De boodschap van de tweede engel; babylon is gevallen pagina 6

Babylon: We worden gerechtvaardigd door onze geloofsbelijdenis.
De waarheid: We worden gerechtvaardigd door de werken en niet door geloof alleen.

“Van een bedrieglijke zaak moet gij u ver houden. … want Ik verklaar de schuldige niet rechtvaardig.” Exodus 23:7

Het is niet onze geloofsbelijdenis die ons rechtvaardigt. Het is niet door te zeggen dat we in God geloven en in het offer van Zijn Zoon dat we gerechtvaardigd worden. Het is door het geloof, dat gehoorzaamheid bewerkt en verlossing van de macht van de zonde te beoefenen dat we gerechtvaardigd worden. Christus is onze gerechtigheid en deze gerechtigheid wordt ons deel wanneer Hij in ons woont en Zijn gerechtigheid uiting vindt in de overwinning over de zonde. Iemand die zijn geloof belijdt maar ook maar enige zonde blijft koesteren kan niet hopen dat hij voor God gerechtvaardigd is want Christus de Gerechtigheid woont niet in zijn hart. Hij staat schuldig voor God en heeft verlossing nodig.

“Want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.” Rom 2:13

“Er bestaat geen veiligheid of rust noch rechtvaardiging in de overtreding van de wet. De mens kan niet hopen om onschuldig voor God te staan en vrede te hebben met Hem door de verdiensten van Christus, terwijl hij doorgaat met zondigen. Hij moet ophouden met de wet te overtreden en trouw worden aan de waarheid.” (1 Selected Messages 213)

“Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming.” Spreuken 28:13

“Jezus staat in het heilige der heilige waar Hij voor ons voor God verschijnt. Daar stelt Hij elk moment Zijn volk voor als zijnde volmaakt in Hem. Maar het is niet omdat wij zo aan de Vader worden voorgesteld dat we moeten beginnen denken dat we op Zijn genade kunnen vertrouwen terwijl we nonchalant, onverschillig en gemakzuchtig worden. Christus is niet een dienaar van de zonde. We zijn volkomen in Hem, aanvaard in de Geliefde, op voorwaarde dat we in Hem blijven door het geloof.” (7BC 933)

 “Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft.” 1Jo 2:6 

“Het is door een voortdurende overgave aan Zijn wil, door voortdurende gehoorzaamheid, dat de zegen van de rechtvaardigmaking behouden wordt” (1SM 397)

“Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.” Jakobus 2:24


“Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.
En sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God. 1 Cor 6:9-11

Wanneer rekent Christus ons zijn gerechtigheid toe? Is het niet wanneer wij ons hebben afgekeerd van elke gekende zonde? Het geloof dat rechtvaardigt is het geloof dat gehoorzaamheid bewerkt aan Zijn wil. In dat geloof doen we niet meer de dingen die we deden voor we Hem kenden.
Sommigen komen in de verwarring wanneer ze lezen dat God David een knecht noemt naar Zijn hart (1 Kon 14:8). Ze wijzen op zijn zonde met Bathseba en beweren dat niettegenstaande David toch gerechtvaardigd was in de Here. Maar God noemde David een knecht naar Zijn hart toen hij wandelde in reinheid en gehoorzaamheid aan Hem. Na zijn zonde met Bathseba zond God de profeet Nathan om David tot bekering te roepen. Het is pas na de belijdenis van zijn zonden (Psalm 51) en het nalaten ervan dat David gerechtvaardigd werd en terug een knecht van God kon genoemd worden.

Wanneer de rechtvaardige zich van zijn rechtvaardigheid afkeert en het kwade bedrijft zal zijn gewezen gerechtigheid hem niet vrijwaren van de toorn Gods.

“Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft; Zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven.” Ezech. 18:24

Niemand is gerechtvaardigd tenzij hij waarlijk vergeving heeft ontvangen.

“Gods vergeving (rechtvaardiging) is niet enkel een gerechtelijke handeling waardoor Hij ons vrij maakt van veroordeling. Het is niet alleen vergeving voor de zonde maar een afbrengen van de zonde. Het is uitstorting van verlossende liefde die het hart verandert. David had het ware begrip van vergiffenis toen hij bad: “Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest.” Psalm 51:10 (Mount of blessing p. 365)

Indien wij elke keer opnieuw moeten vergeving vragen voor dezelfde zonden, zijn we niet gerechtvaardigd. Ons geloof is niet het geloof dat gehoorzaamheid bewerkt maar een dood geloof. De zonde heeft nog macht in ons leven want wij zijn niet verlost. Dat betekent niet dat God ons verlaten heeft. Zijn Geest pleit met ons en Hij zend ons Zijn duidelijk woord met de bedoeling dat wij Zijn kracht zouden aangrijpen en Hem toelaten ons waarlijk te bevrijden en te rechtvaardigen.
Zij die gerechtvaardigd zijn voelen zich zondig en zwak wanneer zij op de volmaakte gerechtigheid van hun Verlosser zien maar hun leven is in Hem geborgen en er is overwinning over elke gekende zonde.


