De aarde verwoest

„Want haar zonden hebben zich opgehoopt tot aan de hemel en God heeft aan haar ongerechtigheid gedacht... Mengt haar het dubbele in de beker, die zij gemengd heeft; geeft haar zoveel pijniging en rouw, als zij heerlijkheid en weelde genoten heeft. Want zij zegt in haar hart: Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien. Daarom zullen haar plagen op één dag komen: dood en rouw en hongersnood, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Here God, die haar geoordeeld heeft. En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd hebben en weelderig geweest zijn, zullen over haar wenen en weeklagen... zeggende: Wee, wee, gij grote stad, Babylon, gij sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen!” (Openbaring 18:5-10).

„De kooplieden der aarde”, die „rijk geworden zijn uit de macht harer weelderigheid”, „zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenend en rouw bedrijvend, en zeggende: Wee, wee die grote stad, die gehuld was in fijn linnen, purper en scharlaken, en rijk versierd was met goud en edelgesteente en paarlen, want in één uur is al die zo grote rijkdom verwoest!” (Openbaring 18:11,3,15-17).

Deze oordelen komen over Babylon op de dag van Gods gramschap. Ze heeft de maat van haar ongerechtigheid vol gemaakt. Haar tijd is gekomen. Ze is rijp om aan de verwoesting te worden prijsgegeven.

Wanneer God de bevrijding van zijn volk aankondigt, worden zij die alles in de grote strijd hebben verloren zich pijnlijk bewust van de ernst van de toestand. In de genadetijd hebben ze zich laten verblinden door de drogredenen van Satan en wilden hun zondig leven goedpraten. De rijken beroemden zich op hun superioriteit. Ze hebben hun rijkdom echter verworven door de overtreding van Gods wet.

Ze hebben de hongerigen niet gevoed, de naakten niet gekleed; ze zijn niet rechtvaardig en barmhartig geweest. Ze wilden zichzelf verheerlijken en door hun medemensen geëerd worden. Nu hebben ze niets meer. Ze zijn arm en machteloos. Met ontzetting kijken ze naar de vernietiging van de afgoden die ze in de plaats van de Schepper hebben gesteld. Ze hebben hun ziel verkocht voor aardse goederen en plezier en hebben Gods rijkdom van de hand gewezen. Daardoor is hun leven mislukt, hun plezier vergald en hun rijkdom verrot. De winst van een heel leven gaat in een oogwenk in rook op. De rijken jammeren over de vernietiging van hun prachtige huizen en over het verlies van hun goud en hun zilver. Ze houden daar echter mee op wanneer ze tot hun schrik beseffen dat ze samen met hun afgoden zullen worden vernietigd.

De ongelovigen hebben geen spijt omdat ze hun verplichtingen tegenover God en hun medemensen niet zijn nagekomen, maar vinden het wel jammer dat God de overwinnaar is. Ze hebben geen spijt over hun zonden, maar betreuren de afloop van de strijd. Als ze de kans kregen, zouden ze geen middel onbeproefd laten om alsnog te overwinnen.

De wereld ziet dat zij die ze heeft bespot en heeft willen uitroeien, de epidemieën, stormen en aardbevingen ongedeerd overleven. God is voor de overtreders van zijn wet een verterend vuur, maar voor zijn volk is Hij een veilige schuilplaats.

Predikanten die de waarheid geweld hebben aangedaan om de mensen gunstig te stemmen, zien nu de ware aard en invloed van hun leer. Nu blijkt dat God hen in het oog hield wanneer zij preekten, op straat liepen en met de mensen omgingen. Bij elke gevoelsuiting, elke regel die zij schreven, elk woord dat zij gebruikten, elke daad die een bedrieglijke zekerheid aan de mensen gaf, strooiden zij zaad. Nu zien zij de oogst: de grote groep ellendige, verloren zielen rondom hen.

God zegt: „Zij trachten de breuk van de dochter mijns volks op het lichtst te genezen door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is”. „Gij (hebt) het hart van de rechtvaardige bedroefd (...) met leugen, terwijl Ik hem geen smart aandeed, en de handen van de goddeloze gesterkt (...), opdat hij zich niet van zijn boze weg zou bekeren en leven” (Jeremia 8:11; Ezechiël 13:22).

„Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien... Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen”. „Jammert, o herders, schreeuwt het uit! Wentelt u in het stof, o gebieders der kudde; want voleindigd zijn uw dagen, dat gij geslacht wordt... Dan ontvalt de herders toevlucht en de gebieders der kudde ontkoming” (Jeremia 23:1,2; 25:34,35).

Het dringt tot de predikanten en hun aanhangers door dat er iets mis was met hun relatie tot God. Ze beseffen dat ze in opstand zijn gekomen tegen de Ontwerper van alle goede en rechtvaardige wetten. De verwerping van Gods geboden heeft geleid tot zeer veel kwaad, tweedracht, haat, ongerechtigheid, zodat de aarde één groot slagveld en één grote poel van verderf is geworden. Zij die de waarheid hebben verworpen en de dwaling hebben liefgehad zien dat nu in. Er schieten woorden tekort om te beschrijven hoe intens de ongehoorzamen en ontrouwen nu verlangen naar het eeuwige leven, dat ze voor altijd hebben verloren. De mensen die door de wereld zijn bewonderd om hun talenten en hun welsprekendheid schatten deze dingen nu op hun juiste waarde. Ze beseffen wat ze door hun overtredingen hebben verloren en vallen aan de voeten van hen die ze vroeger hebben bespot en veracht omdat ze God trouw zijn gebleven en geven toe dat God hen heeft liefgehad.

De mensen geven zich rekenschap van het feit dat ze bedrogen zijn. De één beschuldigt de ander ervan dat hij hem in het verderf heeft gestort, maar allen zijn het er over eens dat de predikanten de grootste schuldigen zijn. Ontrouwe predikanten hebben de mensen zoet gehouden met hun voorzeggingen. Ze hebben hun aanhangers Gods wet met voeten laten treden en hebben ze opgehitst om de anderen die de wet wel gehoorzaamden te vervolgen. In hun wanhoop geven deze leiders openlijk hun bedrog toe. De woedende massa roept: „Door jullie schuld zijn wij verloren”. Ze werpen zich op de valse herders. Juist de mensen die vroeger één en al bewondering waren, zullen de vreselijkste vloeken over hen uitspreken. Dezelfde handen die hen eens met lauweren hebben gekroond, zullen hen willen doden. De zwaarden die voor Gods volk waren bestemd, worden nu gebruikt om hun vijanden te vermoorden. Overal wordt er gevochten en bloed vergoten.

„Krijgsrumoer verbreidt zich tot aan het einde der aarde, want de HERE heeft een rechtsgeding met de volken. Hij houdt gericht over al wat leeft; de goddelozen geeft Hij over aan het zwaard” (Jeremia 25:31). De grote strijd heeft zesduizend jaar geduurd. Christus en zijn hemelse boodschappers hebben tegen de macht van de Boze gestreden om de mensen te waarschuwen, te informeren en te redden. Iedereen heeft nu gekozen. De ongelovigen staan helemaal aan de zijde van Satan in zijn strijd tegen God. De tijd is nu aangebroken dat God het gezag van zijn overtreden wet herstelt. De strijd wordt nu niet alleen tegen Satan, maar ook tegen de mensen gevoerd. „De HERE heeft een rechtsgeding met de volken”. „De goddelozen geeft Hij over aan het zwaard.”

Het verlossingsteken is aangebracht op de voorhoofden van hen „die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden”. Nu komt de verderfengel in actie. Hij wordt in het visioen van Ezechiël voorgesteld door de mannen met „hun vernietigingswapen in de hand”, aan wie het bevel wordt gegeven: „Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen; maar niemand die het teken draagt, moogt gij aanraken; bij mijn heiligdom moet gij beginnen”. „Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich vóór de tempel bevonden” (Ezechiël 9:1-6).

De verdelging begint bij hen die zich de geestelijke leiders van het volk noemen. De valse wachters vallen het eerst. De verderfengel is meedogenloos. Niemand wordt gespaard. Mannen, vrouwen, jongens, meisjes en kinderen komen allen om.

„Want zie, de HERE verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken” (Jesaja 26:21).

„Dan zal dit de plaag zijn, waarmee de HERE alle volken zal treffen, die tegen Jeruzalem zijn uitgerukt: Hij zal ieders vlees, terwijl hij nog op zijn voeten staat, doen wegteren, en ieders ogen zullen wegteren in hun kassen, en ieders tong zal wegteren in zijn mond. Ja, te dien dage zal er onder hen een grote, door de HERE bewerkte, ontsteltenis wezen, en ieder zal de hand van een ander grijpen, en ieders hand zal zich tegen die van een ander verheffen” (Zacharia 14:12,13).

