Zevende dags adventisten een profetische zendingsbeweging

Zevende dags Adventisten
Een profetische zendingsbeweging

Het Zevende-dags Adventisme is een sterk groeiende wereldomvattende zendingsbeweging. Zevende-dags Adventisten kan men vinden in 205 van de 229 door de United Nations erkende landen. Ze zijn gekend voor hun bijbelse getrouwheid en liefdadigheidswerk in het bijzonder op gebied van gezondheidszorg, onderwijs en ontwikkelingshulp. Er zijn momenteel ongeveer 15 miljoen Zevende-dags Adventisten. De zendingsbeweging kent een jaarlijkse groei van 11% met meer dan 2500 dopen per dag. Maar ja, zult u misschien zeggen, er zijn nog wel zendingsbewegingen, wat is er dan zo bijzonder aan deze zendingsbeweging? Bij het lezen van de geschiedenis van de zendingsbeweging van de Zevende dags Adventisten zult u merken dat deze de profetie vervult van Openbaring 14:7-12 ook gekend als de Drie-engelen boodschap. Deze beweging neemt een bijzondere plaats in, in de vervulling van Gods heilsplan door haar specifieke boodschap.

 

Geloofspunten
28 fundamentele geloofspunten geven het Bijbels geloof weer van de Zevende-dags Adventisten

Geschiedenis
Ontstaan en geschiedenis van de Zevende-dags Aventisten bevestigen haar profetische roeping als zendingsbeweging

Toekomst
Het afsluiten van de zending en de laatste gebeurtenissen voor de wederkomst

Zending
Getuigenis van een wereldwijde zendingsbeweging

De drie-engelenboodschap
Verdieping in de boodschap van de drie engelen en de persoonlijke toepassing ervan.

Waarom ben ik Zevende-dags Adventist?
De verantwoording van mijn geloof

Geschiedenis

De boodschap van de wederkomst

William Miller

Licht in de duisternis

Een grote godsdienstige opwekking

Een waarschuwing verworpen

Profetieën vervuld

Wat is het heiligdom?

In het heilige der heiligen

Gods wet heilig en onveranderlijk

Een hervorming voor deze tijd

 


De boodschap van de wederkomst p.1

Het woord advent dat een onderdeel vormt van de naam Zevende-dags Adventisten, komt van het Latijn adventus wat komst betekent. De hoop op de komst van Jezus is wat Zevende-dags Adventisten er toe aanzet de blijde boodschap te verkondigen. Deze hoop komt tot uitdrukking in de naam van hun beweging.

De wederkomst van Christus om het verlossingswerk te voltooien is één van de plechtigste en mooiste openbaringen van de Bijbel. Gods pelgrimsvolk, dat al zó lang zwerft „in het land en [in] de schaduw des doods", leeft in „de zalige hoop" en kijkt vol blijdschap uit naar de verschijning van Christus, die „de opstanding en het leven" is en zijn volgelingen naar „het huis zijns Vaders" zal brengen. De leer van de wederkomst van Christus is de belangrijkste boodschap van de Bijbel.

Sinds de dag dat het eerste mensenpaar teleurgesteld het paradijs moest verlaten, hebben alle ware gelovigen uitgezien naar de komst van de Verlosser, die de macht van de vernieler zou breken en hun het verloren paradijs zou teruggeven.

Heilige mannen hebben in het verleden de komst van de Messias „in heerlijkheid" beschouwd als de vervulling van hun verwachtingen. Henoch, die behoorde tot de zevende generatie na Adam en drie eeuwen lang met God op aarde wandelde, mocht de komst van de Verlosser van verre aanschouwen. Hij profeteerde: „Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tien duizenden, om over allen de vierschaar te spannen" (Judas 14,15).

De patriarch Job riep in de nacht van zijn beproeving met onwankelbaar vertrouwen uit: „Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde" (Job 19:25-27).