Aan allen die waarlijk in Hem geloven, schenkt God de gave van Zijn Geest. Het is de aanwezigheid van de Geest die ons in staat stelt het nieuwe leven te leven.

“U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’.” Rom 8:15

Waar geloof maakt God zichtbaar in ons leven. Onze geloofsgetuigenis bestaat hoofdzakelijk uit het zichtbaar maken van God niet uit het vertellen over Hem.

Jezus is ons voorbeeld in dat geloof en Hij kon zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” Dat is het werk van de Geest Gods.

“Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft.” Gal 5:22, 23

“En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft.” 1 Joh 3:24

Als dat onze ervaring is dan zijn we gerechtvaardigd door ons geloof. De rechtvaardigmaking is niet iets dat buiten ons gebeurt, het gebeurt in ons.

Wie is het die ons rechtvaardigt? Het is de “Here onze gerechtigheid” en wij worden gerechtvaardigd door de inwoning van Zijn Geest. Zo blijft Hij in ons en leven wij het rechtvaardige leven dat is Zijn leven. “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen…” Joh 14:12

Zij die belijden in God te geloven maar blijven zondigen in wat de Here hen heeft kenbaar gemaakt door Zijn woord weten niet wat het betekent gerechtvaardigd te zijn.
“Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem.” Titus 1:16

“We kunnen God niet meer oneer aandoen dan door te beweren Zijn discipelen te zijn terwijl we de Geest van Satan openbaren in onze woorden, onze gezindheid en onze daden” (3BC 1160) en dat doen we wanneer we kwaad spreken van elkander en de ene zich hoger acht dan de andere.

“Het is omdat mensen zichzelf de naam van Christen geven terwijl ze in hun eigen leven Zijn karakter verloochenen, dat het Christendom zo weinig kracht heeft in de wereld (en ook in de kerk). De naam van de Heer wordt gelasterd omwille van deze toestand.” (Mount of Blessings p. 137)

“Kinderkens, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.” 1 Joh 3:7, 8

Babylon: Jezus kan een gedeelte van ons hart bewonen
De waarheid: Jezus bewoont geheel het hart of Hij bewoont het niet.

“Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” Op. 3:20

Jezus dringt zichzelf niet aan ons op. Hij verlangt bij ons binnen te komen en wacht tot wij Hem toelaten. Maar Hij komt niet binnen als wij Hem een gedeelde plaats aanbieden. Hij is niet van plan om daar te wonen waar ook de zonde nog ruimte krijgt. Als dat onze bedoeling is zegt Hij tot ons:

“Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon.” Mt 6:24 

“In het werk der verlossing is geen dwang. Er wordt geen uiterlijk geweld gebruikt. Onder de invloed van de Geest van God wordt de mens vrijgelaten te kiezen wie hij dienen wil. In de verandering die plaatsvindt wanneer de ziel zich aan Christus overgeeft, ligt de hoogste zin van vrijheid. Het verdrijven van de zonde is het werk van de ziel zelf. Het is waar, we hebben niet de kracht om onszelf te bevrijden van de macht van Satan; maar wanneer we verlangen bevrijd te worden van zonden en in onze grote nood roepen om sterkte van buiten en boven ons, dan worden de krachten van de ziel doordrenkt met de goddelijke kracht van de Heilige Geest, en zij gehoorzamen aan datgene wat de ziel hun voorschrijft in het volbrengen van de wil van God.
De enige voorwaarde om de vrijheid van de mens mogelijk te maken, is het één worden met Christus.” (Wens der eeuwen p. 405)

Dat betekent dat we afstand doen van alles wat ons van Hem scheidt. Elke daad die geen zegen is voor anderen, alles wat anderen niet werkelijk goed doet is tegen Christus en Zijn gezindheid. Hij vraagt ons om alles wat op onszelf is gericht weg te doen.

“Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld.” 1Jo 2:16

“Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn.” Lucas 14:33

Jezus kan geen verdeeld hart bewonen.

