Gods volk verlost

Wanneer zij die Gods wet onderhouden niet meer door menselijke wetten worden beschermd, zullen er in verschillende landen tegelijkertijd acties op touw worden gezet om hen te doden. Wanneer de in het decreet bepaalde tijd begint te naderen, zullen de mensen allerlei plannen maken om de gehate sekte uit te roeien. Ze zullen besluiten om hen in één nacht de genadeslag toe te brengen, om voor altijd hun vermanende stem tot zwijgen te brengen.

Gods volgelingen zitten in de gevangenis of houden zich schuil op verlaten plaatsen in bossen en bergen. Ze bidden God nog altijd om hen te beschermen. Intussen zijn er overal gewapende benden die worden opgehitst door groepen boze engelen die zich voorbereiden om hun moordplannen uit te voeren.

Maar juist in deze kritieke ogenblikken zal de God van Israël ingrijpen om zijn uitverkorenen te verlossen. God zegt in dit verband: „Bij u zullen liederen klinken als in de nacht, waarin men zich wijdt voor een feest, en zal er vreugde des harten zijn als van iemand die voortschrijdt... om te komen op de berg des HEREN, tot de Rots van Israël. Dan zal de HERE zijn machtige stem doen horen en zal Hij doen zien het neerkomen van zijn arm in grimmige toorn: een verterende vuurvlam, overstroming, stortbui en hagelstenen” (Jesaja 30:29,30).

Grote groepen mensen met duistere plannen staan klaar om zich op hun prooi te werpen. Ze juichen, spotten en vloeken. Dan zal een dichte duisternis, nog zwarter dan de nacht, de aarde bedekken. Een regenboog die de heerlijkheid van Gods troon weerspiegelt, zal dan de hemel omspannen. Het is alsof elke groep biddende gelovigen ook door deze regenboog wordt omringd. De woedende horden kunnen plots niet verder. Ze spotten niet meer. Ze denken niet meer aan de mensen die ze wilden vermoorden. Met angstige voorgevoelens kijken ze naar het teken van Gods verbond. Ze zouden zich wel willen verbergen voor zijn verblindende helderheid.

Gods volk hoort dan een heldere, welluidende stem, die zegt: „Kijk naar omhoog!” Wanneer ze hun ogen opslaan, zien ze de boog der belofte. De zwarte, dreigende wolken die de hemel bedekten, zijn intussen weggedreven. Zoals Stefanus slaan ze de ogen ten hemel en zien de heerlijkheid Gods, en Jezus zittende op zijn troon. Op zijn goddelijk lichaam zien ze de tekenen van zijn vernedering en uit zijn mond horen ze het verzoek dat tot zijn Vader en de heilige engelen wordt gericht: „Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn” (Johannes 17:24).

Weer zegt een welluidende stem triomfantelijk: „Zij komen! Zij komen! Heilig, onschuldig en onbevlekt. Zij hebben het woord van mijn lijdzaamheid bewaard. Zij zullen onder de engelen leven”. En de bleke, bevende lippen van hen die het geloof hebben behouden, uiten een overwinningskreet.

Te middernacht toont God zijn sterkte om zijn volk te verlossen. De zon komt op en schijnt met al haar kracht. Tekenen en wonderen volgen elkaar snel op. De ongelovigen volgen de gebeurtenissen met verbazing en ontzetting, terwijl de rechtvaardigen met plechtige blijdschap kijken naar de tekenen van hun verlossing. Het is alsof heel de natuur uit haar evenwicht is geslagen. Het water stroomt niet meer. Zware, donkere wolken verschijnen aan de hemel en botsen tegen elkaar. In het midden van de dreigende hemel is een lichtende plek van onbeschrijfelijke schoonheid. Vandaar weerklinkt de stem van God als „het geluid van vele wateren”. Hij zegt: „Het is geschied” (Openbaring 16:17).

