De tijd der benauwdheid

„Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden” (Daniël 12:1).

Wanneer de boodschap van de derde engel aan de wereld is gebracht, komt er ook een eind aan Gods barmhartigheid tegenover de schuldige mensen. Gods volk heeft zijn taak volbracht. Ze hebben „de late regen”, „de verkoeling van het aangezicht des Heren” ontvangen en zijn voorbereid op de „ure der beproeving” die voor de deur staat. De engelen ontplooien een grote activiteit in de hemel. Een engel die van de aarde komt, zegt dat zijn werk af is. De wereld is voor de laatste keer getoetst. Iedereen die Gods geboden heeft bewaard, heeft „het zegel van de levende God” ontvangen. Dan komt er ook een eind aan Jezus’ middelaarschap in het hemelse heiligdom. Hij heft zijn handen op en zegt „met luider stem”: „Het is geschied”. Alle engelen zetten hun kronen af wanneer Christus de plechtige woorden „Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd” (Openbaring 22:11), uitspreekt.

Er is een beslissing gevallen over het lot van alle mensen, namelijk het eeuwige leven of de eeuwige dood. Christus heeft verzoening gedaan voor zijn volk en heeft hun zonden uitgedelgd. Het getal van zijn onderdanen is vol. „Het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel” staat op het punt om aan de verlosten te worden gegeven. En Jezus zal voortaan heersen als Koning der koningen en Here der heren.

Wanneer Jezus het heiligdom verlaat, worden de bewoners van de aarde in duisternis gedompeld. In die angstaanjagende tijd moeten de rechtvaardigen het stellen zonder Middelaar voor het aangezicht van een heilige God. De ongelovigen worden niet meer in toom gehouden en Satan heeft nu allen die in hun onboetvaardigheid hebben volhard volledig in zijn macht. Er is een eind gekomen aan Gods geduld. De wereld heeft Gods genade verworpen, zijn liefde niet aangenomen en zijn wet overtreden. De ongelovigen hebben de genadetijd laten voorbijgaan. De Geest van God, tegen Wie ze zich hardnekkig hebben verzet, heeft zich tenslotte teruggetrokken. Ze worden niet meer beschermd door genade en staan weerloos tegenover de Boze. Satan zal dan „de tijd van grote benauwdheid” over de bewoners van de aarde laten komen. Wanneer de engelen de stormwinden van de menselijke hartstocht niet meer tegenhouden, zullen alle elementen van strijd en verderf worden ontketend. De verwoesting van de hele wereld zal nog rampzaliger zijn dan die van Jeruzalem in het verleden.

Eén engel heeft alle eerstgeborenen van Egypte gedood en het land in rouw gedompeld. Toen David het volk telde en deed „wat kwaad was in de ogen des Heren”, veroorzaakte één engel die verschrikkelijke ramp waardoor hij voor zijn zonde werd gestraft.

Dezelfde vernietigingskracht die de heilige engelen in het verleden op Gods bevel hebben gebruikt, zal ook door de boze engelen worden gebruikt wanneer God dat toelaat. Er staan nu al krachten klaar die alleen op Gods toestemming wachten om overal dood en verderf te zaaien.

Zij die Gods wet onderhouden, zijn er vaak van beschuldigd dat ze de oordelen over de wereld brengen. Ze zullen weer worden beschouwd als de oorzaak van de verschrikkelijke natuurrampen, de strijd en de slachting onder de mensen die veel ellende over de wereld brengen. De kracht waarmee de laatste waarschuwingsboodschap wordt verkondigd, zal de gramschap van de ongelovigen uitlokken. Ze zullen in woede ontbranden tegen allen die de boodschap hebben aangenomen en Satan zal die geest van haat en vervolging nog aanwakkeren.

Toen God niet meer aanwezig was onder het Joodse volk wisten de priesters en het volk dat niet. Hoewel ze aan Satan waren overgeleverd en een speelbal waren van de afschuwelijkste en boosaardigste hartstochten, bleven ze zichzelf beschouwen als het uitverkoren volk. De diensten in de tempel gingen door. Ze bleven hun offers brengen op de bezoedelde altaren en elke dag smeekten ze Gods zegen af over een volk dat schuldig was aan het bloed van Gods geliefde Zoon, een volk dat Christus’ boodschappers en apostelen wilde doden.

