De tijd der benauwdheid p.2

Wanneer de verschillende regeringen in de christelijke landen het bevel hebben uitgevaardigd tegen hen die de geboden bewaren, en de overheid haar bescherming heeft ingetrokken, zodat ze worden overgeleverd aan de mensen die hen willen doden, zullen Gods kinderen uit de steden en dorpen vluchten en in groepen gaan samenwonen in de meest afgelegen en verlaten plaatsen. De bergen zullen voor velen een toevluchtsoord zijn. Ze zullen, zoals de christenen in de dalen van Piémont, van de bergen hun heiligdom maken en God danken voor „de rotsvestingen” (Jesaja 33:16).

Maar velen uit alle volken en klassen, hoog en laag, rijk en arm, zwart en blank, zullen worden overgeleverd aan de onrechtvaardigste en wreedste slavernij. Gods kinderen zullen zware tijden beleven. Ze zullen in boeien worden geslagen, worden opgesloten in gevangenissen, ter dood worden veroordeeld. Sommigen schijnen overgeleverd te zijn om van honger te sterven in donkere, smerige cellen. Niemand zal aandacht schenken aan hun geroep. Niemand zal hen helpen.

Zal God zijn kinderen in die beproevingen vergeten? Vergat Hij de trouwe Noach toen Hij de wereld van vóór de zondvloed verwoestte? Vergat Hij Lot toen het vuur uit de hemel neerdaalde om de steden van de vlakte te vernietigen?

Vergat Hij Jozef toen hij woonde temidden van de afgodendienaars van Egypte? Vergat Hij Elia toen de eed van Izebel hem bedreigde met het lot van de Baälpriesters? Vergat Hij Jeremia in zijn donkere put? Vergat Hij de drie jongelingen in de vurige oven? Of Daniël in de leeuwenkuil?

„Maar Sion zegt: De Here heeft mij verlaten en de Here heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet. Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift” (Jesaja 49:14-16). De Here der heerscharen heeft gezegd: „Wie u aanraakt, raakt mijn oogappel aan” (Zacharia 2:8).

Ook al werpen hun vijanden hen in de gevangenis, de gevangenismuren zijn niet dik genoeg om het contact tussen hen en Christus te verbreken. Hij die al hun zwakheden kent, die al hun beproevingen kent, staat boven alle aardse machten. Ze zullen door engelen worden bezocht in hun eenzame cellen en zij zullen hen licht en vrede uit de hemel brengen. De gevangenis zal als een paleis zijn, want het is de verblijfplaats van hen die rijk zijn in het geloof.

De sombere muren zullen met een hemels licht worden beschenen zoals toen Paulus en Silas in de nacht gebeden tot God richtten en lofliederen zongen in de gevangenis te Filippi.

Gods oordelen zullen komen over hen die zijn volk willen verdrukken en doden. De goddelozen volharden in hun overtreding omdat God geduldig is, maar ze zullen zwaar gestraft worden omdat de straf zó lang is uitgesteld.

„Want de HERE zal opstaan, zoals op de berg Perasim; Hij zal in beweging komen, zoals in het dal bij Gibeon, om zijn werk te doen - vreemd zal zijn werk zijn; en om zijn daad te verrichten - ongewoon zal zijn daad zijn” (Jesaja 28:21). Het voltrekken van die straf is voor onze barmhartige God een vreemde daad. „Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze” (Ezechiël 33:11).

De Here is „barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw ... Hij vergeeft overtreding, ongerechtigheid en zonde”. Maar „de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig”. „De HERE is lankmoedig, doch groot van kracht, en de HERE laat geenszins ongestraft” (Exodus 34:6,7; Nahum 1:3).

Door zware, maar rechtvaardige straffen zal God het gezag van zijn overtreden wet herstellen. Dat de straf die de overtreders te wachten staat zwaar zal zijn, blijkt uit het feit dat God het vonnis met tegenzin zal voltrekken. De mensen die Hij zó lang heeft geduld en die Hij pas zal straffen wanneer ze „de maat van hun ongerechtigheid” vol hebben gemaakt, zullen tenslotte „de beker van de gramschap Gods” ongemengd moeten drinken.

Wanneer het middelaarschap van Christus in het hemelse heiligdom ten einde is, zal de ongemengde gramschap van God over allen die het beest en zijn beeld aanbidden en zijn merkteken ontvangen (Openbaring 14:9,10), worden uitgestort. De plagen die over Egypte kwamen toen God Israël zou verlossen, waren van dezelfde aard als de nog verschrikkelijkere en algemenere oordelen die de wereld kort vóór de uiteindelijke verlossing van Gods volk zullen treffen.

De ziener van Patmos zegt in zijn beschrijving van deze vreselijke plagen: „Er kwam een boos en kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden”. En de zee, „werd als bloed van een dode, en alle levende wezens, die in de zee waren, stierven”. En „de rivieren en waterbronnen ... werden bloed.”