In de waanzinnige strijd, ontketend door hun eigen wilde hartstochten en door de vreselijke uitstorting van Gods ongemengde gramschap, zullen de goddeloze bewoners van de aarde - priesters, machthebbers, en het volk, rijk en arm, hoog en laag - vallen. „En zij die door de HERE geveld zijn, zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot het andere, zij zullen niet beklaagd, noch bijeengezameld, noch begraven worden” (Jeremia 25:33).

Bij de wederkomst van Christus zullen alle ongelovigen volledig worden uitgeroeid: ze worden verteerd door „de adem van zijn mond” en worden vernietigd door zijn heerlijkheid. Christus brengt zijn volgelingen naar de stad Gods. De aarde is dan onbewoond. „Zie, de HERE ontledigt en verwoest de aarde, keert haar ondersteboven en verstrooit haar inwoners”.

„De aarde wordt volkomen ontledigd en geheel leeggeroofd, want de HERE heeft dit woord gesproken”. „Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken. Daarom verslindt een vloek de aarde door een gloed verteerd en blijven er weinig stervelingen over” (Jesaja 24: 1,3,5,6).

De hele aarde is verwoest. De puinhopen van de steden en dorpen die door de aardbeving zijn getroffen, ontwortelde bomen en de grote rotsblokken die door de zee zijn uitgespuwd of uit de aarde zijn losgescheurd, liggen over de oppervlakte van de aarde verspreid, terwijl grote kraters de plaats aanduiden waar de bergen van hun grondvesten zijn losgerukt.

Nu komt de gebeurtenis die werd voorafgeschaduwd door de laatste plechtige dienst op de Grote Verzoendag. Wanneer de dienst in het heilige der heiligen was afgelopen en de zonden van Israël uit het heiligdom waren verwijderd door het bloed van het zondoffer, werd de zondebok levend voor de Here gesteld. De hogepriester legde dan in aanwezigheid van de vergadering „al de ongerechtigheden der Israëlieten en al hun overtredingen in al hun zonden” op de kop van de bok. (Leviticus 16:21).

Wanneer het werk in het hemelse heiligdom voltooid is, zullen de zonden van Gods volk op Satan worden gelegd in aanwezigheid van God, de hemelse engelen en de schare van de verlosten. Hij zal verantwoordelijk worden gesteld voor al het kwaad waartoe Hij hen heeft aangezet. Zoals de zondebok werd weggebracht naar „een onvruchtbaar land”, zal Satan worden verbannen naar de verwoeste aarde, die dan een troosteloze, onbewoonde woestenij zal zijn.

De ziener van Patmos heeft de verbanning van Satan en de chaos en ontreddering van de aarde voorzegd. Hij zegt ook dat deze toestand duizend jaar zal duren. Na de beschrijving van de gebeurtenissen rond de wederkomst van Christus en de vernietiging van de ongelovigen zegt de profeet: „En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten” (Openbaring 20:1-3).

De uitdrukking „de afgrond” stelt de chaos en duisternis op aarde voor. Dit blijkt duidelijk uit andere bijbelteksten. De Bijbel zegt dat de aarde „in den beginne” „woest en ledig” was, „en duisternis lag op de vloed” (Genesis 1:2). Volgens de profetie zal de aarde - alleszins gedeeltelijk - weer in deze toestand verkeren. Jeremia heeft „de grote dag des Heren” van verre gezien en beschreven: „Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden. Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn, en al zijn steden waren in puin gestort” (Jeremia 4:23-26).

De aarde zal duizend jaar lang de woonplaats van Satan en zijn engelen zijn. Hij zal op aarde moeten blijven en zal geen toegang hebben tot de andere werelden om degenen die nooit zijn gevallen te verleiden en te kwellen. In die betekenis is hij „gebonden”: er is niemand meer over wie hij kan heersen. Hij kan het bedrog en de vernietiging waaraan hij eeuwenlang zoveel plezier heeft beleefd niet meer voortzetten.

De profeet Jesaja heeft de ondergang van Satan in een visioen gezien: „Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten ... Ik wil ... mij aan de Allerhoogste gelijkstellen. Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve. Wie u zien, beschouwen u, letten op u: Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven; die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak; die zijn gevangenen niet naar huis liet keren” (Jesaja 14:12-17).

