Het einde van de strijd p. 2

In die doorboorde zijde waaruit het bloed stroomde dat de mensheid met God verzoende, ligt de heerlijkheid van Christus. Daar is „het omhulsel zijner kracht”. Door het offer van de verlossing is Hij „in staat om te bevrijden” en kan Hij dus het vonnis voltrekken aan hen die Gods genade hebben verworpen. De tekenen van zijn vernedering zijn voor Hem de hoogste eer. De wonden van het kruis zullen in alle eeuwigheid zijn lof en zijn macht verkondigen.

„En gij, Migdal-Eder, Ofel der dochter Sions, tot u zal genaken en komen de heerschappij van voorheen, het koningschap der dochter van Jeruzalem”. (Micha 4:8). Dit is het ogenblik waar heilige mannen vol verlangen naar hebben uitgezien sinds de dag dat „het flikkerend zwaard” het eerste mensenpaar uit het paradijs verdreef. Het is de tijd voor „onze erfenis, tot verlossing van het volk”. (Efeziërs 1:14).

De aarde was oorspronkelijk het koninkrijk van de mens, maar hij heeft zijn heerschappij aan Satan overgedragen. Deze machtige vijand heeft eeuwenlang over de aarde geheerst. Dankzij het verlossingsplan krijgt de mens zijn koninkrijk terug. Hij heeft alles wat hij door de zonde had verloren weer in zijn bezit. „Want zo zegt de HERE ... die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd” (Jesaja 45:18). De bedoeling die God oorspronkelijk had toen Hij de aarde schiep, is werkelijkheid geworden: de aarde is voortaan de eeuwige woonplaats van de verlosten. „De rechtvaardigen beërven het land en wonen daarin voor immer” (Psalm 37:29).

Uit vrees voor een te materialistische voorstelling van „de toekomstige erfenis” hebben velen de waarheid in verband met ons eeuwig tehuis vergeestelijkt. Christus gaf zijn discipelen de verzekering dat Hij heenging om hun plaats te bereiden in het huis van de Vader. Zij die Gods Woord aannemen, kunnen al het een en ander te weten komen over hun hemels tehuis. Toch heeft de Here voor degenen die Hem liefhebben iets weggelegd „wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en (...) in geen mensenhart is opgekomen” (1 Korintiërs 2:9).

Wij kunnen met onze taal de beloning van de verlosten nooit volledig weergeven. Alleen zij die het in werkelijkheid zien, zullen er zich ten volle rekenschap van kunnen geven. Ons begrensd verstand kan zich onmogelijk een beeld van de heerlijkheid van Gods paradijs vormen.

In de Bijbel wordt de erfenis van de verlosten „een vaderland” genoemd. (Hebreeën 11:14-16). Daar leidt de hemelse Herder zijn kudde naar de rivier met „het water des levens”. De „boom des levens” geeft elke maand zijn vrucht en de bladeren van de boom zijn „tot genezing der volkeren”. De rivieren stromen altijd en hun water is helder als kristal. Op hun oevers staan bomen die zorgen voor schaduw op het pad van de verlosten.

De uitgestrekte vlakten gaan over in prachtige heuvels en de bergen van God verheffen hun hoge toppen. Op deze weidse vlakten en op de oevers van deze stromen van levend water zullen Gods kinderen, die zo lang als pelgrims hebben rondgezworven, eeuwig wonen. „En mijn volk zal in een verblijf des vredes wonen, in veilige woningen, in oorden van ongestoorde rust”. „Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden, van verwoesting noch verderf in uw gebied; en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof”. „Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten; zij zullen niet bouwen, opdat een ander er wone; zij zullen niet planten, opdat een ander het ete ... en van het werk hunner handen zullen mijn uitverkorenen genieten” (Jesaja 32:18; 60:18;65:21,22).

„De woestijn en het dorre land zullen zich verblijden, de steppe zal juichen en bloeien als een narcis”. „Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten”. „Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje ... en een kleine jongen zal ze hoeden”. „Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg”, zegt de Here (Jesaja 35:1; 55:13; 11:6-9).

In de hemel kan er geen lijden zijn. Er zullen geen tranen, geen begrafenissen en geen tekenen van rouw meer zijn. „En de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan”. „En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek; het volk dat daar woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben” (Openbaring 21:4; Jesaja 33:24).

Daar is het Nieuwe Jeruzalem, de hoofdstad van de verheerlijkte nieuwe aarde, „een sierlijke kroon in de hand des HEREN, een koninklijke tulband in de hand van uw God”. „Haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant”. „En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar”. De Here zegt: „En Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verblijden over mijn volk”. „Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn” (Jesaja 62:3; Openbaring 21:11,24; Jesaja 65:19; Openbaring 21:3).

