Tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Daniel 8:14

De Bijbel bevat heel wat gebeurtenissen waarvoor een bepaalde tijd was vastgesteld. De honderd twintig jaar vóór de zondvloed (Genesis 6:3), de zeven dagen die eraan vooraf zouden gaan en de veertig dagen regen (Genesis 7:4), het verblijf van Abrahams nakomelingen in een vreemd land gedurende vierhonderd jaar (Genesis 15:13), de drie dagen in de dromen van de schenker en de bakker (Genesis 40:12-20), de zeven jaren van Farao (Genesis 41:28-54), de veertig jaar in de woestijn (Numeri 14:34), de hongersnood gedurende drie en een half jaar (l Koningen 17:1 (zie Lucas 4:25)), ...de zeventig jaren in ballingschap (Jeremia 25:11), de zeven tijden van Nebukadnezar (Daniël 4:13-16), en de zeven weken, twee en zestig weken en één week, in totaal zeventig weken, die voor de Joden waren bepaald (Daniël 9:24-27). Al deze gebeurtenissen waarvoor een tijd was vastgesteld, waren eens profetieën en hebben zich letterlijk vervuld" (Bliss, pp. 74,75).

Daarnaast zijn ook andere tijden van tevoren bepaald die reiken tot in de eindtijd, de tijd die de wederkomst van Christus voorafgaat.

Mozes zegt: „De verborgen dingen zijn voor de HERE, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd." En Amos verklaart: „Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten" (Deuteronomium 29: 29; Amos 3:7).

Zij die Gods Woord onderzoeken mogen er dan ook op vertrouwen dat de meest opzienbarende gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis ook duidelijk in de Schrift vermeld zijn.

„Aangezien ik er ten volle van overtuigd was dat 'elk van God ingegeven schriftwoord nuttig is om te onderrichten', (2 Timoteüs 3:16) dat 'profetie nooit is voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, mensen van Godswege hebben ge­sproken' (2 Petrus 1:21) en dat al wat tevoren geschreven is tot ons onderricht geschreven werd, (Romeinen 15:4) was ik van mening dat de chronologische gedeelten ook tot Gods Woord behoorden en dus met evenveel aandacht moesten worden bestudeerd als de andere bijbelgedeelten. Daarom vond ik dat ik niet het recht had de profetische tijdperken over te slaan bij mijn poging om te begrijpen wat God in zijn genade aan ons heeft geopenbaard" (Bliss, p. 75).

Een van deze belangrijke profetische tijdperken wordt vernoemd in Daniël 8:14 „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden."

Om erachter te komen waar deze tijdsbepaling op slaat passen we het principe toe van de Sola Scriptura; de Bijbel verklaart zichzelf. We stellen dan vast dat dat één dag in een symbolische profetie gelijkstaat met één jaar in werkelijkheid. (Numeri 14:34; Ezechiël 4:6).

Zo weten we dat de 2300 profetische dagen in werkelijkheid jaren zijn en reiken tot ver na de Oud Testamentische tijd. De tekst doelt dan ook niet op het heilgdom uit de oudtestamentische bedeling.

De grootste moeilijkheid is echter het vinden van het beginpunt van de 2300 jaar.

In hoofdstuk 8 van Daniël kan men geen aanwijzing vinden voor het beginpunt van de „2300 avonden en morgens". Hoewel de engel Gabriël de opdracht had gekregen om Daniël het gezicht te doen verstaan, had hij maar een gedeeltelijke uitleg gegeven. Toen de profeet hoorde welke verschrikkelijke vervolgingen over de gemeente zouden komen, was hij aan het eind van zijn krachten. Hij kon de uitleg niet meer verwerken en de engel liet hem enige tijd met rust. Daniël zegt zelf: „En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek". „En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het."