De wederkomst van Christus om zijn Koninkrijk van gerechtigheid op te richten, heeft de bijbelschrijvers geïnspireerd tot de meest ver­heven en enthousiaste uitspraken. De dichters en profeten van de Bijbel hebben over dit onderwerp geschreven met woorden die gloeiden van hemels vuur. De dichter van de psalmen heeft de macht en de majesteit van Israëls Koning bezongen: „Uit Sion, de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans. Onze God komt en zal niet zwijgen... Hij roept tot de hemel daarboven, en tot de aarde om zijn volk te richten" (Psalm 50:2-4). „De hemel verheuge zich, de aarde juiche... voor de HERE, want Hij komt, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in zijn trouw" (Psalm 96:11-13).

De profeet Jesaja zei: „Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven". „Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwassen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft" (Jesaja 26:19; 25:8,9).

Habakuk zag Christus' verschijning in een visioen: „God komt van Teman en de Heilige van het gebergte Paran. Zijn majesteit bedekt de hemelen, en de aarde is vol van zijn lof. Er is een glans als van zonlicht, lichtstralen heeft Hij aan zijn zijde". „Hij staat en doet de aarde schudden; Hij ziet rond en doet de volken van schrik opspringen, de aloude bergen liggen verpletterd, de eeuwige heuvelen zinken ineen; de eeuwenoude wegen zijn zijne". „Gij rijdt op uw paarden en op uw zegewagens". „De bergen zien U, zij beven... de watervloed verheft zijn stem, hij steekt zijn handen omhoog. De zon, de maan treden terug in haar woning, wegens het licht van uw voortsnellende pijlen, wegens de glans uwer bliksemende speer". „Gij trekt uit tot redding van uw volk, tot redding van uw gezalfde" (Habakuk 3:3,4,6,8,10,11,13).

Kort vóór Christus van zijn discipelen wegging, troostte Hij hen in hun verdriet met de verzekering dat Hij zou terugkomen: ,,Uw hart worde niet ontroerd... in het huis mijns Vaders zijn vele woningen... Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben" (Johannes 14:1-3). „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen vóór Hem verzameld worden" (Matteüs 25:31,32).

De engelen die na de hemelvaart van Christus even op de Olijfberg achterbleven, herinnerden de discipelen aan de belofte van zijn we­derkomst: „Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen" (Handelingen 1:11). Paulus schreef onder inspiratie van de Heilige Geest: „De Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods nederdalen van de hemel" (l Tessalonicenzen 4:16). De ziener van Patmos zegt in dit verband: „Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien" (Openbaring 1:7).

Christus' wederkomst is nauw verbonden met de heerlijkheid „van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher" (Handelingen 3:21). Dan zal er een eind komen aan de eeuwenoude heerschappij van het kwaad. "Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden" (Openbaring 11:15). „En de heerlijkheid des HEREN zal zich openbaren en al het levende tezamen zal dit zien". „De Here HERE zal gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor het oog van alle volken". Hij zal „een sierlijke kroon en een prachtige diadeem zijn voor de rest van zijn volk" (Jesaja 40:5; 61:11; 28:5).

Dan zal het lang verwachte Vrederijk van de Messias „onder de ganse hemel" worden opgericht... „De HERE troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des HEREN".

„De heerlijkheid van de Libanon is haar gegeven, de luister van de Karmel en van Saron". „Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: "Woestenij; maar gij zult genoemd worden: „Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde". „Zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden" (Jesaja 51:3; 35:2; 62:4,5).

In alle eeuwen is de wederkomst van Christus de zalige hoop van zijn ware volgelingen geweest. De belofte van Jezus toen Hij van de Olijfberg ten hemel steeg dat Hij zou terugkomen, heeft de toekomst voor zijn discipelen doen lichten en heeft hun hart vervuld met vreugde en hoop, die niet door verdriet of beproevingen konden worden overschaduwd. Te midden van lijden en vervolgingen verwachtten zij „de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus".

Toen de gelovigen van Tessalonica treurden om de dood van hun geliefden, die hadden gehoopt dat Christus nog tijdens hun leven zou terugkeren, wees Paulus hen op de opstanding die zou plaatsvinden bij de wederkomst. Dan zullen zij die in Christus gestorven zijn opstaan en samen met de levenden op de wolken worden weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht. „En zo zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden" (l Tessalonicenzen4:16-18).

