Gods volk verlost p.2

De Heiland brengt hem naar de boom des levens, plukt de mooie vruchten en nodigt Adam uit om er ook van te eten. Hij kijkt om zich heen en ziet vele van zijn familieleden onder de verlosten in Gods paradijs. Dan legt hij zijn schitterende kroon aan de voeten van Jezus, werpt zich in de armen van Christus en valt Hem om de hals. Hij laat zijn vingers glijden over de citer en het hemelgewelf weergalmt het overwinningslied: „Waardig, waardig is het Lam, dat geslacht is en weer leeft!” Adams afstammelingen zingen met hem mee. Ze leggen hun kronen ook aan de voeten van Christus en buigen in aanbidding voor Hem neer. De engelen, die hebben geweend toen Adam zondigde en blij waren toen Jezus na zijn opstanding ten hemel voer en daardoor het graf ontsloot voor allen die in zijn naam zouden geloven, zijn aanwezig bij deze hereniging. Nu zien ze de voltooiing van het verlossingswerk en zingen een loflied.

Aan de kristallen zee vóór de troon, die door de heerlijkheid Gods schittert als „glas met vuur vermengd”, staan de overwinnaars „van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam”. Het Lam staat met de honderdvierenveertigduizend, die „gekocht zijn uit de mensen” op de berg Sion. Ze hebben de citers Gods. Er wordt een stem gehoord „als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder”, „de stem van citerspelers, spelende op hun citers”. Ze zingen „een nieuw gezang” vóór de troon, een gezang dat niemand anders kan leren dan de honderd vier en veertig duizend.

Het is het lied van Mozes en het lied van het Lam - een overwinningslied. Alleen de honderdvierenveertigduizend kunnen dit lied aanleren, want het is een lied over hun ervaringen. Geen enkele andere groep heeft deze ervaringen ooit meegemaakt. „Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heen gaat”. Ze komen van de aarde, uit de levenden, en worden beschouwd als „eerstelingen voor God en het Lam” (Openbaring 15:2,3; 14:1-5).

„Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking”; ze hebben „de tijd van grote benauwdheid zoals er niet is geweest sinds er volken bestaan”, meegemaakt. Ze hebben de angst van de tijd van Jakobs benauwdheid doorstaan. Ze zijn zonder Middelaar geweest tijdens de laatste uitstorting van Gods oordelen. Maar ze zijn verlost, want „zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams”. „En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk” voor God. „Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij, die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden”. Ze hebben gezien hoe de aarde werd getroffen door hongersnoden en epidemieën en hoe de zon de mensen met grote hitte verschroeide. Ze hebben zelf ook ellende gekend en honger en dorst gehad. Maar „zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen” (Openbaring 7:14-17).

Door de eeuwen heen zijn Christus’ uitverkorenen gevormd en gedisciplineerd in de school der beproeving. Op aarde hebben ze het smalle pad bewandeld. Ze zijn gereinigd in het vuur van de beproeving. Ze hebben om Jezus’ wil tegenstand, haat en laster verdragen. Ze hebben Hem ondanks de zware strijd gevolgd. Ze hebben zichzelf verloochend en hebben bittere teleurstellingen gehad. Ze hebben de zonde, haar kracht, ongerechtigheid en ellende aan den lijve ondervonden en kijken er vol afschuw op neer. Wanneer ze beseffen dat er een oneindig offer gebracht moest worden om de zonde uit te roeien, worden ze nederig en dankbaar, en loven God. Dit kunnen de engelen, die nooit gevallen zijn niet begrijpen. Zij hebben veel lief omdat hun veel vergeven is. Daar ze deel hebben gehad aan Christus’ lijden, mogen ze nu delen in zijn heerlijkheid.

Gods erfgenamen komen uit zolderkamertjes, uit krotten, uit gevangenissen, van schavotten, uit bergen en woestijnen, uit de holen van de aarde en uit de diepten van de zee. Op aarde hadden ze geleefd „onder ontbering, verdrukking en mishandeling”. Miljoenen zijn met schande beladen in het graf gedaald omdat ze vastberaden weigerden in te gaan op de bedrieglijke eisen van Satan. Ze zijn door menselijke rechtbanken veroordeeld als de ergste misdadigers. Maar nu God rechter is (Psalm 50:6) worden de beslissingen van de mensen ongedaan gemaakt. „De smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen” (Jesaja 25:8).