Die stem doet de hemel en de aarde beven. „En er geschiedde een grote aardbeving, zo groot als er geen geweest is, sedert een mens op de aarde was: zó hevig was deze aardbeving, zó groot” (vers 17,18). De hemel schijnt zich te openen en weer te sluiten. Het is alsof de heerlijkheid van Gods troon er doorheen schittert. De bergen bewegen als strohalmen in de wind en grote rotsblokken worden naar alle kanten geslingerd. Men hoort een geloei als van een opkomende storm en het geraas van een orkaan als de stemmen van demonen die zijn uitgegaan om te vernietigen. De zee wordt opgezweept. De gehele aarde gaat op en neer als de golven van de zee. De aardkorst scheurt open. Het is alsof de aarde op instorten staat. Bergketens zinken weg. Bewoonde eilanden verdwijnen in de diepte. De zeehavens die even goddeloos zijn als Sodom, worden door de woeste wateren verzwolgen. Het grote Babylon wordt voor God „in gedachtenis gebracht, om daaraan de beker met de wijn van de gramschap zijns toorns te geven”. Grote hagelstenen, „een talent zwaar”, richten grote verwoestingen aan. (vers 19,21).

De hoogmoedigste steden van de aarde worden met de grond gelijk gemaakt. De prachtige paleizen waaraan de groten der aarde hun rijkdom hebben verspild om zichzelf te verheerlijken, storten voor hun ogen ineen. Gevangenismuren scheuren en Gods kinderen die om hun geloof in boeien waren geslagen, worden in vrijheid gesteld.

De graven worden geopend en „velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen” (Daniël 12:2). Alle doden die tijdens hun leven geloofden in de boodschap van de derde engel verrijzen met een verheerlijkt lichaam uit het graf om Gods vredesverbond met hen die zijn wet hebben onderhouden te horen afkondigen. „Ook zij, die Hem hebben doorstoken” (Openbaring 1:7), zij die Christus in zijn doodsstrijd hebben bespot en zij die de felste tegenstanders waren van zijn waarheid en zijn volk, worden opgewekt om Hem in zijn heerlijkheid te zien. Ze zien dan ook welke eer de getrouwen en gehoorzamen te beurt valt.

Er zijn nog steeds zware wolken aan de hemel, maar toch breekt de zon af en toe door; het is alsof men het wrekende oog van God kan zien. Felle bliksemschichten tekenen zich grillig af tegen de hemel. De aarde schijnt bedekt te zijn door een vuurgloed.

Boven het verschrikkelijke gebulder van de donder verkondigen geheimzinnige en angstaanjagende stemmen de ondergang van de ongelovigen. Niet iedereen begrijpt de woorden, maar de dwaalleraren weten wel waar het om gaat. Zij die even voordien nog zó onbezorgd, trots en uitdagend waren en zich zo verheugden over de wreedheid tegenover de mensen die Gods geboden bewaren, zijn nu ten prooi aan angst en ontzetting. Hun geroep stijgt boven het woeden der elementen uit. Deze demonen erkennen de godheid van Christus en beven voor zijn macht, terwijl de mensen om genade smeken en zich van verschrikking in het stof werpen.

De profeten van het Oude Testament hadden „de dag des Heren” in heilige visioenen aanschouwd: „Jammert, want de dag des HEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige” (Jesaja 13:6). „Ga in de rotskloven en verberg u in de grond voor de verschrikking des HEREN en voor de luister zijner majesteit. De verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen wordt neergebogen en de HERE alleen is te dien dage verheven. Want er is een dag van de HERE der heerscharen tegen al wat hoogmoedig is en trots en tegen al wat zich verheft, opdat het vernederd worde.”

„Te dien dage zal de mens zijn zilveren en gouden afgoden, die hij zich gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen, voor de ratten en de vleermuizen werpen, bij zijn vlucht in de rotsholten en in de bergspleten vanwege de verschrikking des HEREN en de luister zijner majesteit, wanneer Hij opstaat om de aarde te verschrikken” (Jesaja 2:10-12,20,21).