In de Stad Gods zal er geen nacht zijn. Niemand zal rust nodig hebben of ernaar verlangen. Men zal nooit genoeg krijgen van het doen van Gods wil en het loven van zijn naam. We zullen altijd de koelte van de eeuwige morgen voelen. „En zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node” (Openbaring 22:5).

Het licht van de zon zal worden vervangen door een lichtglans die niet verblindt, maar toch oneindig helderder is dan de zon op haar hoogtepunt. De heerlijkheid van God en het Lam overspoelen de Heilige Stad met een eeuwig schijnend licht. De verlosten wandelen in de heerlijkheid van de eeuwige dag.

„En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam” (Openbaring 21:22). Gods volk zal het voorrecht genieten de Vader en de Zoon van aangezicht tot aangezicht te zien. „Nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen” (1 Korintiërs 13:12). Wij zien het beeld van God, weerkaatst als in een spiegel, in de natuur en in zijn handelen met de mens, maar dan zullen we Hem van aangezicht tot aangezicht zien, zonder de sluier die Hem aan ons gezicht onttrekt. We zullen in zijn tegenwoordigheid staan en zijn heerlijkheid zien.

Daar zullen de verlosten „kennen zoals zij gekend zijn.” De liefde en de genegenheid die God zelf in ons heeft gelegd, zullen er op de heerlijkste en fijnste manier worden uitgedrukt. De zuivere gemeenschap met heilige wezens, het harmonieuze contact met de engelen en met de gelovigen van alle eeuwen die hun gewaden hebben gewassen in het bloed van het Lam en de heilige banden van „alle geslacht in de hemelen en op de aarde” (Efeziërs 3:15), dragen bij tot het geluk van de verlosten.

Daar zullen onsterfelijke wezens zich in eeuwige verrukking verdiepen in de wonderen van de scheppingskracht en in de verborgenheden van de verlossende liefde. Er zal geen wrede, misleidende vijand zijn om de mensen van God af te leiden. Elk talent zal worden ontwikkeld en verbeterd. Het verwerven van kennis zal de geest niet vermoeien, noch het verstand uitputten. Daar zullen de grootste ondernemingen tot een goed eind worden gebracht en de hoogste ambities werkelijkheid worden.

Toch zal men steeds hogere toppen bereiken, en zich verbazen over nieuwe wonderen. Men zal nieuwe waarheden doorgronden en nieuwe onderwerpen ontdekken die de volledige inzet van geest, ziel en lichaam zullen vergen.

De verlosten zullen alle schatten van het heelal kunnen bestuderen. Ze zijn onsterfelijk geworden en zweven in onvermoeibare vlucht naar verafgelegen werelden - naar werelden die bedroefd waren toen ze de ellende van de mensheid zagen en van blijdschap juichten wanneer een ziel uit de handen van Satan werd verlost. Met onuitsprekelijke vreugde delen de mensen nu in de blijdschap en wijsheid van wezens die nooit hebben gezondigd. Ze hebben ook toegang tot de schatten van kennis en inzicht die in de loop der eeuwen zijn verworven door de bestudering van Gods werken.

Met een onsterfelijke blik zullen ze kunnen kijken naar de pracht van de schepping - naar zonnen, sterren en melkwegstelsels, die nauwkeurig hun baan rond de troon van God beschrijven. Op alles, van het kleinste tot het grootste, staat de naam van de Schepper geschreven en in alle dingen komt de rijkdom van zijn kracht tot uiting.

In de loop van de eeuwigheid zullen ze God en Christus steeds beter leren kennen. Liefde, eerbied en geluk zullen net zoals de kennis steeds groter worden. Hoe beter de mensen God leren kennen, des te meer zullen ze zijn karakter bewonderen. Naarmate Jezus de verborgenheden van de verlossing en de hoogtepunten in de grote strijd tegen Satan voor hen ontsluiert, zullen de harten van de verlosten met nog meer toewijding worden vervuld; ze zullen de gouden citers met intensere vreugde bespelen. Duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden zullen Gods lof zingen.

„En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden” (Openbaring 5:13).

De grote strijd is dan ten einde. De zonde en de zondaren zijn er niet meer. Het ganse heelal is gereinigd. Overal in de schepping is er eendracht en blijdschap. Van Hem die alles geschapen heeft, komen stromen van leven, licht en vreugde, die alle delen van de oneindige ruimte bereiken. De kleinste atomen en de grootste werelden, alle levende wezens en alle levenloze voorwerpen verkondigen in hun oneindige schoonheid en volmaakte vreugde: God is liefde.

Terug pagina 11