: „Deze boodschap heeft de harten beproefd van allen die haar hebben gehoord en heeft liefde voor de verschijning van de Here opgewekt of heeft een afkeer tegen zijn komst doen ontstaan die tot op zekere hoogte merkbaar is voor de mensen, maar zeker door God gekend is. Ze heeft een scheidingslijn getrokken... zodat zij die aan gewetensonderzoek willen doen, kunnen weten aan welke kant zij zouden hebben gestaan als Christus wel teruggekomen was op dat ogenblik en of zij zouden hebben uitgeroepen: ‘Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten dat Hij ons zou verlossen’ of dat zij tot de bergen en de rotsen zouden hebben gezegd: ‘Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon’. Wij geloven dat God zijn volk op deze manier op de proef heeft gesteld, hun geloof heeft getoetst, hen heeft gelouterd om te zien of zij in de ure van beproeving de plaats die Hij voor hen heeft uitgekozen zouden verlaten en of zij deze wereld zouden willen prijsgeven en een onvoorwaardelijk vertrouwen zouden stellen in het Woord van God.” (The Advent Herald and Signs of the Times Reporter, vol.8, No.14, 13 november 1844).

De gevoelens van de mensen die nog altijd geloofden dat God hen in het verleden had geleid, worden uitgedrukt door de woorden van William Miller: „Als ik opnieuw zou mogen beginnen, zou ik, als ik over dezelfde bewijsgronden beschikte als toen, op dezelfde manier hebben gehandeld als ik eerlijk wilde zijn tegenover God en de mensen.” „Ik hoop dat ik mijn klederen heb gereinigd van het bloed van zielen. Ik denk dat ik alles gedaan heb dat ik kon om vrij te zijn van alle schuld als zij veroordeeld worden”. „Hoewel ik tot tweemaal toe teleurgesteld ben”, schreef deze man Gods, „ben ik niet terneergeslagen of ontmoedigd... Mijn hoop op de wederkomst van Christus is nog even vurig als vroeger. Ik heb alleen gedaan wat ik na jaren van ernstige studie als mijn heilige plicht beschouwde. Als ik gedwaald heb, is het op het gebied van de liefde, de liefde tot mijn medemens, en mijn plichtsbetrachting tegenover God”.

„Een ding weet ik zeker; ik heb alleen gepredikt wat ik zelf geloofde en God is met mij geweest. Zijn kracht is merkbaar geweest in het werk en is er veel goeds tot stand gebracht”. „Voor zover de mens kan oordelen, zijn vele duizenden door de verkondiging van de tijd van de wederkomst de Schrift gaan onderzoeken en hebben zich, dankzij dat middel, door het geloof en het vergoten bloed van Christus met God verzoend.” (Bliss, pp. 256,255,277,280,281).

„Ik heb nooit in de gunst willen staan bij de hoogmoedigen en ben nooit teruggeschrokken wanneer de wereld de wenkbrauwen fronste. Ik zal nooit proberen mijn leven door hun gunst te behouden, noch ervoor terugdeinzen het te verliezen als God het in zijn voorzienigheid zo zou beschikken.” (J. White, Life of Wm. Miller, p. 315).

God had zijn volk niet in de steek gelaten; zijn Geest bleef met degenen die het licht dat ze hadden ontvangen niet op een onbezonnen wijze verwierpen en de Adventbeweging niet de rug toekeerden. In de brief aan de Hebreeën waren er enkele bemoedigende en waarschuwende woorden voor de beproefden en wachtenden in deze crisis: „Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebreeën 10:35-39).

Dat deze vermaning gericht is tot de gemeente van de eindtijd blijkt duidelijk uit de woorden die verwijzen naar de nabijheid van Chris­tus’ komst: „Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.” In deze tekst ligt ook de gedachte besloten dat er een schijnbare vertraging zou zijn en dat het zou schijnen alsof Christus op Zich liet wachten. Wat ons hier geleerd wordt, was bijzonder toepasselijk voor de ervaring van de adventisten in die dagen. De mensen die hier worden toegesproken, liepen het gevaar hun geloof te verliezen. Zij hadden Gods wil gedaan en hadden de leiding van zijn Geest en van zijn Woord gevolgd. Toch konden zij niet begrijpen wat Hij bedoelde en konden ze ook de weg die ze moesten gaan niet zien. Ze waren geneigd te twijfelen of ze wel door God waren geleid. In die tijd waren deze woorden zeer betekenisvol:

„Mijn rechtvaardige zal uit geloof leven.” Toen het heldere licht van „het geroep in de nacht” op hun pad had geschenen en zij hadden gezien hoe de profetieën werden ontzegeld, en hadden gelet op de tekenen die snel in vervulling gingen en aankondigden dat de wederkomst van Christus nabij was, hadden zij als het ware als zienden gewandeld. Maar nu zij ontmoedigd waren omdat hun hoop niet in vervulling was gegaan, konden zij alleen stand houden door het geloof in God en zijn Woord. De spottende wereld zei:

„Jullie zijn misleid. Geef jullie geloof maar op en zeg dat de Adventbeweging het werk van de duivel is.” Gods Woord zei echter: „Maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.” Als ze hun geloof nu opgaven en de kracht van de Heilige Geest, die de boodschap had versterkt, ontkenden, zouden zij hun eigen ondergang tegemoet gaan. Ze werden tot volharding aangespoord door de woorden van Paulus: „Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs” (...) „want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten.” Ze waren alleen veilig als ze het licht dat ze van God hadden ontvangen op prijs stelden, als ze bleven rekenen op zijn beloften, de Schrift verder onderzochten, geduldig wachtten en naar meer licht verlangden.

Terug pagina 10 pagina 12