In het prachtige boekje “Schreden naar Christus” is er een hoofdstuk gewijd aan de toewijding van ons hart. Je kunt het hele hoofdstuk lezen als je op deze link klikt http://www.agp-internet.com/react/sermonnl/stepstochrist.pdf
Ik citeer alvast een stukje eruit. “Als Christus in het hart woont, raakt men zo vervuld van Zijn liefde, van vreugde dat men met Hem in verbinding staat, dat men zich aan Hem vastklampt en terwijl men aan Hem denkt, wordt het eigen-ik vergeten. De liefde voor Christus wordt de motiverende kracht. Wie de uitnodigende liefde van God voelt, vraagt niet met hoe weinig men kan volstaan om aan de eisen van God te voldoen. Zo iemand vraagt niet naar de laagste maatstaf, maar probeert zijn wil volledig te richten naar die van de Verlosser. Zijn vurige wens is om alles op te geven en hij laat zien, dat zijn belangstelling in verhouding staat tot de waarde van hetgeen hij nastreeft. Wie zegt dat hij in Christus gelooft, maar deze diepe liefde niet bezit, uit lege woorden, en verliest zich in droge en geestdodende vormen.” (Schreden naar Christus, p. 33)

Hoe verschillend is de toestand van hen die een zonde blijven koesteren of een slechte gewoonte onderhouden van die van hen die wensen alles op te geven. Het vasthouden aan wat zondig is al was het maar één iets beïnvloed ons hele wezen en onze omgeving. Is er diepe vrede en blijdschap in zo iets? Door dit te doen wordt de mens een instrument van de ongerechtigheid. Wij doen niet alleen onszelf pijn maar de vijand gebruikt ons om ook anderen ervan te weerhouden zich geheel aan Christus over te geven.

Satan probeert met alle mogelijke middelen ons wijs te maken dat we Christen kunnen zijn terwijl we op vele vlakken onszelf blijven dienen. Zo zorgt hij ervoor dat we zijn slaven blijven. Wanneer we onszelf dienen, dienen we onze zondige natuur en de zonde is het gevolg daarvan.

“Een gedeeltelijke overgave aan de waarheid geeft Satan de vrijheid om zijn werk in ons te doen. Pas wanneer de tempel van de ziel ten volle aan God wordt gegeven blijft deze de vesting van de vijand.” (Review and Herald 11-28-1899)

Dat is iets dat zo moeilijk doordringt tot de gemeente van Laodicea. Zij lijden aan een verdeeld hart en zijn van mening dat alles goed gaat met hen.

“Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen. Omdat gij zegt: Ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt de ellendige en jammerlijke en arme en blinde en naakte.” Op. 3:15-17

De lauwheid onder Gods volk vandaag is te wijten aan een verdeeld hart en de mening dat dit een voor God aanvaardbare toestand is. Er is nog weinig geloof in de verlossende kracht van het Woord. En het Woord wordt zelden als dusdanig naar voor gebracht. Zeldzaam zijn de boodschappers die het woord brengen als een zuiverend vuur uit liefde voor een volk dat verloren gaat in haar zonden. De Here belooft echter dat wanneer dat gebeurt velen zich door dat Woord zullen laten reinigen:

“Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.” Daniel 12:10

Deze velen willen meewerken met de Here waarvan gezegd wordt:
“Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de HERE in gerechtigheid offer brengen.” Mal 3:3

Zij die denken dat niet nodig te hebben en zich tegen dit werk verzetten zal de Here uit Zijn mond spuwen.

“Individuen worden gedurende een bepaalde tijd getest en op de proef gesteld om te zien of ze hun afgoden willen afstaan en gehoor geven aan de raad van de Ware Getuige. Indien iemand zich niet laat zuiveren door gehoorzaamheid aan de waarheid, en overwinning behaalt over zijn zelfzucht, trots en kwade lusten, hebben Gods engelen de opdracht: “Zij hebben zich verbonden met hun afgoden, laat hen alleen,” en zij gaan verder met hun werk en laten hen onbelemmerd verder gaan in hun zondige leven overgelaten aan de leiding van boze engelen.” (1 Testimonie, p.187)

O, vrienden mochten we toch ten volle waarderen wat de Here voor ons doet. Laten we voor elkaar bidden dat onze harten niet lauw en onverschillig mogen zijn maar vurig voor de Here. Dat we van harte zouden wensen geheel van Hem te zijn en gewillig alles op te geven.
Wensen alleen echter is niet voldoende;
“Er zijn er die altijd op zoek zijn naar de goddelijke parel. Maar ze geven niet al hun verkeerde gewoonten op. Ze sterven niet aan zichzelf zodat Christus in hen zou kunnen wonen. Daarom vinden ze de kostbare parel niet. Ze hebben hun onheilige ambitie niet overwonnen en hun liefde voor de wereldse verleidelijkheden. Ze nemen het kruis niet op om Jezus te volgen op het pad van zelfverloochening en zelfopoffering. Zij weten niet wat het is om vrede en harmonie te hebben in hun ziel; want zonder een volkomen overgave is er geen rust, geen blijdschap. Bijna Christen, maar niet geheel Christen, lijken zij het koninkrijk van de hemel nabij, maar zij gaan daar niet binnen. Bijna maar niet geheel verlost betekent niet, bijna verloren, maar geheel verloren.” (1 Selected Messages 399, 400)

“In uw hand beveel ik mijn geest; Gij verlost mij, HERE, getrouwe God.” Psalm 31:5

Babylon: Romeinen 7 heeft het over een bekeerd iemand.
De waarheid: Romeinen 7 heeft het over iemand die zich veroordeeld voelt.