Door een spleet in de wolken schittert een ster, die door het contrast met de duisternis wel vier keer helderder schijnt. Ze is het teken van hoop en vreugde voor de gelovigen, maar tegelijkertijd het teken van verschrikking en gramschap voor de overtreders van Gods wet. Zij die alles voor Christus hebben opgeofferd, voelen zich nu veilig en geborgen „in het binnenste van de tent des HEREN”. Ze zijn op de proef gesteld en hebben ten aanschouwen van de wereld en van de mensen die de waarheid verachtten hun trouw bewezen aan Hem die voor hen gestorven is. Zij die zelfs in het aanschijn van de dood zuiver zijn gebleven, hebben een ingrijpende verandering ondergaan. Ze zijn plotseling verlost van de wrede, verschrikkelijke tirannie van mensen die „des duivels” waren geworden. Hun gezichten waarop tot voor kort nog de angst te lezen stond, stralen nu van verwondering, geloof en liefde. Ze verheffen hun stem in een overwinningslied: „God is ons een toevlucht en sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde, al wankelden de bergen in het hart van de zee. Laat bruisen, laat schuimen haar wateren, laat de bergen beven door haar onstuimigheid” (Psalm 46:2-4).

Terwijl deze woorden, die hun onwankelbaar vertrouwen uitdrukken, tot God opstijgen, gaan de wolken uit elkaar en worden de sterren aan de hemel zichtbaar. Ze zijn onbeschrijfelijk mooi in vergelijking met de zwarte, dreigende wolken aan weerskanten. De luister van de hemelse stad straalt uit de geopende poorten. Dan verschijnt er aan de hemel een hand die twee toegevouwen stenen tafelen vasthoudt. Hierover zegt de profeet: „Daar verkondigt de hemel zijn gerechtigheid, want God is rechter” (Psalm 50:6).

Deze heilige wet, de uitdrukking van Gods rechtvaardigheid die te midden van donder en bliksem op de berg Sinaï werd afgekondigd als de enige levensgids, wordt nu aan de mensen voorgehouden als de enige rechtsnorm in het oordeel. De hand slaat de tafelen open. Dan ziet men de geboden van de Decaloog, met een vurige pen geschreven. De woorden zijn zó duidelijk dat iedereen ze kan lezen. Het geheugen van iedereen is alert, de duisternis van bijgeloof en ketterij wordt uit elke geest gebannen en Gods Tien Woorden - beknopt, allesomvattend en gezaghebbend - worden aan alle mensen voorgehouden.

De ontzetting en wanhoop van hen die Gods heilige geboden hebben overtreden is onbeschrijfelijk. God heeft hun zijn wet gegeven, zij hebben de kans gehad hun karakter daaraan te toetsen en hun gebreken te ontdekken, toen ze nog tot inkeer konden komen. Maar ze hebben de geboden verworpen om op goede voet met de wereld te kunnen leven en hebben anderen die ook laten overtreden. Ze wilden Gods volk dwingen zijn sabbat te ontheiligen. Nu worden ze veroordeeld door de wet die ze hebben veracht. Ze zien met verbijstering in dat ze geen enkele verontschuldiging kunnen aanvoeren. Ze hebben zelf gekozen wie ze wilden dienen en aanbidden: „Dan zult gij tot inkeer komen en wederom het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient” (Maleachi 3:18).

De vijanden van Gods wet - van hoog tot laag - hebben een andere opvatting over de waarheid en over verplichtingen. Wanneer het te laat is, zullen ze inzien dat de sabbat van het vierde gebod het zegel van de levende God is. Wanneer het te laat is, zullen ze de ware aard van hun valse sabbat ontdekken en zullen ze tot de vaststelling komen dat ze op zand hebben gebouwd. Het zal dan tot hen doordringen dat ze al die tijd tegen God hebben gestreden. Kerkelijke leiders hebben de mensen in het verderf gestort, terwijl ze beweerden dat ze hen naar de poorten van het paradijs brachten. Pas op de dag van de afrekening zullen ze merken welke zware verantwoordelijkheid de verkondigers van Gods Woord dragen en welke verschrikkelijke gevolgen hun ontrouw heeft gehad. Pas in de eeuwigheid zullen we ons een juist oordeel kunnen vormen over het verlies van één enkele ziel. Vreselijk zal het lot zijn van hen tot wie God zal zeggen: „Ga weg van Mij, gij slechte dienstknecht!”