Wanneer de onherroepelijke beslissing over de dienst in het hemelse heiligdom zal zijn gevallen en het lot van de wereld voor eeuwig zal zijn bepaald, zullen de bewoners van de aarde dat ook niet weten. De godsdienstige vormen zullen worden gehandhaafd door mensen van wie Gods Geest voor goed is weggenomen. De satanische ijver waarmee de vorst van de duisternis hen zal bezielen om zijn boosaardige plannen ten uitvoer te brengen, zal erg veel op ijver voor Gods zaak lijken.

Wanneer de sabbat het bijzondere strijdpunt in de hele christelijke wereld is geworden en de kerkelijke en burgerlijke instanties samenwerken om de zondagsviering voor iedereen verplicht te stellen, zal de kleine minderheid die weigert te zwichten voor de eisen van de meerderheid, door iedereen worden verfoeid. Men zal beweren dat een groepje dat zich tegen een inzetting van de Kerk en tegen een wet van de Staat verzet, niet behoeft te worden geduld. Men zal ook zeggen dat het beter is dat zij lijden dan dat het hele land in de afgrond van verwarring en wetteloosheid wordt gestort. Hetzelfde argument werd achttienhonderd jaar geleden tegen Christus aangevoerd door „de leiders van het volk”. De sluwe Kajafas zei: „Gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat” (Johannes 11:50).

Dit argument zal de doorslag geven. Na enige tijd zal er een decreet worden uitgevaardigd tegen de mensen die de sabbat van het vierde gebod heiligen. Men zal verklaren dat ze de zwaarste straf verdienen en men zal de bevolking na verloop van tijd het recht geven hen ter dood te brengen. Het rooms-katholicisme in de Oude Wereld en het afvallige protestantisme in de Nieuwe Wereld zullen de mensen die al Gods geboden willen naleven op dezelfde manier aanpakken.

Gods volk zal dan een tijd van verdrukking en ellende meemaken - „een tijd van benauwdheid voor Jakob” - „Want zo zegt de HERE: Angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil... Elk gelaat heeft een lijkkleur gekregen. Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden” (Jeremia 30:5-7).

De nacht van Jakobs benauwdheid, toen hij in gebed worstelde om uit de hand van Esau te worden verlost (Genesis 32:24-30), is een beeld van de ervaringen van Gods volk in de tijd der benauwdheid. Jakob wilde van zijn vader de zegen krijgen die eigenlijk voor Esau was bestemd. Na dit bedrog moest Jakob voor zijn leven vluchten, omdat zijn broer hem wilde doden. Nadat hij vele jaren in ballingschap had doorgebracht, was hij op Gods bevel op weg gegaan. Hij moest met zijn vrouwen en kinderen en met zijn kudden naar zijn geboorteland terugkeren.

Toen hij de grenzen van het land naderde, werd hij doodsbang: hij hoorde dat Esau in aantocht was aan het hoofd van een bende krijgers, die beslist op wraak uit waren. Jakobs gevolg was ongewapend en weerloos en zou naar alle waarschijnlijkheid worden uitgemoord. Hij was niet alleen bang en bevreesd, maar ging ook gebukt onder het verpletterende gewicht van zelfverwijt. Hij was immers door zijn eigen zonde in deze gevaarlijke situatie geraakt. Hij vertrouwde volledig op Gods barmhartigheid. Het gebed was het enige wapen dat hij bezat. Toch deed hij zijn uiterste best om het onrecht dat hij zijn broer had aangedaan weer goed te maken en het dreigende gevaar af te wenden. Naarmate de tijd der benauwdheid nadert, zouden de volgelingen van Christus alles moeten doen om een positieve indruk op de mensen te maken, alles in het werk moeten stellen om elk vooroordeel te ontzenuwen en het gevaar dat de gewetensvrijheid bedreigt, moeten afwenden.