Toch had God zijn boodschapper de opdracht gegeven: „Doe deze het gezicht verstaan". Die opdracht moest worden uitgevoerd. Daar­om ging de engel na enige tijd weer naar Daniël en zei: „Daniël, nu ben ik uitgegaan om u een klaar inzicht te geven". „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht" (Daniël 8:27,16; 9:22,23,25-27).

Eén belangrijk punt in het gezicht was nog niet verklaard, namelijk de periode van „de 2300 avonden en morgens". Daarom ging de engel bij de hervatting van zijn uitleg dieper op dit onderwerp in:

„Zeventig weken zijn bestemd (afgesneden Hebreeuws) over uw volk en over uw heilige stad... Weet dan en versta: van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen tot op de Messias, de Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden... En Hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der welk zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden." Daniel 9:24

De engel was naar Daniël gestuurd met de duidelijke opdracht hem het punt uit te leggen dat hij in het gezicht van het achtste hoofdstuk niet had begrepen: „twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden". Nadat de engel had gezegd „Let dus op het woord en sla acht op het gezicht", begon hij onmiddellijk aan zijn uitleg: „Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad"Daniel 9:24. Het woord dat vertaald is door 'bepaald' betekent letterlijk 'afgesneden'. Zeventig weken of 490 jaar zijn volgens de engel afgesneden voor het Joodse volk.

Maar waarvan zijn ze afgesneden? Daar er in hoofdstuk 8 alleen sprake is van één periode, moeten de zeventig weken daarvan afgesneden zijn. De zeventig weken zijn dus een stuk van de 2300 avonden en morgens en de twee periodes hebben hetzelfde beginpunt. De engel zei dat de zeventig weken begonnen op het ogenblik dat het bevel uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen. Als men die datum kon vaststellen, had men meteen ook het begin van de 2300 avonden en morgens.

Dit decreet kunnen we in het zevende hoofdstuk van Ezra, vers 12-26, vinden. De volledige tekst werd door Artaxerxes (Artachsasta), koning van Perzië, afgekondigd in 457 v. Chr. Maar in Ezra 6:14 lezen wij dat de bouw voltooid werd „volgens het bevel van Kores, Darius en Artachsasta, koning van Perzië". Deze drie koningen brachten door hun afkondiging, bevestiging en aanvulling het bevel tot de volmaaktheid die nodig was om het begin van de profetie van de twee duizend driehonderd avonden en morgens aan te duiden. Als men 457 v. Chr. als uitgangspunt voor de berekening aanneemt, kan men vaststellen dat elk detail in verband met de zeventig weken in vervulling is gegaan.

„Vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven" Daniel 9:25 ; in totaal negen en zestig weken of 483 jaar. Het decreet van Artaxerxes werd van kracht in de herfst van 457 v, Chr.

Vanaf deze datum gerekend reiken de 483 jaar tot de herfst van 27 na Chr.

Op dat ogenblik ging deze profetie in vervulling. Het woord Messias betekent 'de Gezalfde'. In de herfst van 27 na Chr, werd Jezus door Johannes gedoopt en werd Hij door de Heilige Geest gezalfd. De apostel Petrus zegt dat „God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd" (Handelingen 10:38).

Christus verklaarde zelf: „De geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen" (Lucas 4:18). Na zijn doop ging Jezus naar Galilea „om het evangelie Gods te prediken, [en Hij zeide]: De tijd is vervuld" verwijzende naar de profetie van Daniel.(Marais l; 14,15).

„En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang" Daniel 9:27 . Dat is dan de zeventigste week, de laatste zeven jaar van de periode die voor de Joden „bepaald" was. In deze periode tussen 27 en 34 na Chr. richtte Jezus Zich eerst zelf en daarna door zijn discipelen in het bijzonder tot de Joden met de evangelieboodschap.

Toen de apostelen vertrokken om het goede nieuws van het Koninkrijk te verspreiden, zei Jezus: „Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls" (Matteüs 10:5,6).