Uit de hemel klinkt de stem van God, die de dag en het uur van Jezus’ komst aankondigt en het eeuwige verbond aan zijn volk bevestigt. Zijn woorden rollen als zware donderslagen over de aarde. Gods volk luistert, met de blik naar de hemel gericht. Hun gelaat wordt verlicht door zijn heerlijkheid en straalt als het gezicht van Mozes toen hij de berg Sinaï afdaalde. De ongelovigen kunnen niet naar hen kijken. En wanneer de zegen wordt uitgesproken over hen die God hebben geëerd door zijn sabbat te heiligen, klinkt een luide overwinningskreet.

Kort daarna verschijnt een kleine zwarte wolk in het oosten, ongeveer half zo groot als een mensenhand. Het is de wolk die Christus omringt. Van verre is het alsof hij in duisternis is gehuld. Gods volk weet dat dit het teken is van de Zoon des mensen. In plechtige stilte kijken ze hoe die wolk dichterbij komt en steeds lichter en mooier wordt tot het een grote witte wolk is. Aan de onderkant is er een felle verterende gloed en boven de wolk zien ze de regenboog van het verbond. Jezus komt op de wolk naar de aarde als een machtig overwinnaar. Hij komt nu niet als „een Man van smarten” om vernederd te worden en te lijden, maar als de Overwinnaar in hemel en op aarde om de levenden en de doden te oordelen. Hij wordt genoemd „Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid”. „En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem” (Openbaring 19:11,14).

Met hemelse lofzangen volgt de ontelbare schare heilige engelen Hem op zijn weg. Het is alsof de hemel bedekt wordt door „duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden” schitterende wezens. Geen menselijke pen kan dit tafereel beschrijven. Geen sterfelijke geest kan zich de luister daarvan voorstellen. „Zijn majesteit bedekt de hemelen, en de aarde is vol van zijn lof. Er is een glans als van zonlicht” (Habakuk 3:3,4). Wanneer deze levende wolk nog dichterbij komt, ziet elk oog de Levensvorst. Zijn heilig gezicht is nu niet doorboord door de doornenkroon, maar een diadeem van heerlijkheid rust op zijn heilig voorhoofd. De glans van zijn gezicht is feller dan de zon op het middaguur. „En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: ‘Koning der koningen en Here der heren’” (Openbaring 19:16).

Door zijn verschijning krijgt „elk gelaat een lijkkleur”. Zij die Gods genade hebben verworpen, worden overweldigd door ontzetting en wanhoop. „Verslagen harten en knikkende knieën... en hun aller aangezicht van kleur beroofd” (Jeremia 30:6; Nahum 2:10). De verlosten roepen bevend uit: „Wie kan bestaan?” Het gezang van de engelen houdt op. Er volgt een angstaanjagende stilte. Dan zegt Jezus: „Mijn genade is u genoeg”. Het gezicht van de verlosten klaart op en hun hart wordt met blijdschap vervuld. De engelen beginnen weer te zingen, terwijl ze steeds dichterbij komen.

In vlammend vuur gehuld daalt de Koning der koningen neer op de wolk. De hemel wijkt terug als een boekrol die wordt opgerold. De aarde beeft voor Hem, elke berg en elk eiland wordt van zijn plaats gerukt. „Onze God komt en zal niet zwijgen, vuur verteert vóór zijn aangezicht, rondom Hem stormt het geweldig. Hij roept tot de hemel daarboven, en tot de aarde om zijn volk te richten” (Psalm 50:3,4).

„En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” (Openbaring 6:15-17).

Er wordt niet meer gespot. Er worden geen leugens meer verspreid. Er is een eind gekomen aan het wapengekletter, het krijgsgewoel „met schoenen die dreunend stampen en mantels in bloed gewenteld” (Jesaja 9:4). Men hoort alleen gebeden, geween en geklaag. De lippen die zoëven nog spotten roepen uit: „De grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” De goddelozen smeken om te worden bedolven onder de rotsblokken van de bergen opdat ze de blik van Hem die ze hebben veracht en verworpen niet zouden zien.

Ze kennen deze stem die doordringt tot het oor van de doden. Hoe vaak heeft deze stem hen niet vriendelijk opgeroepen om tot inkeer te komen? Hoe vaak hebben ze haar niet gehoord in de liefdevolle oproep van een vriend, een broeder of van de Verlosser zelf. Ze veroordeelt de mensen die Gods genade hebben verworpen. Deze stem heeft zó lang herhaaldelijk aangedrongen: „Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven” (Ezechiël 33:11).