Toen hij zijn gezin had weggezonden omdat hij niet wilde dat ze zijn wanhoop zouden zien, bleef Jakob alleen achter om tot God te bidden. Hij beleed zijn zonden en erkende dat God barmhartig was geweest tegenover hem. Hij beriep zich ook in alle ootmoed op het verbond dat God met zijn vaderen had gesloten en op de beloften die God hem persoonlijk had gedaan in het nachtgezicht te Bethel en in het land van zijn ballingschap. Dit waren kritieke ogenblikken in zijn leven. Alles stond op het spel. In de duisternis en eenzaamheid bleef hij bidden en verootmoedigde zich voor God. Plotseling legde iemand een hand op zijn schouder. Hij dacht dat een vijand hem wilde doden en hij worstelde met al zijn kracht tegen zijn tegenstander. Toen het dag begon te worden, gebruikte de vreemdeling al zijn bovenmenselijke kracht. Jakob scheen verlamd toen hij werd aangeraakt. Hij viel de geheimzinnige tegenstander hulpeloos en smekend om de hals. Op dat ogenblik besefte Jakob dat hij met de Engel des verbonds had geworsteld. Hoewel hij buiten gevecht was gesteld en hevige pijn leed, gaf hij zijn plan niet op. Hij was vanwege zijn zonden lange tijd gekweld door wroeging, zelfverwijt en zorgen. Hij wilde er nu zeker van zijn dat zijn zonden waren vergeven. De goddelijke bezoeker scheen te willen weggaan, maar Jakob klemde zich aan hem vast en smeekte om zijn zegen.

De Engel zei: „Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen”, maar de patriarch antwoordde: „Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent”. Wat een vertrouwen, standvastigheid en volharding! Als Jakobs woorden door hoogmoed en aanmatiging waren ingegeven, zou hij onmiddellijk zijn gedood. Deze eis kwam echter van iemand die zijn zwakheid en onwaardigheid erkende, maar toch vertrouwde op de barmhartigheid van een God die zijn verbond houdt.

„Hij streed tegen een engel en overwon” (Hosea 12:5). Deze zondige, dwalende sterveling heeft de Majesteit des hemels door verootmoediging, berouw en overgave overwonnen. Hij had zich bevend vastgeklampt aan Gods beloften en het hart van de oneindige Liefde kon de smeekbede van de zondaar niet afwijzen. Zijn naam - Jakob - deed denken aan de zonde. Als bewijs van zijn overwinning en als aansporing voor anderen om zijn voorbeeld te volgen, kreeg hij toen een naam die herinnerde aan de zege. Het feit dat Jakob die overwinning op God had behaald, stond er borg voor dat hij ook de mensen zou overwinnen. Hij was nu niet meer bang voor de woede van zijn broer, want de Here was zijn schild.

Satan had Jakob voor Gods engelen beschuldigd. Hij beweerde dat hij het recht had om Jakob te doden omdat hij gezondigd had. Satan had Esau opgehitst om tegen Jakob ten strijde te trekken. In de nacht toen Jakob met de Engel worstelde, wilde Satan hem beladen met schuldgevoelens om hem te ontmoedigen en zijn vertrouwen in God te schokken. Jakob was de wanhoop nabij, maar hij wist dat hij zonder Gods hulp onherroepelijk verloren was. Hij had oprecht berouw getoond over zijn grote zonde en had een beroep gedaan op Gods genade. Hij liet zich niet van zijn doel afleiden, maar klampte zich vast aan de Engel en bleef aandringen met zijn oprechte, hartverscheurende smeekbede tot hij overwon.

Zoals Satan Esau heeft opgehitst om tegen Jakob ten strijde te trekken, zal hij ook de goddelozen aansporen om Gods volk in de tijd der benauwdheid te vernietigen. Zoals hij Jakob heeft beschuldigd, zal hij ook Gods volk beschuldigen. Hij beschouwt de bewoners van de aarde als zijn onderdanen.

Alleen de kleine groep die Gods geboden bewaart, verzet zich tegen zijn heerschappij. Als hij ze van de aarde kon wegvagen, zou zijn overwinning volledig zijn. Hij ziet dat Gods kinderen door heilige engelen worden beschermd en maakt daaruit op dat hun zonden zijn vergeven, maar hij weet niet dat er in het hemelse heiligdom al een beslissing is gevallen over hun lot. Hij weet precies tot welke zonden hij ze heeft verleid en stelt ze voor in het meest overdreven licht. Hij beweert dat Gods volk evenmin als hijzelf Gods gunst verdient. Hij zegt dat God niet rechtvaardig is als Hij hun zonden wèl vergeeft, maar hem en zijn engelen vernietigt. Hij eist ze op als zijn prooi en wil dat ze in zijn handen worden overgegeven om vernietigd te worden.