Hoe verschrikkelijk deze plagen ook zijn, Gods vonnis is rechtvaardig. De engel Gods roept uit: „Rechtvaardig zijt Gij ... dat Gij dit oordeel hebt geveld. Omdat zij het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; zij hebben het verdiend!” (Openbaring 16:2-6). Ze hebben Gods volk ter dood veroordeeld en hebben door hun vonnis evenzeer de schuld van hun bloed op zich geladen als wanneer ze het met eigen handen hadden vergoten. Jezus verklaarde de Joden van zijn tijd ook schuldig aan al het bloed van de heiligen dat vergoten was sinds de dagen van Abel, want de Joden waren met dezelfde geest bezield en wilden dezelfde misdaden plegen als de moordenaars van de profeten.

Bij de volgende plaag worden de mensen door de zon verschroeid. „En de mensen werden verzengd door de grote hitte” (vers 8,9). De profeten beschrijven de toestand van de aarde in die verschrikkelijke tijd met de volgende woorden: „Verwoest is het veld; de aardbodem treurt ... want de oogst van het veld is verloren gegaan ... alle bomen des velds zijn verdord. Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht”.

„Verschrompeld zijn de zaadkorrels onder haar aardkluiten; verwoest zijn de voorraadschuren ... Hoe kreunt het vee! De runderkudden dolen rond, want er is voor hen geen weide ... de waterbeken zijn uitgedroogd en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd”. „De tempelzangen worden tot weeklacht op die dag, luidt het woord van de Here HERE. Talrijk zijn de lijken! Allerwegen werpt Hij ze neder! Stil!” (Joël 1:10-12,17-20; Amos 8:3).

Deze plagen zijn niet algemeen, want anders zouden alle bewoners van de aarde volledig worden uitgeroeid. Toch zijn het de vreselijkste plagen die de mensen ooit hebben meegemaakt. Alle oordelen die de mensheid hebben getroffen vóór het afsluiten van de genadetijd waren „gemengd met Gods genade”. Het verzoenend bloed van Christus beschermde de zondaar tegen de volle maat van zijn straf, maar bij het eindoordeel wordt de gramschap ongemengd uitgestort.

Op die dag zullen talloze mensen verlangend uitzien naar Gods genade, die ze zo lang hebben veracht. „Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik een honger in het land zal zenden - geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen. Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken naar het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet” (Amos 8:11,12).

Gods volk zal ook moeten lijden, maar hoewel ze worden vervolgd en verdrukt, ontbering en honger lijden, zal God hen niet laten omkomen. De God die voor Elia zorgde, zal geen van zijn offervaardige kinderen in de steek laten. Hij die de haren op hun hoofd telt, zal voor hen zorgen en ze zullen ondanks de hongersnood genoeg te eten hebben. Terwijl de ongelovigen van honger omkomen en door epidemieën sterven, zullen engelen de rechtvaardigen beschermen en ook in hun behoeften voorzien. De belofte aan degenen die „in gerechtigheid wandelen” luidt: „Zijn brood is gewis, zijn water verzekerd.”

„De ellendigen en de armen zoeken naar water, maar het is er niet, hun tong verdroogt van dorst; Ik, de HERE, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten” (Jesaja 33:15,16; 41:17).

„Al zou de vijgenboom niet bloeien, en er geen opbrengst aan de wijnstokken zijn, de vrucht van de olijfboom teleurstellen; al zouden de akkers geen spijs opleveren, de schapen uit de kooi verdreven zijn en er geen runderen in de stallingen zijn, nochtans zal ik juichen in de HERE, jubelen in de God van mijn heil” (Habakuk 3:17,18).

„De HERE is uw Bewaarder, de HERE is uw schaduw aan uw rechterhand. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. De HERE zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren”. „Want Hij is het, die u redt van de strik des vogelvangers, van de verderfelijke pest. Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn vleugelen vindt gij een toevlucht; zijn trouw is schild en pantser. Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt; voor de pest, die in het duister rondwaart, voor het verderf, dat op de middag vernielt.

Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken; slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en de vergelding aan de goddelozen zien. Want Gij, o HERE, zijt mijn toevlucht. De allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld; geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen” (Psalm 121:5-7; 91:3-10).

Toch zullen de mensen denken dat Gods kinderen, zoals de martelaren vóór hen, spoedig hun getuigenis met hun bloed zullen moeten bezegelen. Zijzelf zullen vrezen dat de Here hen in de steek heeft gelaten en hen heeft overgeleverd aan hun vijanden. Het is een tijd van vreselijke angst. Dag en nacht smeken zij God om hen te verlossen.