Was het maar de stem van een vreemde! Jezus zegt: „Omdat gij weigerdet, toen Ik riep, niemand acht gaf, toen Ik mijn hand uitstrekte, gij al mijn raadgevingen in de wind sloegt, en mijn vermaning niet wildet” (Spreuken 1:24,25). Deze stem roept herinneringen op die zij hadden willen verdringen: waarschuwingen die ze veracht hebben, uitnodigingen die ze hebben afgeslagen en voorrechten die ze hebben geweigerd.

Sommigen hebben Christus bespot toen Hij vernederd werd. De ernstige woorden die de Man van smarten uitsprak toen de hogepriester Hem „bij de levende God bezwoor”, flitsen door hun geest: „Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels” (Matteüs 26:64). Nu zien ze Hem in zijn heerlijkheid en ze zullen Hem ook nog zien zitten „aan de rechterhand der Macht”.

De mensen die met Christus spotten toen Hij zei dat Hij Gods Zoon was, staan nu sprakeloos: de hoogmoedige Herodes, die zijn koningschap niet ernstig nam en zijn soldaten opdracht gaf Hem tot koning te kronen; de mannen die Hem met hun onheilige handen de scharlaken mantel omdeden, de doornenkroon op zijn hoofd zetten, Hem het riet gaven, Hem lasterden en bespotten en voor Hem op de knieën vielen. De mannen die de Levensvorst hebben geslagen en naar Hem hebben gespuwd, willen zijn indringende blik nu niet zien en willen op de vlucht slaan voor de overweldigende heerlijkheid van zijn verschijning. Zij die zijn handen en voeten hebben doorboord, en de soldaat die zijn zij heeft doorstoken, kijken met ontzetting en gewetenswroeging naar deze tekenen.

De gebeurtenissen op Golgotha komen de priesters en leiders weer vlijmscherp voor de geest. Bevend van angst herinneren ze zich hoe ze hun hoofd met satanische vreugde schudden en riepen: „Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft” (Mattheüs 27:42,43).

Duidelijk herinneren ze zich de gelijkenis van Christus over de onrechtvaardige pachters die de vruchten van de wijngaard niet aan de heer wilden geven en zowel zijn slaven als zijn zoon doodden. Ze herinneren zich ook het vonnis dat zij zelf hebben uitgesproken: „Een kwade dood zal hij (de heer van de wijngaard) die kwaden doen sterven”. Het dringt nu tot de priesters en tot de oudsten door dat de zonde en straf van die onrechtvaardige pachters hun eigen houding en hun eigen rechtvaardige veroordeling voorstellen. Ze slaken een angstkreet. Nog luider dan het „Kruisig Hem! Kruisig Hem!”, dat weergalmde door de straten van Jeruzalem, klinkt nu hun wanhoopskreet: „Hij is de Zone Gods, de ware Messias!” Zij willen vluchten voor de Koning der koningen. Ze proberen tevergeefs een schuilplaats te vinden in de diepe holen van de aarde, die zijn ontstaan door het ontbranden van de elementen.

In het leven van alle mensen die de waarheid verwerpen, zijn er soms heldere momenten. Ze denken met spijt aan hun schijnheilig leven. Hun gewetenswroeging is echter volkomen nutteloos. Maar dit is niets vergeleken met de wroeging op de dag wanneer hun verschrikking zal komen als een storm en hun verderf zal aansnellen als een wervelwind. (Spreuken 1:27). Zij die Christus en zijn getrouwe volgelingen wilden doden, zien hen nu in hun heerlijkheid. In hun angst en verschrikking horen ze de heiligen vol blijdschap uitroepen: „Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen” (Jesaja 25:9).

Terwijl de aarde op haar fundamenten beeft, terwijl het bliksemt en dondert, roept de stem van Gods Zoon de slapende heiligen uit hun graf. Hij kijkt naar hun graven en roept terwijl Hij zijn handen ten hemel heft: „Ontwaakt, ontwaakt, gij die slaapt in het stof en staat op!” Over de hele lengte en breedte van de aarde zullen de doden zijn stem horen en zij die in Christus gestorven zijn, zullen opstaan. De aarde zal dreunen door de voetstappen van dat zeer grote leger „uit alle volk en stam en taal en natie”. Ze komen uit de gevangenis van de dood; ze zijn bekleed met onsterfelijke heerlijkheid en roepen: „Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?” (1 Korintiërs 15:55). De verlosten die nog in leven waren en de verrezen heiligen laten een lange, blijde triomfkreet horen.