Terwijl Satan Gods kinderen op die manier aanklaagt, zal God toelaten dat hij hen tot het uiterste beproeft. Hun vertrouwen in God, hun geloof en standvastigheid zullen zwaar op de proef worden gesteld. Wanneer ze terugblikken naar het verleden, worden ze moedeloos, want ze kunnen in hun leven maar weinig goeds ontdekken. Ze zijn zich ten volle bewust van hun zwakheid en onwaardigheid. Satan probeert hen bang te maken met de gedachte dat hun geval hopeloos is, dat hun onreinheid nooit zal worden uitgewist. Hij wil hun geloof op die manier schokken, in de hoop dat ze daarna zullen zwichten voor zijn verleidingen en God niet meer trouw zullen zijn.

Hoewel Gods kinderen omringd zijn door vijanden die gebrand zijn op hun vernietiging, zijn ze niet bevreesd voor vervolgingen ter wille van de waarheid. Ze zijn bang dat ze niet elke zonde hebben beleden en zijn bevreesd dat ze door een persoonlijk tekort geen aanspraak zullen kunnen maken op de belofte van God: „Ik zal u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal.” (Openbaring 3:10). Als ze zeker wisten dat al hun zonden waren vergeven, zouden ze niet terugschrikken voor martelingen of voor de dood, maar als ze onwaardig bleken te zijn en hun leven door eigen karakterfouten verloren, zou Gods heilige naam worden besmeurd.

Overal horen ze geruchten van samenzwering en verraad en ze zien hoe de rebellie om zich heen grijpt. Ze gaan daardoor vurig verlangen naar het einde van de grote afval en de boosheid van de goddelozen. Ze smeken God om de rebellie in bedwang te houden, maar komen met een schrijnend gevoel van zelfverwijt tot de conclusie dat ze zelf geen kracht meer hebben om de machtige vloedgolf van het kwaad in te dammen en terug te dringen. Ze beseffen dat als ze hun talenten altijd in dienst van Christus hadden gesteld en er voor hadden gezorgd dat ze van dag tot dag beter gewapend waren voor de strijd, Satan minder hardhandig tegenover hen zou kunnen optreden.

Zij verootmoedigen hun ziel voor God, wijzen op hun berouw over hun vele zonden in het verleden en doen een beroep op de belofte van de Heiland: „Laat hem mijn sterkte aangrijpen, opdat hij vrede met Mij make; en hij zal vrede met Mij maken” (Jesaja 27:5, Nederlands vertaling van de Engelse tekst in de „Authorized Version”).

Ze geven hun geloof niet op wanneer hun gebeden niet onmiddellijk worden verhoord. Ondanks hun grote angst, ondanks de verschrikkingen en de wanhoop blijven ze toch bidden. Ze klampen zich vast aan Gods kracht zoals Jakob zich had vastgeklampt aan de Engel en ze zeggen net zoals hij: „Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent”.

Als Jakob niet van tevoren aan God had gezegd dat hij berouw had over zijn onrechtmatige daad bij het verkrijgen van het eerstgeboorterecht, zou God zijn gebed niet hebben verhoord en zijn leven niet genadig hebben gespaard. Als Gods kinderen in de tijd der benauwdheid, wanneer ze al door vrees en angst worden gekweld, nog onbeleden zonden zouden hebben, zouden ze bezwijken.

De wanhoop zou hun geloof ondermijnen en ze zouden niet in vertrouwen tot God kunnen gaan om Hem te smeken of Hij hen zou willen verlossen. Maar hoewel ze zich ten volle bewust zijn van hun onwaardigheid hebben ze geen verborgen zonden te belijden. Hun zonden zijn van tevoren in het oordeel gegaan en zijn uitgedelgd en zij kunnen die zich niet meer herinneren.

Door Satans misleidingen geloven velen dat God hun ontrouw in kleine dingen niet erg vindt, maar in zijn handelen met Jakob laat de Here zien dat Hij het kwaad op geen enkele voorwaarde goedkeurt of duldt. Allen die hun eigen zonden willen goedpraten of verbergen en ze in de boeken des hemels laten staan zonder ze te belijden en er geen vergiffenis voor vragen, zullen door Satan worden overwonnen.