Op het rotsachtige eiland Patmos hoorde de geliefde discipel de belofte: „Ja, Ik kom spoedig". In zijn hoopvol antwoord, „Amen, kom, Here Jezus!", ligt het gebed van de gemeente op haar lange pelgrimstocht besloten (Openbaring 22:20).

Vanuit de kerkers, van op de brandstapel en het schavot, waar heiligen en martelaren de waarheid hebben verdedigd, weerklinkt hun getuigenis van geloof en hoop door de eeuwen heen! „Daar ze overtuigd waren van Christus' persoonlijke opstanding, en dus ook van het feit dat zij bij zijn wederkomst uit de doden zullen opstaan, verachtten ze de dood en waren ze helemaal niet bang om te sterven" (Daniel T. Taylor, The Reign of Christ on Earth: or, The Voice of the Church in All Ages, p. 33).

Ze waren bereid in het graf te dalen, want ze zouden er „als vrijgemaakte mensen" uit opstaan (Ibid., 54). Zij verwachtten „de wederkomst van Christus op de wolken des hemels met de heerlijkheid van de Vader om het Koninkrijk aan de verlosten te geven".

De Waldenzen hoopten dit ook (Ibid., pp.129-132). Wyclif beschouwde de komst van de Verlosser als de hoop van de gemeente (Ibid., pp. 132-134). Luther zei: „Ik ben ervan overtuigd dat wij nog geen driehonderd jaar van de dag des oordeels verwijderd zijn. God wil en kan deze boze wereld niet langer dulden". „De grote dag van de vernietiging van het koninkrijk der gruwelen nadert snel" (Ibid., pp. 158,134).

„Deze oude wereld nadert haar einde", zei Melanchton. Calvijn spoorde de christenen aan „niet te aarzelen, maar vurig naar de dag van Christus' wederkomst te verlangen als de heerlijkste gebeurtenis" en zei dat „alle gelovigen het oog gericht moesten houden op die dag". „Wij moeten naar Christus hunkeren, wij moeten Hem zoeken en over Hem nadenken tot de dageraad van de grote dag, wanneer onze Heer de heerlijkheid van zijn koninkrijk ten volle zal openbaren", zei hij (Ibid., pp. 158,134).

Knox, de hervormer van Schotland, drukte zich als volgt uit: „Is de Here Jezus niet met ons lichaam ten hemel gevaren en zal Hij niet wederkomen? Wij weten dat Jezus zal terugkomen en dat Hij niet op Zich zal laten wachten". Ridley en Latimer, die voor de waarheid zijn gestorven, zagen in geloof uit naar de wederkomst van Christus.

Ridley zei: „De wereld gaat ongetwijfeld haar einde tegemoet. Dit is mijn vaste overtuiging en daarom schrijf ik het. Laten wij met Johannes, de dienaar van God, met volle overtuiging tot Jezus zeggen: 'Kom, Here Jezus, kom spoedig'"(Ibid., pp. 151,145).

„De gedachte van de wederkomst is mij zeer dierbaar", zei Richard Baxter (Richard Baxter, Works, vol. 17, p. 555). „Als wij zijn verschij­ning liefhebben en uitzien naar die zalige hoop bewijzen wij dat wij geloven en zijn heiligen zijn". „Als wij beseffen dat de dood de laatste vijand is die bij de opstanding wordt overwonnen, zullen de gelovigen vurig verlangen naar en bidden om de wederkomst van Christus, wanneer deze volledige, uiteindelijke overwinning zal worden behaald" (Ibid., vol. 17, p. 500).

„Dit is de dag waar alle gelovigen naar moeten verlangen, waar ze op moeten hopen en waar ze naar moeten uitzien als de voltooiing van hun verlossing en de vervulling van al hun verlangens en verwachtingen". „O, Here, laat deze gezegende dag vlug aanbreken!" (Ibid., vol. 17, pp. 182, 183). Dit was de hoop van de apostolische gemeente, van de gemeente in de woestijn en van de hervormers.

De profetie voorzegt niet alleen de manier waarop de wederkomst zal plaatsvinden en het doel van die gebeurtenis, maar geeft ook tekenen waardoor de mensen kunnen weten dat die komst nabij is. Jezus zei: „En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren" (Lucas 21:25). „Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven. En de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid" (Marcus 13:24-26).