Allen verrijzen uit hun graf met de gestalte die ze hadden toen ze in het graf werden gelegd. Adam is groot en indrukwekkend; hij is iets kleiner dan de Zoon van God. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen hem en de mensen van latere generaties. Daaruit blijkt duidelijk dat de mensheid is gedegenereerd. Maar allen verrijzen met de frisheid en kracht van de eeuwige jeugd. De mens werd „in den beginne” naar Gods beeld geschapen. Dit had zowel betrekking op zijn karakter als op zijn verschijningsvorm. Door de zonde is het goddelijke in de mens ontaard en bijna geheel verdwenen.

Christus is echter gekomen om te herstellen wat verloren ging. Hij zal onze vernederde lichamen veranderen en ze gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam. Het sterfelijke, vergankelijke lichaam, ontdaan van zijn heerlijkheid en eens bezoedeld door de zonde, wordt volmaakt, schoon en onsterfelijk. Alle gebreken en misvormingen blijven in het graf achter. De verlosten krijgen weer toegang tot de boom des levens in het lang geleden verloren paradijs en zullen opgroeien tot de volle gestalte van de mensheid in haar oorspronkelijke luister. (Maleachi 4:2). De laatste sporen van de vloek zullen worden verwijderd en Christus’ trouwe volgelingen zullen verschijnen in „de schoonheid van de Here onze God” om in geest en lichaam het volmaakte beeld van hun Here te weerkaatsen. Wat een wonderbaarlijke verlossing! - Zo lang besproken en verwacht, maar nooit ten volle begrepen.

De levende verlosten zullen „in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk” worden veranderd. Bij het horen van Gods stem worden ze verheerlijkt. Ze worden dan onsterfelijk en met de verrezen heiligen worden ze op de wolken weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht. Engelen „zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere”. Heilige engelen brengen kleine kinderen naar hun moeder terug. Vrienden die lange tijd door de dood waren gescheiden, worden herenigd om nooit meer uit elkaar te gaan en varen onder het zingen van vreugdeliederen op ten hemel naar de Stad Gods.

De wolk heeft aan alle kanten vleugels en onderaan zijn er levende wielen. Terwijl „de wagen” opstijgt, roepen de wielen „heilig” en de vleugels roepen terwijl ze bewegen „Heilig!” en de engelenscharen roepen: „Heilig, heilig, heilig, Here God almachtig”. En de verlosten roepen: „Halleluja!” Wanneer „de wagen” omhoog gaat naar het nieuwe Jeruzalem.

Voordat de verlosten de Stad Gods binnengaan, geeft Christus zijn volgelingen het overwinningsteken en het embleem van hun koninklijke waardigheid. De schitterende gelederen staan in een open vierkant opgesteld rondom hun Koning. Zijn gestalte steekt majestueus uit boven de heiligen en de engelen. Hij kijkt liefdevol op hen neer. Iedereen in de ontelbare schare van verlosten kijkt naar Hem, ieder oog ziet de heerlijkheid van Hem wiens gelaat eens „zozeer misvormd was; niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte”. Jezus plaatst de overwinningskroon met zijn rechterhand op het hoofd van de overwinnaars. Iedereen krijgt een kroon met zijn eigen „nieuwe naam” (Openbaring 2:17) en met het opschrift „Heilig is de Here”.

Iedereen ontvangt een overwinningspalm en een blinkende citer. Wanneer de leidinggevende engelen de toon aangeven, glijden de vingers over de snaren en brengen mooie muziek met rijke, volle akkoorden ten gehore. Elk hart wordt vervuld met een onuitsprekelijke verrukking en elke stem verheft zich in een lied van dankbaarheid: „(Aan) Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed - en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt - Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen” (Openbaring 1:5,6).