Hoe vromer ze zich voordoen en hoe hoger de positie is die ze bekleden, des te verwerpelijker is hun handelwijze in Gods oog en des te zekerder is de overwinning van de grote tegenstander. Wie zich nu niet voorbereidt op de dag des Heren, zal dat in de tijd der benauwdheid of daarna ook niet kunnen doen. Zulke mensen zijn reddeloos verloren.

Zulke mensen, die zich wel christenen noemen, maar zich niet willen voorbereiden op de laatste verschrikkelijke strijd, zullen in hun wanhoop hun zonden belijden met woorden die getuigen van een vreselijke angst. De goddelozen zullen zich dan verheugen over hun nood. Deze schuldbelijdenissen zijn zoals die van Esau of Judas: ze jammeren wel over het gevolg van de overtreding, maar niet over de schuld zelf. Ze hebben niet echt spijt van hun daden en verafschuwen het kwaad niet. Ze erkennen hun zonde uit vrees voor de straf, maar ze zouden zoals Farao in het verleden een even uitdagende houding tegenover God aannemen als het vonnis werd vernietigd.

De geschiedenis van Jakob geeft ons ook de verzekering dat God degenen die door bedrog, verzoeking en verleiding hebben gezondigd, maar daarna tot inkeer komen en weer tot God gaan, niet zal afwijzen. Satan wil hen vernietigen, maar God zal zijn engelen uitzenden om hen op de kritieke ogenblikken te troosten en te beschermen. De aanvallen van Satan zijn fel en zwaar, zijn misleidingen zijn verschrikkelijk, maar het oog van de Here rust op zijn volk en zijn oor luistert naar hun geroep. Ze verkeren in grote nood. De vlammen van de vurige oven schijnen hen op elk ogenblik te zullen verteren, maar God zal hen uit deze strijd laten komen als goud dat door het vuur is gelouterd. Gods liefde voor zijn kinderen in de tijd van hun zwaarste beproeving is even groot als in de tijd van hun grootste voorspoed. Toch moeten ze in de vurige oven worden geplaatst: al het aardse dat hen nog aankleeft, moet worden verteerd om het beeld van Christus volmaakt te weerkaatsen.

In de tijd van benauwdheid en angst die vóór ons ligt, moeten we een geloof hebben dat bestand is tegen vermoeidheid, uitstel en honger - een geloof dat niet zal bezwijken, ook al wordt het nog zo zwaar op de proef gesteld. In de genadetijd die God ons schenkt, moeten wij ons op die tijd voorbereiden. Jakob heeft overwonnen omdat hij overtuigd was en volhardde. Zijn overwinning bewijst welke kracht er uitgaat van een volhardend gebed. Iedereen die - zoals Jakob - Gods beloften ernstig neemt en even oprecht en vastberaden is als hij, zal overwinnen zoals hij overwonnen heeft. Wie niet bereid is zijn eigen persoon weg te cijferen, wie niet met God wil worstelen en niet lang en vurig wil bidden om zijn zegen, zal ook niet gezegend worden.

Met God worstelen... zeer weinig mensen weten wat dat eigenlijk betekent. Zeer weinigen verlangen vurig en met de inzet van al hun krachten naar God. Zeer weinig mensen klampen zich met onwankelbaar vertrouwen vast aan Gods beloften wanneer ze bij het bidden door de wanhoop worden overweldigd.

Wie nu maar zwak staat in zijn geloof, loopt het zeer grote risico dat hij geen weerstand zal kunnen bieden aan de misleiding van Satan en aan het bevel dat het geweten aan banden wil leggen. Zelfs als ze de proef doorstaan, zullen ze in de tijd der benauwdheid in grotere wanhoop en angst verkeren omdat ze niet gewoon waren vertrouwen in God te stellen. Ze hebben hun geloof niet versterkt toen de tijd daar gunstig voor was en zullen dat dan moeten doen onder de verschrikkelijke druk van de ontmoediging.