Johannes geeft de volgende beschrijving van de eerste tekenen die aan de wederkomst van Christus voorafgaan: „En daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed" (Openbaring 6:12).

Deze tekenen verschenen vóór het begin van de negentiende eeuw. Zoals de profetie had voorzegd, deed zich in 1755 de ergste aardbeving voor die tot op dat ogenblik was voorgekomen. Hoewel deze aardbeving bekend staat als „de aardbeving van Lissabon", werd ook een groot deel van Europa, Afrika en Amerika getroffen. De schok werd gevoeld in Groenland, de West-Indische eilanden, op het eiland Madeira, in Noorwegen en Zweden, Groot-Brittannië en Ierland; een oppervlakte van meer dan vier miljoen vierkante mijl. Een groot deel van Algiers werd verwoest en vlakbij de grens met Marokko werd een dorp van acht- tot tienduizend inwoners verzwolgen. Een geweldige vloedgolf spoelde over de kusten van Spanje en Afrika waardoor hele steden werden meegesleurd en een verschrikkelijke verwoesting werd aangericht. Maar de aardbeving was het zwaarst in Spanje en Portugal.

De vloedgolf die Cadiz bereikte zou achttien meter hoog zijn geweest. „Enkele van de hoogste bergen van Portugal beefden op hun fundamenten en enkele bergtoppen werden op een spectaculaire manier opengereten, terwijl er vele kolossale rotsblokken in de aan­grenzende dalen werden geslingerd. Volgens de berichten schoten er vlammen uit de opengescheurde bergen omhoog" (Sir Charles Lyell, Principles of Geology, p. 495).

In Lissabon „werd de aardbeving voorafgegaan door ondergronds gerommel. Onmiddellijk daarna stortte het grootste deel van de stad in onder een zware schok. In zes minuten tijd kwamen zestigduizend mensen om het leven. De zee liep eerst terug, zodat een deel van de zeebodem bloot kwam te liggen. Toen kwam er ineens een vloedgolf aanrollen die zeker vijftien meter hoger was dan de normale zeespiegel". „Een van de andere buitengewone gebeurtenissen die zich bij de ramp in Lissabon voordeden, was het instorten van een nieuwe marmeren kade die pas af was en een hoop geld had gekost. Zeer veel mensen waren daar samengestroomd, omdat ze dachten dat ze daar tenminste veilig zouden zijn voor het neerstortende puin; maar de kade zakte met alle mensen weg. Men heeft geen enkel lichaam ooit teruggevonden" (Ibid., p. 495). „Na de schok van de aardbeving stortten alle kerken en kloosters, bijna alle grote openbare gebouwen en meer dan één vierde van de woonhuizen in.

Ongeveer twee uur na de aardbeving brak er op verschillende plaatsen brand uit, die bijna drie dagen met zeer grote hevigheid woedde en de stad in een smeulende puinhoop veranderde. De aardbeving vond plaats op een godsdienstige feestdag, toen de kerken en kloosters vol waren. Slechts enkelen konden aan de dood ontsnappen' [Encyclopedia Americana, art. „Lisbon", noot (ed. 1831)].

„De angst van de mensen was onbeschrijfelijk. Niemand huilde. Men kon gewoon niet huilen. De mensen liepen als waanzinnigen van de ene plaats naar de andere. Ze waren hysterisch van angst en ontzetting, sloegen zich van wanhoop op het hoofd en op de borst en riepen: 'Misericordia! Het einde van de wereld!'

Moeders lieten hun kinderen in de steek en renden door de straten met kruisbeelden in de hand. Ongelukkig genoeg zochten velen een schuilplaats in de kerken, waar men het heilig sacrament ter aanbidding had opengesteld. Maar ook dit mocht niet baten. De ongelukkigen omhelsden de altaren tevergeefs. Beelden, priesters en mensen werden onder het puin bedolven". Ongeveer negentigduizend mensen verloren op die rampzalige dag het leven. Vijfentwintig jaar later verscheen het teken dat volgens de profetie op de aardbeving zou volgen: de verduistering van de zon en de maan. Deze gebeurtenis was des te opvallender omdat het tijdstip van haar vervulling precies was aangegeven.