Vóór de verloste schare ligt de Heilige Stad. Jezus maakt de paarlen poorten wijd open en zij die de waarheid hebben bewaard gaan door de poort. Daar zien ze het paradijs van God, waar Adam woonde toen hij nog niet had gezondigd. Ze horen een stem, welluidender dan elke muziek die de mens ooit heeft gehoord: „Uw strijd is ten einde”. „Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.”

Nu wordt het gebed van Christus voor zijn discipelen, „Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn”, verhoord. „Onberispelijk voor zijn heerlijkheid in grote vreugde” (Judas 24) stelt Jezus degenen die door zijn bloed zijn vrijgekocht voor de Vader en zegt: „Ziehier Ik en de kinderen, die Gij mij gegeven hebt”. „Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard”. Wat een wonder van genade en liefde! Wat een vreugde zal het zijn wanneer de oneindige Vader zijn eigen beeld in de verlosten zal zien, wanneer de verstoring en de vloek van de zonde er niet meer zijn en de mens weer in harmonie met God zal leven!

Met onuitsprekelijke liefde nodigt Jezus zijn getrouwen uit om te delen in zijn vreugde. Hij is blij omdat Hij de zielen die door zijn doodsstrijd en vernedering zijn verlost in het Koninkrijk der heerlijkheid kan zien. De verlosten zullen in zijn vreugde delen wanneer ze de gelovigen zien die door hun gebeden, hun arbeid en hun liefdevolle offers voor Christus zijn gewonnen. Wanneer ze vergaderen rondom de grote witte troon zal een grote blijdschap hun hart vervullen als ze de verlosten zien die zij tot Christus hebben gebracht en merken dat ook zij anderen tot Christus hebben gebracht en die op hun beurt ook weer anderen die nu allen zijn aangekomen op deze plaats van rust, waar ze hun kroon aan de voeten van Jezus leggen en Hem eeuwig loven.

Wanneer de verlosten in de Stad Gods worden verwelkomd, gaat er een geestdriftig gejuich op. De twee Adams staan op het punt elkaar te ontmoeten. Gods Zoon zal onze stamvader met open armen ontvangen. Adam is immers het wezen dat Hij schiep, het schepsel dat tegen zijn Schepper zondigde en door wiens zonde de Verlosser de littekens van de kruisiging draagt. Wanneer Adam deze littekens ziet, werpt hij zich niet in de armen van Christus, maar valt in alle ootmoed voor zijn voeten neer en zegt: „Waardig, waardig is het Lam, dat geslacht is!” Vol tederheid helpt de Heiland hem bij het opstaan en nodigt hem uit weer te kijken naar het paradijs waar hij zo lang geleden uit verdreven werd.

Na zijn verbanning uit Eden was Adams leven op aarde getekend door ellende en verdriet. Elk verwelkt blad, elk offer dat gebracht werd, elke degeneratie in de natuur, elke ontaarding van de mens herinnerde hem telkens weer aan zijn zonde. Zijn geweten knaagde verschrikkelijk toen hij het kwaad zag toenemen. Wanneer hij de mensen waarschuwde, verweten ze hem dat hij de oorzaak van de zonde was. Geduldig en nederig droeg hij bijna duizend jaar lang de straf van de overtreding. Hij beleed oprecht zijn zonde. Hij stelde zijn vertrouwen in de verdiensten van de beloofde Zaligmaker en stierf in de hoop dat hij eens uit de doden zou opstaan. Jezus heeft de fout van de mens hersteld en een eind gemaakt aan de gevolgen van de zondeval. Dankzij Christus’ verzoening kan Adam nu weer in zijn oorspronkelijke positie worden hersteld.

Met grote vreugde ziet hij de bomen waar hij vroeger zoveel genoegen aan beleefde. Het zijn dezelfde bomen waarvan hij de vruchten plukte in de tijd toen hij nog niet gezondigd had en gelukkig was. Hij ziet de wijnstokken die hij met eigen hand had geleid, de bloemen waar hij vroeger met zoveel plezier voor zorgde. Het dringt tot hem door dat dit alles werkelijk bestaat. Hij beseft dat het paradijs inderdaad is hersteld en nu nog mooier is dan toen hij eruit werd verbannen.

 

Terug pagina 7 pagina 9