Satan heeft door zijn opstand de aarde zesduizend jaar lang „doen sidderen”. Hij heeft de wereld tot een woestijn gemaakt en haar steden verwoest. Hij heeft zijn gevangenen niet naar huis laten keren. Zesduizend jaar lang hebben Gods kinderen in zijn gevangenis gezeten en hij zou hen voor eeuwig gevangen hebben gehouden als Christus hun ketenen niet had verbroken om hen in vrijheid te stellen.

Zelfs de ongelovigen zijn nu buiten het bereik van Satan. Hij blijft alleen achter met zijn engelen om de rampzalige gevolgen van de zonde te zien. „De koningen der volken liggen allen met ere, ieder in zijn woning (het graf), maar gij zijt weggeworpen, ver van uw graf, als een verafschuwde scheut... Gij wordt met hen niet in een graf verenigd, omdat gij uw land te gronde hebt gericht, uw volk gedood” (Jesaja 14:18-20).

Satan zal duizend jaar lang op de verwoeste aarde rondzwerven om de gevolgen van zijn opstand tegen Gods wet te overzien. In deze duizend jaar lijdt hij vreselijk. Hij heeft sinds zijn val door zijn onafgebroken activiteit geen ogenblik kunnen nadenken, maar nu is hij machteloos en kan hij zich wel verdiepen in de rol die hij heeft gespeeld sinds het begin van zijn opstand tegen Gods heerschappij. Hij wacht angstig de vreselijke dag af wanneer hij zal moeten boeten voor al het kwaad dat hij heeft gedaan en gestraft zal worden voor de zonden waartoe hij de mensen heeft verleid.

Gods volk zal blij zijn wanneer Satan gebonden is. De profeet zegt: „En het zal geschieden ten dage, wanneer de HERE u rust geeft van uw smart en van uw onrust en van de harde dienst die men u heeft laten verrichten, dat gij dit spotlied op de koning van Babel (Satan) zult aanheffen: Hoe heeft de drijver opgehouden.…. De HERE heeft de stok der goddelozen verbroken, de scepter der heersers, die in verbolgenheid zonder ophouden natiën sloeg, die in toorn volken vertrad in meedogenloze vervolging” (vers 3-6).

Tijdens „de duizend jaren” tussen de eerste en de tweede opstanding vindt het oordeel over de ongelovigen plaats. Volgens de apostel Paulus zal dit oordeel na de wederkomst van Christus plaatshebben. „Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt, die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar maken” (1 Korintiërs 4:5). Daniël zegt dat toen de Oude van dagen kwam „recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten” (Daniël 7:22).

In die tijd heersen de verlosten als koningen en priesters van God. In de Openbaring zegt Johannes: „En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven”. „Zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, (die) duizend jaren” (Openbaring 20:4,6). Tijdens „de duizend jaren” „zullen de heiligen de wereld oordelen”, zoals Paulus voorzegde. (1 Korintiërs 6:2).

Samen met Christus zullen ze over de ongelovigen oordelen door hun daden met het Wetboek, de Bijbel, te vergelijken. Ze zullen over elk geval afzonderlijk recht spreken op grond van de daden van de betrokkenen. Dan wordt de straf die de ongelovigen moeten krijgen vastgesteld „naardat hun werken zijn” en naast hun naam in „het boek des doods” opgetekend.

Christus en zijn volgelingen oordelen over Satan en zijn boze engelen. Paulus zegt in dit verband: „Weet gij niet, dat wij over engelen oordelen zullen?”(vers 3). En volgens Judas heeft Hij „de engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard gehouden” (Judas 6).

Aan het einde van „de duizend jaren” vindt de tweede opstanding plaats. De goddelozen zullen dan uit de doden opstaan en voor God verschijnen voor de voltrekking van het vonnis dat in de boeken staat opgetekend. Na zijn beschrijving van de opstanding van de rechtvaardigen zegt Johannes: „De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren” (Openbaring 20:5). En Jesaja zegt over de goddelozen: „En zij zullen bijeengebracht worden, zoals men gevangenen bijeenbrengt in een kuil, en zij zullen opgesloten worden in een kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden” (Jesaja 24:22).

Terug pagina 9 pagina 11