„En men zal hen noemen: Het heilige Volk, de Verlosten des HEREN”. God heeft beslist „om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest” (Jesaja 62:12; 61:3). Ze zijn niet meer zwak, ellendig, verspreid en verdrukt. Voortaan zullen ze altijd bij de Here zijn. Zij staan vóór de troon en dragen kleren die duurder zijn dan die van de hoogst geplaatsten op aarde. Ze zijn gekroond met diademen die mooier zijn dan die welke ooit op het hoofd van hun vorsten op aarde zijn geplaatst.

De Koning der heerlijkheid heeft de tranen van alle gezichten gewist. Er is niets meer dat verdriet brengt. Onder het wuiven van palmtakken zingen ze een lofzang - helder van toon, zacht en welluidend. Iedereen zingt mee tot het lied door het hemelgewelf weergalmt: „De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam!” En alle hemelbewoners zingen ter ere van God: „Amen, de lof en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden! Amen” (Openbaring 7:10,12).

In dit leven kunnen we het prachtige onderwerp van de verlossing maar gedeeltelijk begrijpen. We kunnen met ons eindig verstand heel diep nadenken over de schande en de heerlijkheid, het leven en de dood, de rechtvaardigheid en de barmhartigheid, die in het kruis samenkomen, maar zelfs met de grootste geestelijke inspanning kunnen we de volle betekenis niet vatten.

Wij hebben maar een vaag idee van de lengte en breedte, de diepte en hoogte van de verlossende liefde. Zelfs wanneer de verlosten zien zoals ze gezien worden en kennen zoals ze gekend zijn, zullen ze het verlossingsplan toch niet volledig begrijpen, want de hele eeuwigheid door zullen er steeds nieuwe waarheden worden geopenbaard aan de onderzoekende geest. Hoewel er geen verdriet, leed en verleidingen meer zijn en de oorzaak daarvan is uitgeschakeld, zal Gods volk toch altijd beseffen welke prijs betaald is voor hun verlossing.

Het kruis van Christus zal voor de verlosten in alle eeuwigheid een onderwerp van studie en lof zijn. Ze zullen de gekruisigde Christus in de verheerlijkte Christus terugvinden. Ze zullen nooit vergeten dat Hij wiens macht de ontelbare werelden van het heelal heeft geschapen en in stand houdt - de geliefde Zoon van God, de Majesteit des hemels, Hij die met vreugde werd aanbeden door cherubs en serafs - Zich vernederd heeft om de gevallen mens te verheffen. Ze zullen nooit vergeten dat Hij de schuld en de schande van de zonde heeft gedragen, dat het aangezicht van zijn Vader voor Hem verborgen bleef totdat de ellende van een verloren wereld zijn hart brak en zijn leven verbrijzelde op het kruis van Golgotha.

Het feit dat de Schepper van alle werelden, de Rechter van alle levens, zijn heerlijkheid heeft afgelegd en Zich uit liefde voor de mens heeft vernederd, zal altijd het heelal met verwondering vervullen en tot aanbidding aanzetten. Wanneer de scharen van verlosten hun Verlosser zien, met de eeuwige heerlijkheid van de Vader op zijn gezicht, wanneer ze zijn troon, die van eeuwigheid tot eeuwigheid zal bestaan, zien en beseffen dat er geen eind zal komen aan zijn Koninkrijk, heffen ze vol geestdrift een lied aan: „Waardig, waardig is het Lam, dat geslacht is en ons met zijn eigen dierbaar bloed heeft vrijgekocht voor God!!”

Het geheimenis van het kruis verklaart alle andere geheimenissen. Het licht dat straalt van Golgotha toont ons de schoonheid en aantrekkelijkheid van de eigenschappen van God die ons met vrees en angst hadden vervuld. Barmhartigheid, tederheid en vaderliefde gaan samen met heiligheid, rechtvaardigheid en macht. Wanneer we naar zijn hoge, verheven troon opkijken, zien we de schoonheid van zijn karakter en begrijpen wij beter dan ooit de betekenis van die lieflijke naam: „Onze Vader”.

We zullen begrijpen dat Hij die de Wijsheid is, geen beter plan voor onze verlossing had kunnen uitwerken dan juist het offer van zijn Zoon. Dit offer wordt gecompenseerd door de vreugde dat er voortaan vrijgekochte, heilige, gelukkige, en onsterfelijke wezens op deze aarde zullen wonen. De afloop van de strijd tussen de Verlosser en de machten van de duisternis maakt de verlosten blij en zal tot in alle eeuwigheid bijdragen tot Gods heerlijkheid. De waarde van één ziel is zó groot dat de Vader akkoord gaat met de prijs en Christus zelf is ook tevreden wanneer Hij de resultaten van zijn grote offer ziet.

Terug pagina 8 pagina 10