De goddelozen verheugen zich en vragen spottend: „Hoe staat het nu met jullie geloof? Waarom verlost God jullie niet uit onze handen; jullie zijn toch zijn kinderen?” Maar zij die op hun verlossing wachten, zullen zich Jezus’ kruisiging op Golgotha herinneren, toen de overpriesters en oudsten ook spottend opmerkten: „Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan hem geloven” (Matteüs 27:42). Allen zullen zoals Jakob met God worstelen. Hun gezicht is bleek en het drukt hun innerlijke strijd uit. En toch blijven ze vurig bidden.

Als de mensen alles konden zien, zouden ze groepen machtige engelen waarnemen die als wachters zijn opgesteld rondom hen die „het woord van Christus’ lijdzaamheid” hebben bewaard. De engelen hebben vol medelijden hun wanhoop gezien en hun gebeden gehoord. Ze wachten op het bevel van hun Leider om hen uit hun gevaarlijke positie te bevrijden. Ze moeten echter nog even geduld hebben. Gods kinderen moeten de beker van Christus drinken en met zijn doop gedoopt worden. Deze vertraging, die hun zo zwaar valt, is het beste antwoord op hun gebeden.

Wanneer ze vol vertrouwen wachten op Gods tussenkomst moeten ze geloof, hoop en geduld hebben. Dit is juist een van de ernstige gebreken in hun geestelijk leven geweest. Ter wille van de uitverkorenen zal de tijd der benauwdheid worden ingekort. „Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen... Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen” (Lucas 18:7,8). Het einde zal er vlugger zijn dan men wel denkt. Het koren zal in Gods schuur bijeengebracht worden en het onkruid zal in bossen gebonden en verbrand worden.

De hemelse wachters volgen hun bevel stipt op en blijven waakzaam. Een algemeen decreet zal het tijdstip bepalen wanneer zij die de geboden bewaren ter dood mogen worden gebracht, maar hun vijanden zullen in enkele gevallen hun tijd gewoon niet kunnen afwachten en zullen proberen hen nog vóór de vastgestelde tijd van het leven te beroven. Maar niemand zal de machtige wachters, die rondom elke trouwe volgeling van Christus zijn opgesteld, kunnen passeren. Sommigen worden aangevallen wanneer ze uit de steden en dorpen vluchten, maar de zwaarden die tegen hen worden opgeheven, zullen breken en als stro op de grond vallen. Anderen zullen worden beschermd door engelen die de gedaante van soldaten hebben aangenomen.

God heeft door de eeuwen heen heilige engelen uitgezonden om zijn volk te helpen en te bevrijden. Hemelse wezens hebben een actieve rol gespeeld in het leven van de mensen. Ze zijn verschenen in gewaden die schitterden als de bliksem. Ze zijn als reizigers verkleed tot de mensen gekomen. Engelen zijn in menselijke gedaante aan godsmannen verschenen. Ze hebben op de middag onder eikenbomen gerust. Ze hebben bij mensen gelogeerd. Ze hebben reizigers ‘s nachts de weg gewezen. Ze hebben met eigen handen het vuur op het altaar ontstoken. Ze hebben de deuren van gevangenissen geopend en Gods boodschappers in vrijheid gesteld. Ze zijn in volledige hemelse wapenrusting de steen van Christus’ graf komen wegrollen.

Engelen zijn vaak in de gedaante van mensen op vergaderingen aan de gelovigen verschenen en ze bezoeken de bijeenkomsten van de ongelovigen - zoals toen ze naar Sodom gingen - om hun daden op te tekenen en om vast te stellen of ze de grenzen van Gods geduld hebben overschreden. De Here is barmhartig; ter wille van enkelen die Hem oprecht dienen, houdt Hij de rampen tegen en laat Hij de grote massa nog wat met rust. De zondaren beseffen niet dat ze hun leven te danken hebben aan die paar gelovigen die ze zo graag bespotten en verdrukken.

Hoewel de leiders van deze wereld er zich niet van bewust waren, hebben engelen vaak op hun vergaderingen gesproken. De mensen hebben naar hen gekeken, hebben naar hun waarschuwingen geluisterd, hebben zich tegen hun voorstellen verzet, hebben de spot gedreven met hun adviezen en hebben hen mishandeld. In raadzalen en rechtbanken hebben deze hemelse boodschappers blijk gegeven van een grondige historische kennis. Ze hebben laten zien dat ze de zaak van de verdrukten beter konden verdedigen dan de knapste en welsprekendste advocaten. Ze hebben plannen en komplotten verijdeld die Gods werk ernstig zouden vertragen en veel leed over Gods volk zouden hebben gebracht. In tijden van gevaar en nood „legert de Engel des HEREN Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen” (Psalm 34:8).