Tijdens het gesprek van Jezus met zijn discipelen op de Olijfberg noemde Christus na zijn beschrijving van de lange periode van Beproevingen voor de gemeente - de 1260 jaar van pauselijke vervolgingen, waarvan Hij had beloofd dat ze zouden worden ingekort - enkele gebeurtenissen die aan zijn wederkomst zouden voorafgaan en gaf Hij de tijd aan wanneer het eerste van deze tekenen te zien zou zijn: „Maar in die dagen, na die verdrukking zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven" (Marcus 13:24).

De 1260 profetische dagen of evenveel kalenderjaren eindigden in 1798. De vervolgingen waren 25 jaar eerder zo goed als afgelopen. Christus had gezegd dat de zon na deze verdrukking zou worden verduisterd. Deze profetie ging op 19 mei 1780 in vervulling.

Een van de merkwaardigste verschijnselen - misschien zelfs het geheimzinnigste in zijn soort - is „de donkere dag van 19 mei 1780', waar men tot nu toe geen verklaring voor heeft gevonden; de hemel en de atmosfeer van New England werden op die dag totaal verduisterd" (R.M. Devers, Our First Century, p. 89).

Een ooggetuige in Massachusetts beschrijft de verduistering als volgt: „'s Morgens kwam de zon helder op, maar verdween kort daarna achter de wolken. De wolken werden zwaarder en onheilspellend zwart. Plotseling bliksemde en donderde het. Het begon zachtjes te regenen. Tegen negen uur werden de wolken minder zwaar; ze werden koperkleurig en gaven de aarde, de rotsen, de bomen, de huizen, het water en de mensen een vreemd, luguber voorkomen. Enkele minuten later werd de hemel over de hele breedte bedekt door een zware wolk, behalve een smalle strook aan de horizon. Het was zo donker als op een zomeravond om negen uur..."

„De mensen werden doodsbang. Vrouwen stonden in de deuropening te kijken naar het lugubere schouwspel. Mannen keerden terug van hun werk op het land. De timmerman legde zijn gereedschap neer, de smid verliet zijn smidse en de winkelier zijn toonbank. De scholen werden gesloten en de kinderen renden angstig naar huis. Reizigers zochten onderdak in de dichtstbijgelegen boerderij. „Wat krijgen we nou?", vroeg iedereen zich af. Het was alsof een orkaan over het land zou razen of dat de laatste dag was aangebroken."

„Er werden kaarsen aangestoken en het vuur in de haard brandde zo helder als op een herfstavond wanneer de maan niet schijnt. De kippen gingen op stok, de koeien kwamen samen bij de hekken van de wei en loeiden, de kikkers kwaakten, de vogels floten en de vleermuizen fladderden door de lucht. Alleen de mens wist dat het nog geen nacht was...

„Dr. Nathanael Whittaker, predikant van de Tabernakelkerk te Salem, leidde een kerkdienst en zei in zijn preek dat de duisternis van bovennatuurlijke oorsprong was. Op vele andere plaatsen werden er ook kerkdiensten gehouden. Voor deze gelegenheidspreken werden overal teksten aangehaald om te bewijzen dat de duisternis een vervulling was van de profetieën van de Bijbel... Even na elf uur was de duisternis op zijn dichtst" (The Essex Antiquarian, April 1899, vol. 3, nr. 4, pp. 53, 54). „In de meeste delen van het land was de duisternis overdag zó dicht dat men gewoon niet kon zien hoe laat het was; de mensen moesten al hun dagelijkse bezigheden bij kaarslicht verrichten...

„Deze duisternis bedekte een zeer groot gebied. De uiterste grenzen waren Falmouth in het oosten, Connecticut en Albany in het wes­ten, de kust in het zuiden en de verste Amerikaanse nederzettingen in het noorden" (William Gordon, History of the Rise, Progress and Establishment of the Independence of the U.S.A., vol. 3, p. 57).