Sommigen zijn van mening dat de ervaring die beschreven wordt in Romeinen 7 overeenstemt met de ervaring van een bekeerd Christen. Wanneer dezen geconfronteerd worden met het overwinnend leven in Christus verdedigen zij hun toestand van vallen en opstaan door te verwijzen naar de ervaring van de persoon in Romeinen 7.
Maar let eens op wat die persoon zegt:
“Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Rom 7: 14-24

Deze man schreeuwt om verlossing van de macht van de zonde die in zijn leven heerst. Hij weet wat goed is, hij kent het Woord Gods, hij kent God verstandelijk, maar strijd in eigen kracht en moet bekennen dat de zonde sterker is dan zijn wensen. Een gevoel van schuld en veroordeling drukt hem teneer. Er is geen vrede en blijdschap want niet Christus “maar de zonde woont in” hem. Hij heeft een verlosser nodig aan wie hij zich volkomen overgeeft.

“Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!”

Romeinen 8 spreekt over iemand die zich geheel aan Christus heeft overgegeven. Het is niet meer de zonde maar Christus die in hem woont. Let op het verschil met Romeinen 7.

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods. Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest. Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. ..
Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.
Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader.” Rom 8:1-15

Deze laatste ervaring kan ook de onze zijn!


“Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Rom 6:14

Wat betekent het onder de wet te zijn? Is het niet de wet te kennen en tegenover haar te staan zonder middelaar en zonder verlosser als overtreder, schuldig en niet in staat tegemoet te komen aan haar eisen?

Wat betekent het onder de genade te zijn? Is het niet bevrijd te zijn van de schuld en de onmacht om aan de eis van de wet te gehoorzamen door de inwoning van Gods Geest?

De mens in Romeinen 7 is onder de wet. De mens in Romeinen 8 is onder de genade.

Waar zijn wij? Die de wet kennen maar blijven bij gekende zonde zijn onder de wet. Die de wet kennen en haar gehoorzamen zijn onder de genade want niemand kan de wet gehoorzamen tenzij de Geest Gods in hem woont.

“De natuurlijke mens onderwerpt zich niet aan de wet van God; hij kan dat trouwens ook niet. Maar hij van wie het leven door geloof is vernieuwd leeft elke dag opnieuw het leven van Christus…God heeft ons verlost van de slavernij aan de zonde, en heeft het voor ons mogelijk gemaakt om een nieuw leven te leiden, een leven van dienstbaarheid.” (Messages to Young People, p. 68, 69)

”Derhalve, broeders, zijn wij schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven. Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven. Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.” Romeinen 8:12-14

Gods grote werk binnen zijn volk is hen tot dit inzicht te brengen. Hij noemt hen Zijn volk maar ze zijn niet allen Zijn zonen. Vele malen moet Hij nog zeggen: Want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als onveranderde mensen? 1Cor 3:3

Door de duidelijke lessen uit Zijn Woord wilt Hij Zijn volk doen begrijpen welke grote verandering Hij in hen tot stand kan brengen als ze gewillig zijn. Gewillig om het Woord te onderzoeken en gewillig om het aan te nemen.

“Het is Gods doel om doorheen Zijn volk de principes van Zijn koninkrijk bekend te maken. Opdat zij in hun leven en karakter de principes zouden tonen  verlangt Hij hen te scheiden van de gewoonten, gebruiken en praktijken van de wereld (die erop gericht zijn de mens van God te scheiden en hem af te houden van het eten van zijn dagelijks manna; dat is het Woord Gods). Hij doet er alles voor om hen dichter tot zichzelf te brengen zodat Hij Zijn wil aan hen kan bekend maken. Zijn doel met Zijn volk is hetzelfde dat Hij had met Israel wanneer Hij hen uit Egypte bracht.  Door de goedheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid en liefde van God geopenbaard door Zijn kerk de wereld een duidelijke voorstelling geven van Zijn karakter. En wanneer Gods wet zo in het leven wordt beoefent zal zelfs de wereld de superioriteit erkennen van hen die de Here liefhebben, vrezen en dienen boven ieder ander volk in de wereld.  {Counsels to Teachers p. 321.1}

Terug pagina 5 pagina 7