„In de helft van de week zal Hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden" Daniel 9:27. In 31 na Chr., drie en een halfjaar na zijn doop, werd Christus gekruisigd. Met het grote offer van Golgotha kwam er ook een einde aan de offers die vierduizend jaar lang hadden gewezen op het Lam van God. Het beeld werd door zijn tegenbeeld vervangen en daardoor kwam er ook een einde aan „slachtoffer en spijsoffer" van de ceremoniële wetgeving.

De zeventig profetische weken of 490 letterlijke jaren die vooral voor het Joodse volk waren „bepaald", eindigden dus in 34 na Chr. In dat jaar bezegelde het volk zijn verwerping van het evangelie door het optreden van het Sanhedrin, waardoor Stefanus werd gestenigd en de volgelingen van Christus werden vervolgd. Toen werd de reddingsboodschap niet meer alleen aan het uitverkoren volk, maar aan de hele wereld gebracht.

De discipelen moesten vanwege de vervolgingen in Jeruzalem, de stad verlaten. „Zij dan die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende". „En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus."

Petrus werd door de Heilige Geest geleid (toen hij „het goede nieuws" aan de hoofdman uit Caesaréa, de godvrezende Comelius, bracht. En de vurige Paulus, die bekeerd werd, moest het goede nieuws „ver weg, naar de heidenen" brengen. (Handelingen 8:4,5; 22:21).

De profetieën zijn tot in de kleinste bijzonderheden uitgekomen. Het leed dan ook niet de minste twijfel dat de zeventig weken in 457 v, Chr. begonnen en in 34 na Chr. eindigden. Het is dan niet moeilijk te bepalen wanneer „de tweeduizend driehonderd avonden en morgens" eindigden. De zeventig weken of 490 dagen waren afgesneden van het grotere stuk van de 2300 dagen. Er bleven dus nog 1810 dagen over. Als men bij 34 na Chr. 1810 jaar optelt, komt men in 1844. Volgens de engel zou bij het verstrijken van deze periode „het heiligdom in rechte staat hersteld worden".
Het einde van de 2300 avonden en morgens of de 2300 jaar is het begin van de reiniging van het heiligdom. De reiniging van het heiligdom in het Oud Testament vond plaats door de jaarlijkse dienst van de hogepriester in het heilige der heiligen. Deze dienst was een beeld van de dienst van de ware Hogepriester Jezus Christus die het heilige der heiligen is binnengegaan in 1844, volgens de profetie, om daar de laatste fase van het verzoeningswerk te beginnen.
Dit tijdstip, het einde van de 2300 dagen en morgens, 1844 valt samen met het begin van het onderzoekend oordeel dat aangekondigd wordt in Daniel 7:10 en in de drie-engelenboodschap van Openbaring 14:7.

In 1840 ging een andere profetie in vervulling. In 1838 had Josiah Litch, een werk gepubliceerd waarin hij zijn interpretatie van Openbaring 9 gaf en de val van het Ottomaanse rijk voorzegde. Volgens zijn berekeningen zou deze macht „in de loop van de maand augustus 1840" ten val worden ge­bracht. Enkele dagen vóór de vervulling schreef hij: „Als wij ervan uitgaan dat de eerste periode van 150 jaar precies is uitgekomen vóór Deacozes met toestemming van de Turken de troon besteeg en dat de 391 jaar en 15 dagen begonnen aan het einde van de eerste periode, dan moeten deze eindigen op 11 augustus 1840. Op die dag zal de Ottomaanse macht in Constantinopel ten val komen. Ik geloof dat dit inderdaad het geval zal blijken te zijn" (Josiah Litch, in Signs of the Times, and Expositor of Prophecy, 1 aug. 1840). De uitkomst van deze profetie die we vinden in openbaring 19 bewijst nog eens de juistheid van het dag-jaar principe voor de profetische tijdsbepalingen.

Onderzoekend oordeel
Heiligdom
Drie engelenboodschap
 
Terug