Na de dichte duisternis van overdag werd de hemel ongeveer twee uur voor het vallen van de avond wat lichter en kon de zon doorbre­ken, hoewel ze nog altijd door de dichte mist werd verduisterd. „Na zonsondergang kwamen de wolken weer aandrijven en werd het heel vlug donker". „De duisternis van de nacht was even uitzonderlijk en angstaanjagend als die van overdag. Hoewel het bijna volle maan was, moest men het licht aansteken om iets te zien. Zag men in de dichtbij of verder gelegen huizen licht branden, dan was het alsof er een Egyptische duisternis heerste, waar de lichtstralen nauwelijks doorheen konden dringen" [Isaiah Thomas, Massachusetts Spy; or, American Oracle of Liberty, vol, 10, nr. 472 (25 mei 1780)].

Een ooggetuige zei nog het volgende: „Toen ik dat zag, dacht ik: 'Als elke lichtbron van het heelal gehuld was in ondoordringbare duisternis of vernietigd was, zou de duisternis op aarde niet dichter geweest zijn" [Brief van dr. Samuel Tenney uit Exeter, New Hampshire, dec. 1785 (in Massachusetts Historica! Society Collections, 1792, 1ste reeks, vol. 1, p. 97)]. Hoewel het die avond om negen uur volle maan was, werden de zwarte schaduwen des doods helemaal niet verdreven. Na middernacht verdween de duisternis en toen de maan zichtbaar werd, was ze rood als bloed.

19 mei 1780 is de geschiedenis ingegaan als „de donkere dag". Sinds de tijd van Mozes is er geen verduistering geweest die zó dicht was, zo'n groot gebied besloeg en zó lang heeft geduurd. De beschrijving van deze gebeurtenis door ooggetuigen is slechts een echo van de woorden die meer dan vijfentwintig eeuwen vóór hun vervulling door Joël waren opgetekend: „De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt" (Joël 2:31).

Christus had zijn discipelen de opdracht gegeven op de tekenen van zijn komst te letten en zich te verheugen wanneer zij de voorboden van hun komende Koning zouden zien. „Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt", had Jezus gezegd. Hij wees zijn volgelingen op de uitbottende bomen in de lente en zei: „Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is" (Lucas 21:28,30,31).

Maar toen nederigheid en toewijding in de gemeente plaats moesten maken voor hoogmoed en vormendienst verkoelden de liefde voor Christus en het geloof in zijn wederkomst. Mensen die zich voor Gods volgelingen uitgaven, gingen zo volledig op in de dingen van deze wereld en in het zoeken van genot dat ze geen oog hadden voor de tekenen van zijn verschijning. Het geloof in de wederkomst was op de achtergrond geraakt, de teksten over dit onderwerp werden verduisterd door verkeerde interpretaties.

Op den duur schonk men er geen aandacht meer aan en vergat men zelfs dat ze bestonden. Dit was vooral het geval in de kerken van Amerika. Door de vrijheid en welvaart onder alle lagen van de bevolking, door het grote verlangen naar rijkdom en luxe waardoor de mensen al hun zinnen zetten op het verdienen van zoveel mogelijk geld en door de zucht naar populariteit en macht, die binnen het bereik van iedereen schenen te liggen, hadden de mensen alleen belangstelling en tijd voor de dingen van dit leven en verschoven ze de plechtige dag waarop er een einde zou komen aan de bestaande wereldorde zover mogelijk naar de toekomst.

Toen Christus zijn volgelingen wees op de tekenen van zijn wederkomst voorzegde Hij ook de grote afval vlak vóór zijn wederkomst. De mensen zouden zich zoals in de dagen van Noach volledig overgeven aan de bezigheden van deze wereld en aan het zoeken van plezier - zij zouden kopen, verkopen, planten, bouwen, huwen en ten huwelijk geven - en zouden gewoon geen tijd over hebben voor God en het eeuwige leven. Christus' waarschuwing voor de gelovigen die in deze tijd leven, luidt: „Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud en die dag niet plotseling over u kome, als een strik". „Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen" (Lucas 21:34,36).

De toestand van de gemeente in deze tijd wordt beschreven door de woorden van Jezus in de Openbaring: „Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, maar gij zijt dood". En tot de gelovigen die niet willen inzien dat hun zekerheid totaal ongegrond is, wordt een ernstige waarschuwing gericht: „Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten, op welk uur Ik u zal overvallen" (Openbaring 3:1,3).

 

 

Terug

pagina 2