We zouden God nú moeten leren kennen door zijn beloften ernstig te nemen. Engelen tekenen elk vurig en oprecht gebed op. We moeten onze zelfzuchtige genoegens opgeven als we daardoor in verbinding met God kunnen blijven. De ergste armoede en de grootste zelfverloochening mét Gods zegen zijn te verkiezen boven rijkdom, eer, een aangenaam leven en vriendschap zónder zijn zegen.

Wij moeten tijd vrijmaken om te bidden. Als we onze geest volproppen met wereldse gedachten zou het wel eens kunnen gebeuren dat God ervoor zorgt dat wij tijd moeten vrijmaken: door ons van onze afgoden - geld, huizen, land - te verlossen.

De jeugd zou niet tot zonde worden verleid als ze alleen dingen deed waarvoor ze God om zijn zegen kan vragen. Als de boodschappers die de laatste plechtige waarschuwing aan de wereld brengen God om zijn zegen zouden smeken, en dat niet op een onverschillige en lusteloze manier deden, maar met evenveel vuur en geloof als Jakob, zouden ze op veel plaatsen kunnen zeggen: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven” (Genesis 32:30). Ze zouden door de hemel worden beschouwd als vorsten die God en de mensen kunnen overwinnen.

„De tijd van benauwdheid, zoals er niet geweest is” zal binnenkort aanbreken. Dan zal ons geestelijk leven een peil moeten hebben bereikt dat we nu nog niet hebben. Velen zijn trouwens te onverschillig om zoiets mee te maken. Vaak schijnt „de benauwdheid” groter dan ze achteraf blijkt te zijn. Deze regel gaat echter niet op voor de crisis die voor de deur staat. Zelfs de beste beschrijving kan geen volledig beeld geven van de ernst van de beproeving. In die crisis moet iedereen voor zichzelf voor God staan. „(Al waren) Noach, Daniël en Job daar - zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, zij zouden zoon noch dochter redden. Zij zouden door hun gerechtigheid alleen zichzelf redden” (Ezechiël 14:20).

We moeten nú, terwijl onze Hogepriester nog verzoening voor ons doet, ernaar streven volmaakt te worden in Christus. De Heiland heeft zelfs niet door een gedachte toegegeven aan de kracht van de verleiding. Satan vindt in het hart van de mens altijd wel iets waar hij vat op heeft of een zondig verlangen dat gekoesterd wordt waardoor hij kan verleiden. Maar Christus kon van Zichzelf zeggen: „De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets” (Johannes 14:30).

Satan kon in de Zoon van God niets vinden dat hem ook maar een kans gaf op de overwinning. Christus had de geboden van zijn Vader bewaard en er was in Hem geen enkele zonde waarvan Satan zou kunnen profiteren. In deze toestand zullen ook degenen die in de tijd der benauwdheid stand willen houden, moeten verkeren.

In dit leven moeten wij ons van de zonde bevrijden door het geloof in het verzoenend bloed van Christus. Christus nodigt ons uit om tot Hem te komen, onze zwakheid met zijn sterkte, onze onwetendheid met zijn wijsheid en onze onwaardigheid met zijn verdiensten aan te vullen. Gods voorzienigheid is de school waarin wij de zachtmoedigheid en nederigheid van Jezus leren. Hij wijst ons niet de weg die wij uit eigen keuze zouden inslaan of de weg die ons makkelijker en aangenamer schijnt, maar Hij wil ons altijd de ware zin van het leven leren. Wij moeten met God samenwerken om ons karakter te vormen naar het goddelijk voorbeeld. Wie dit verwaarloost of uitstelt, brengt zijn geestelijk leven ernstig in gevaar.

De apostel Johannes hoorde tijdens een visioen een luide stem in de hemel: „Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft” (Openbaring 12:12). De stem in de hemel heeft deze woorden uitgesproken naar aanleiding van vreselijke gebeurtenissen. Satans grimmigheid wordt groter naarmate de tijd korter wordt en zijn bedrog en vernietiging zullen hun hoogtepunt bereiken in de tijd der benauwdheid.