Gods kinderen zien verlangend uit naar de komst van hun Koning. Wanneer men de wachters vraagt: „Wat is er van de nacht?”, antwoorden ze zonder enige aarzeling: „Morgen komt, maar ook nacht” (Jesaja 21:11,12). De morgen gloort boven de bergtoppen. Binnenkort wordt zijn heerlijkheid geopenbaard en weldra gaat de zon der gerechtigheid op. Zowel de morgen als de nacht zullen spoedig aanbreken: voor de verlosten, het begin van de eeuwigheid; voor de ongelovigen, het begin van de eeuwige nacht.

Wanneer Gods strijders tot hun hemelse Vader bidden, zal het zijn alsof de sluier die hen van het onzichtbare scheidt bijna helemaal is weggeschoven. De hemel zal stralen door het morgenrood van de eeuwige dag en de woorden: „Blijf getrouw. Uw verlossing is nabij” klinken als het lied van de engelen. Christus, de almachtige Overwinnaar, reikt zijn vermoeide strijders een kroon van onsterfelijke heerlijkheid. Uit de open poorten klinkt zijn stem: „Zie, Ik ben met u. Wees niet bevreesd. Ik ken uw zorgen. Ik heb uw lijden gedragen. Gij strijdt tegen geduchte tegenstanders. Ik heb de strijd voor u gestreden en in mijn naam zijt gij meer dan overwinnaars”.

Onze liefdevolle Verlosser zal ons helpen wanneer wij zijn hulp hard nodig hebben. Hij is ons voorgegaan op de weg naar de hemel. Elke doorn die onze voeten pijn heeft gedaan, heeft ook Hem verwond, elk kruis dat wij hebben moeten dragen, heeft Hij voor ons gedragen. God laat de strijd toe om ons voor te bereiden op de vrede. De tijd der benauwdheid zal een vreselijke beproeving zijn voor Gods volk, maar voor alle gelovigen zal dan ook de tijd zijn aangebroken om vol vertrouwen uit te kijken naar de vervulling van Gods beloften.

„De vrijgekochten des HEREN zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen, blijdschap en vreugde zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvluchten. Ik, Ik ben het, die u troost. Wie zijt gij, dat gij bevreesd zijt voor een sterfelijk mens, voor een mensenkind, dat als gras wordt weggeworpen; dat gij vergeet de HERE, uw Maker... dat gij bestendig, de gehele dag, verschrikt zijt vanwege de grimmigheid van de verdrukker, wanneer hij uit is op verderven? Waar is nu de grimmigheid van de verdrukker? IJlings wordt de kromgeslotene ontboeid, hij zal niet sterven, niet in de groeve dalen en hem zal geen brood ontbreken. Want Ik ben de HERE, uw God, die de zee opzweep, zodat haar golven bruisen, wiens naam is HERE der heerscharen. Ik heb mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw mijner hand heb Ik u bedekt” (Jesaja 51:11-16).

„Daarom, hoor toch dit, ellendige, en beschonkene, maar niet van wijn. Zo zegt uw Here, de HERE en uw God, die de rechtszaak van zijn volk verdedigt: Zie, Ik neem uit uw hand de beker der bedwelming; de kelk mijner grimmigheid zult gij niet langer drinken. En Ik geef die in de hand van hen die u verdrukken, die tot u zeiden: Werp u neer, opdat wij over u heengaan; en gij maaktet uw rug als de aarde en als een straat voor wie daarover gingen” (vers 21-23).

God heeft bij het overzien van de eeuwen zijn aandacht bepaald bij de crisis die zijn volk zal meemaken wanneer de machten van deze aarde zich in slagorde tegen hen zullen opstellen. Zoals „de kromgeslotenen” zullen ze de dood door honger of geweld vrezen. Maar de Heilige, die de Rode Zee kliefde zodat Israël kon doortrekken, zal zijn grote kracht tonen en ervoor zorgen dat ze in vrijheid gesteld worden. „Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de HERE der heerscharen, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient” (Maleachi 3:17).

Als het bloed van Christus’ getrouwe getuigen op dat ogenblik werd vergoten, zou het geen zaad zijn dat wordt uitgestrooid om een oogst voor God voor te bereiden zoals dat wel het geval was met het bloed van de martelaren. Hun trouw zou geen getuigenis zijn dat anderen van de waarheid kan overtuigen. Het verharde hart heeft Gods barmhartigheid immers zó vaak verworpen dat het nu echt te laat is. Als de rechtvaardigen nu aan hun vijanden werden overgeleverd, zou de vorst van de duisternis weer een overwinning behalen. De dichter van de Psalmen heeft gezegd: „Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent” (Psalm 27:5).

Christus’ advies luidde: „Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is. Want zie, de HERE verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken” (Jesaja 26:20,21). De verlossing van hen die geduldig op Christus’ komst hebben gewacht en die zijn opgeschreven in het boek des levens zal een buitengewone gebeurtenis zijn.

Terug pagina 6 pagina 8