De demonen zullen er binnenkort voor zorgen dat er spectaculaire verschijnselen van bovennatuurlijke aard aan de hemel te zien zullen zijn. De geesten van duivelen zullen uitgaan naar „de koningen der aarde” en naar de gehele wereld om hen te misleiden en hen over te halen zich achter Satan te scharen in zijn laatste strijd tegen Gods heerschappij. Satans medewerkers zullen zowel de machthebbers als hun onderdanen misleiden. Sommige mensen zullen zich voor Christus uitgeven, en de titel en aanbidding die alleen de Verlosser der wereld toekomen voor zich opeisen. Ze zullen wonderbaarlijke genezingen verrichten en zullen beweren dat ze openbaringen uit de hemel hebben ontvangen die indruisen tegen de leer van de Bijbel.

Dit grote drama van bedrog zal zijn hoogtepunt bereiken wanneer Satan zelf zich voor Christus uitgeeft. De gemeente kijkt al heel lang uit naar de wederkomst van Christus als de vervulling van haar zalige hoop. De grote bedrieger zal het doen voorkomen alsof Christus inderdaad is teruggekomen. In verschillende delen van de wereld zal Satan zich aan de mensen tonen als een betoverend wezen met een verblindende glans, een wezen dat min of meer beantwoordt aan de beschrijving van de Zoon van God, door Johannes in de Openbaring gegeven. (Openbaring 1:13-15).

Zijn heerlijkheid overtreft alles wat stervelingen ooit hebben gezien. Overal weerklinkt de triomfkreet „Christus is gekomen!” „Christus is gekomen!” De mensen werpen zich in aanbidding voor hem neer, terwijl hij zijn handen opheft en hen zegent zoals Christus zijn discipelen zegende toen Hij op aarde was. Zijn stem is zacht en beheerst. Hij is vriendelijk en sympathiek en verkondigt enkele van de verheven waarheden die Christus ook verkondigde. Hij geneest de zieken. Maar dan zal deze valse Christus beweren dat hij de sabbat heeft vervangen door de zondag. Hij geeft aan iedereen het bevel dat ze de dag moeten heiligen die hij gezegend heeft. Hij zegt dat zij die volharden in het vieren van de zevende dag hem verwerpen omdat ze niet willen luisteren naar zijn engelen die hij met licht en waarheid naar hen gezonden heeft. Dit is het grootste, alles overtreffende bedrog. Zoals de Samaritanen die door Simon de tovenaar werden bedrogen, wordt de massa, van klein tot groot, ook door deze toverkracht misleid en zegt: „Deze is wat genoemd wordt de grote kracht Gods” (Handelingen 8:10).

Maar Gods volk zal het bedrog inzien. De leer van deze valse Christus is in strijd met de Bijbel. Hij spreekt zijn zegen uit over de aanbidders van het beest en zijn beeld. Dat zijn nu precies die mensen over wie Gods gramschap ongemengd zal worden uitgestort volgens de Bijbel.

Bovendien kan Satan de manier waarop Christus zal terugkomen niet nabootsen. De Heiland heeft zijn volk tegen deze misleiding gewaarschuwd. Hij heeft duidelijk voorzegd hoe Hij zal wederkomen.

„Er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden...

Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn” (Mattheüs 24:24-27,31; 25:31; Openbaring 1:7; 1 Tessalonicenzen 4:16,17). Deze wederkomst kan onmogelijk worden nagebootst. Overal zal men weten wanneer dit gebeurt. De hele wereld zal het zien.

Alleen zij die de Bijbel grondig hebben bestudeerd en de waarheid liefhebben zullen ontkomen aan deze machtige verleiding, die de wereld betovert. Aan de hand van de uitspraken van de Bijbel zullen zij de bedrieger ontmaskeren. Ze zullen zware beproevingen moeten doorstaan.

De beproeving zal aantonen wie de ware christenen zijn. Is ons geloof in Gods Woord al zo onwankelbaar dat we niet zullen toegeven aan hetgeen we met onze zintuigen waarnemen? Zullen we ons in deze crisis houden aan de Bijbel en de Bijbel alléén?

Satan zal, als hij dat enigszins kan, ervoor zorgen dat we ons niet voorbereiden om in die tijd stand te houden. Hij zal alles zo leiden dat we overal op onze weg hindernissen tegenkomen. Hij zal ons vastketenen aan onze aardse bezittingen. Hij zal ons zware lasten opleggen, zodat we volledig in beslag worden genomen door de zorgen van dit leven waardoor de dag der beproeving ons als een dief overvalt.

 

Terug pagina 5 pagina 7